| |
| |
| |
Vierde hoofdstuk
Beelden en klanken van die dag in Ermelo kwamen ongevraagd in Dirk terug en vonden hem zonder verweer. Ze zijn sterker dan ik, dacht hij met lichte zelfspot, ze doen maar met me als wurmen in mijn ingewand. Zijn verslag aan Koos, die zondagavond, was kort geweest, want ze kwam laat en hij had moeite met haar wisselende stemmingen. Natuurlijk was zij het eerst gaan vertellen, maar er vielen haperingen, ogenblikken waarop de wissels stroef leken te gaan. Coby en Kees waren pas tegen twaalven gekomen, in een eigen wagen, een tweedehands Renault, maar geen krasje en een motor als een kinderhart. Het ding moest van binnen en van buiten worden bekeken, Jantje liep iedereen voor de voeten. En onderwijl verhalen over Jet en Jaap; die cijferluis had niet mee gewild, en Jet liet hem niet in de steek, stel je voor ‘in de steek’ als je een uurtje met je zuster en zwager meerijdt!
- Zijn jongste schoonzoon, die voor accountant leerde, moest een reeks examens doen, en zou, volgens Kees, een langzame maar solide opgang maken. ‘En Jet hem steunen,’ had Coby smalend gezegd, ‘een kind kan er niet op overschieten.’
‘Nou, geef haar ongelijk,’ had de moeder geantwoord, had zij, Coby, niet beloofd haar man te steunen? Kees deed ook nog een duit in het zakje: kinderen waren als afvalprodukt van de welvaart te beschouwen, had hij gelezen. Het kwam bijna tot woorden, maar daarvoor blonk de eigen wagen toch te veel. Zouden ze eerst rijden of eerst bijtanken? Als moe eens in de keuken wou gaan kijken, op zondag lustte hij niet veel. - Nou, hij had voor drie gegeten. - Jammer dat pa er niet was, had Coby ge- | |
| |
zegd, had hij eens van zijn pienteren kleinzoon kunnen genieten. Maar na het eten werd het kind gauw op de achterbank te slapen gelegd en Coby ging effe buurten, natuurlijk vertellen dat ze een wagen had en de afwas bleef voor moe, Kees snurkte al in pa's leunstoel.
Door al die woorden was Berrie ver weg geraakt, als over een zee, achter vlakken van licht en duister en Dirk zou die vlakken willen verslaan om bij zijn jongen te zijn, liever dan met de welvaart van Coby en Kees aan tafel te zitten.
Het restje van de wijn hadden ze opgedronken, berichtte Koos en ze wisten van Molly uit de krant, Coby was nog naar het sterfhuis wezen kijken. Dat moe in de kast had gezeten, hoe bestond het! Zouden ze aan haar hebben gezien dat ze was veranderd? Maar ze hadden haar niet tevoorschijn zien komen in de zwarte sjaal met de rode bloemen, hadden haar niet tussen die beide stoere mannen zien weglopen.
Nu stond hij dan weer achter de toonbank en zag bij ogenblikken iets vreemds in de mensen, dat hemzelf vreemd deed zijn in de wereld, waardoor hij moeite had naar hun woorden te luisteren. Ook kon het hem vaag verontrusten als hij het beeld van zijn moeder met dat van Koos verwarde. Beide hadden de blik van een vrouw die niet weet wat een borrel is voor een man, - een borrel, of het deinen van de zee. En dan dacht hij weer aan de mannen die als verstard hadden gestaan door hun kennis van het kwaad. Had hij aan hen gelijk willen worden, of wilde hij zijn eigen trillende hart bewaren?
Na het sluiten van de winkel voelde hij zich als een schip op het strand: er kon niemand meer binnenlopen met een onverwacht woord op de lippen. Eens had hij een | |
| |
man horen zeggen: ‘Dat gooit de kroeg dicht,’ maar de wereld moest ook kunnen worden opengelegd.
Of hij ging tuinen, vroeg Koos, toen hij een blik op het plafond sloeg alsof het de lucht was en wat mompelde over lekker weer.
‘Een straatje om,’ zei hij en liep naar de deur.
Ze had die middag boodschappen gedaan en was niet bepaald zuinig geweest; als hij daar rekening mee kon houden?
Hij antwoordde dat hij zijn best zou doen een borrel te verdienen en voelde zich door haar nagekeken. Drong ze op zuinigheid aan terwille van Berrie? Zondagavond had ze niet naar den jongen gevraagd, wat hem nog dwars scheen te zitten, - maar was zijn gang daardoor onregelmatig? - hij had nog niets gedronken. Een kroeg terug te vinden waar je eens een goed woord had opgevangen, was een hachelijk ding, althans wanneer je niet voor het geluk was geboren. ‘Jij,’ kon Koos schamper zeggen, ‘jij krijgt meer slaag dan klappen.’ Voor haar gold het tegenovergestelde, ze was als een zwaan, die het koude water van zich afschudt.
Het hoge schip van de Noorderkerk doemde voor hem op en hij boog ervoor langs, - op de Lindengracht zou dat tentje kunnen zijn, dichtbij het water van de Brouwersgracht. Het was of de herinnering hem leidde, maar toen hij voor een smal huis stond met een flauw verlicht vierkant raam, aarzelde hij toch.
‘Durf je niet, vader,’ vroeg een vrouw naast hem en deed de deur open. Hij zag een tafeltje waaraan mannen zaten te kaarten en liep mee naar binnen; de vrouw verdween in het achterhuis, ze was klein en tenger, hij had haar gezicht niet gezien.
| |
| |
Eén der mannen hief het hoofd naar hem. ‘Kom erbij, Japie, we hebben op je gewacht.’ Hij had een opvallend bruin snorretje en zachte bruine ogen; zijn kop was vreemd gebouwd, bijna wigvormig, zodat de wangen geen front maakten. Dirk ging tegenover hem zitten en zag een smalle, sproetige hand met snelle beweging de kaarten wassen. Onderwijl sprak de man: ‘Naast mij zit de Dobber en naast jou Lowietje. Je zult het onthouden, want ze zijn altijd dezelfde: hij heeft nou eenmaal een harde dobber, en hij heet voor de eeuwigheid Lowietje. Wilt u zich ook voorstellen, meneer?’Die laatste woorden klonken opzettelijk beschaafd.
‘Van As,’ zei Dirk.
De kaarten werden rondgedeeld, ze waren smoezelig, maar zonder geknakte hoeken. ‘Zo - Van As - Van As; crematie is het beste op onze schaarse grond. Gun ieder een eigen bed om op de rand te zitten grienen, - een eigen graf is nergens voor nodig.’
Wat ze speelden, vroeg Dirk.
Klaverjassen - de Dobber kwam uit.
Dit was toch niet de kroeg die hij zocht, hij herkende de waard niet, een man met sluik haar en lange, gele boventanden, evenmin herkende hij iets in de kleine, slecht verlichte ruimte.
De man tegenover hem sprak zonder ophouden. ‘Als je in je hart de voorkeur gaf aan crematie, zoals de adverteerders het stelden, dan had je een duur einde, - dus was het niet voor iedereen weggelegd schoon op te branden. “Zo branden Ritmeesters”, - als je alle advertenties las, kende je de wereld.’ Was Japie het niet met hem eens? er smeulde twijfel in de vingers waarmee hij de kaarten trok.
| |
| |
Een rare vent, dacht Dirk. Hij had willen zeggen: ‘de zee adverteert niet,’ maar hield die woorden in. Hij moest zien weg te komen, achter zijn eigen toonbank kon hij meer van de mensen verdragen dan in deze nauwe kring. Daarom hield hij van de winkel, hij hoefde maar het hoofd wat te beuren en naar buiten te kijken als een klant hem ondragelijk werd, en... Viel daar een ruiten negen? die meende hij te hebben uitgespeeld. Voor zijn ogen schemerden de kaarten van de laatste slag, die zijn buurman met een vuile hand haastig ineenschoof. Beter opletten - ze zouden hem laten verliezen; in zijn recrutentijd was hij een scherp speler geweest, maar deze avond was zijn hoofd niet helder.
‘Ben je van de Jordaan, Japie,’ vroeg de man tegenover hem, ‘wat zeg je van onze moord, hebben we dat netjes in elkaar gezet of niet?’
‘Die Molly is nou langzamerhand wel afgekloven,’ zei de waard en krabde in zijn zware wenkbrauwen.
‘Ze had anders wat te bieden, - dat zal zo gauw niet weg wezen.’
‘Verbranden, jongens, verbranden past in het tempo van deze tijd. Alles wordt as, - fuut, de wind blaast de aarde weg.’
‘En al dat water?’ vroeg Dirk, in zijn kaarten kijkend. ‘De zee verdampt, - wou jij blijven drijven? Maar probeer je dat voor te stellen, een zo grote hitte dat de zee in korte tijd uitdroogt.’
Lowietje spuugde op de grond. ‘Klets niet, heb je poppen in je vingers?’
Ze speelden achteloos, dacht Dirk, alsof ze iets anders bedoelden dan kaarten en de man met de vogelkop sprak over Jules Verne, die hij een hemelbestormer noemde.
| |
| |
Lowietje won, hij, Van As, had het minste aantal punten en de borrels werden aangeschoven. Kon hij weglopen na zijn eerste verlies? Koos had om zuinigheid gevraagd, terwille van Berrie, en de jenever was slecht.
Een man stak zijn hoofd om de deur en bleef op de drempel staan.
‘Had je wat laten vallen, Sjors,’ vroeg de Dobber, ‘ik wil de vloer wel effe met je dweilen.’
De ander keek rond en verdween weer.
‘Een stille,’ zei de waard, ‘jelie praten me te veel over die moord.’
‘Te veel,’ zei de man met de bruine snor, ‘en de Sigaar weet van niks, - wat me overigens van hem tegenvalt, op zijn gezicht afgaande dacht ik dat hij de wereld aandorst, - wil zeggen het kwaad.’
Dirk keek hem aan en de ander ging voort: ‘Bij mij hoef je geen gezicht te zoeken, want dat heb ik niet, een paar kleurtjes, “toetsen”, noemt mijn vriend de schilder dat, maar toetsen zonder samenhang, ze maken geen akkoord. Zal ik je wat zeggen, Sigaar, je vindt nooit wat je zoekt.’ Opeens lachte hij, waarbij zijn ogen wijder open gingen, en Dirk bleef naar hem kijken, want nu had hij toch een gezicht.
‘Soms denk ik tot een uitspraak te komen,’ zei de man, ‘iets te hebben bereikt, maar dan doe ik een stap terug en achter me loeit een koe.’
‘Zwetser,’ zei Lowietje, ‘laten we spelen.’
Dirk schoof zijn stoel achteruit. ‘Ik laat u alleen, heren.’ Aan de tapkast stond de tengere vrouw, de waard was weg. Dirk betaalde.
‘Bent u de dochter?’ vroeg hij. Ze schudde het hoofd, een flauw glimlachje om de mond. Ze zou van Coby's leeftijd | |
| |
zijn, dacht hij, om en nabij de dertig, maar was veel rijper, en tegelijkertijd frisser, - alsof ze diepere gronden had. Hoe kwam hij ertoe dit te denken?
‘Ik neem het je kwalijk dat je wegloopt,’ zei de man met het bruine snorretje, ‘we hebben je wat aangeboden, je laat het liggen - een kind dat er zijn tanden niet in durft te zetten.’
Alles was vreemd, dacht Dirk, maar hij droomde niet. Nu hij buiten stond rook hij de wind die langs hem streek met een geur van vochtige bomen. Hij was blij te zijn ontsnapt, hij dacht ook plotseling dat er vals was gespeeld, maar haalde daar de schouders over op. ‘Achter me loeit een koe,’ had die vent gezegd - de anderen was hij al vergeten - dat betekende toch iets, misschien. Langzaamaan werd het stadsbeeld hem weer vertrouwd, hij was terug bij de Noorderkerk, waar het stil was als gewoonlijk, en keek om zich heen. Als die ander hem was gevolgd, zouden ze samen langs het water kunnen lopen. - Je dacht iets te hebben bereikt, - en dan zag je Berrie op het strand, schoppend tegen zijn omgevallen fiets. Een stap terug betekende - dat je nooit vond wat je zocht. Misschien was dat een waarheid als een koe. - Hij voelde zijn hart kloppen, hij zou het iemand willen zeggen dat Berrie, zijn ongelukkige zoon, toch iets was om je hand naar uit te strekken. ‘Dat schaap,’ zei Koos en was thuis gebleven, - ze verwachtte de meiden, ze was vol van haar avontuur, en was toch niet aan haar trekken gekomen, overtroefd door de ‘wagen’. Hij zou naar huis gaan, haar laten praten - hijzelf had niets te vertellen. Berrie, zou hij kunnen zeggen, dat onnozele kind aan de zee, en in dat donkere kroegje de man met de vogelkop, - maar dat waren beelden, die hun werking misten in het woord.
| |
| |
Voor hem niet, want hij had ze in zich, maar voor Koos. Er was geen brug tussen hen, hij zag haar spelen aan de overkant van het water, ze droeg rozen op haar hoed en langs de zoom van haar rok, ze schommelde hoog, heen en weer, hij zag haar sterke handen aan de touwen. Er stonden mannen aan de schommelpalen met opgeheven hoofd, - ze zwierde langs hen, ongrijpbaar. - Vreemd, dacht hij weer, - maar ik droom niet.
In de kamer achter de winkel zag hij Jet, zijn jongste dochter, die opstond en hem een haastige zoen gaf. Aan de blik van Koos begreep hij te storen door zijn vroege komst.
‘Nou - waar was ik? - mijn ontbijt: twee sneetjes bruin met een schraapseltje margarine, verder niks erop. Ik heb gevraagd: Waar blijft mijn zacht gekookte eitje? Had je het gezicht van die smeris moeten zien. “U bent, dunkt me, een hard gekookte.”’
Jet lachte uitbundig, zodat haar kleine, niet aaneengesloten tanden zichtbaar werden, wat haar iets kinderlijks gaf.
‘Waarom zou ik het slecht hebben bij die kerels?’ vroeg Koos, de kin op de saamgevouwen handen gestut, het hoofd wat schuin. ‘Ik heb toch niks gedaan? Ik zou mijn rekening kunnen presenteren: twee dagen voor u gewerkt, mijn huishouden hebbende voor u in de steek gelaten.’
‘Nou,’ zei Jet aarzelend, ‘je doet zoiets voor de gemeenschap, zegt Jaap, wizze smail, net als belasting betalen, - wat jij, pa?’
Dirk had niet goed geluisterd, maar zei: ‘Ja, kind; hoe is het met je man?’
Die deed weer examen en was de hele avond ook nog | |
| |
weg, zijn werk vergelijken met dat van een vriend; hij had een afschrift gemaakt door carbon-papier, zodoende hield hij een bewijs in handen.
‘Ten goede of ten kwade,’ zei Koos licht maar langzaam en knipoogde naar haar man. Maar meteen veranderde haar stemming. ‘Wat zit je daar weer met je gezicht van sla-me-alsjeblieft-dood - wat heb je uitgespookt?’
Hij antwoordde: ‘Eén borreltje gedronken, anders niet.’ ‘Weet je nog, moe,’ vroeg Jet, ‘vroeger zei je tegen ons: “pa loopt grachies.” Heb je kringetjes gespuugd in het water, pa?’
‘Zal hij niet doen,’ antwoordde Koos, ‘het water is heilig, je wordt ermee gedoopt en het draagt je over de wereld.’ Ze trok even met de schouders. ‘Je kunt er ook in verzuipen, dan is het kringetje rond.’
Ze zwegen een ogenblik, - toen stond Koos zuchtend op. - Ze zou dan maar koffie zetten, ze had die middag moorkoppen meegebracht uit de Haarlemmerstraat, drie stuks, alsof ze wist dat er iemand kwam oplopen. Misschien had ze gedacht die inspecteur, want bij het afscheid had hij gezegd: ‘Ik vergeet de onschuldigen niet.’
Tot zijn verwondering zag Dirk haar blozen. Bruusk ging ze voort: ‘Een beetje gek, hè? een dominee mag zeggen: God vergeet de rechtvaardigen niet - maar zo'n kerel... Nou ja.’
Ze heeft het verzonnen, dacht Dirk, van dien inspecteur. Hij bleef alleen in de kamer, Jet ging haar moeder achterna.
In de avond liep hij weer naar het kroegje, een dag later, en had zich voorgenomen alleen te kijken of dat bruine snorretje er zat en of die jonge vrouw achter de tapkast | |
| |
stond. Wat hij verder wilde, wist hij niet. De kerk was hoog en grijs in het onzware duister, de huisjes rondom speelden met wat kleur en schaduw. Hij zou een kerk willen veel groter dan deze en strenger van vorm, met hoog ingezette ramen zonder spitsbogen of beitelwerk, een ruimte die door niemand kon worden betreden, waarvan je door de wanden wist dat ze bestond - een onzienlijke wereld.
Hij liep door naar de Lindengracht, hij deed de kleine deur open. Er zat niemand aan de tafel, een paar mannen stonden aan de tapkast en daarachter de tengere vrouw. Er was plaats genoeg voor hem; hij wist niet hoe den man te beschrijven, dien hij zocht, maar voor het ogenblik viel dat doel weg en keek hij naar de vrouw, die glazen spoelde. Wat had hij in haar gezicht gezien? om de mond lag een gemelijke trek, of was dit een ander, een zuster van haar, misschien? ‘Je vindt nooit wat je zoekt,’ had die man gezegd, ‘alles wordt weggeblazen.’
Langzaam dronk hij zijn borrel, niemand lette op hem. Hij zou aan het tafeltje kunnen gaan zitten en wachten, - maar dan moest hij blijven drinken, wie weet hoe lang, en die jonge vrouw was een ander geworden. Hij schoof haar het geld toe over de toonbank en ving een blik van haar op. ‘Komen de stamgasten vanavond niet?’ vroeg hij.
‘Wat bedoelt u?’
‘Ik heb hier een man ontmoet met een bruin snorretje en zo'n vogelenkop.’
De man aan zijn elleboog zei: ‘De mussies vliegen buiten, hoor.’
De vrouw trok de ogen half dicht. ‘Die ken ik niet.’
Toen hij weer op straat stond had hij toch spijt van zijn | |
| |
ongeduld: de herinnering aan dien man zou hij nu wel verliezen. Dan bleef Berrie hem over, en Koos, - anders niet dan die twee. ‘Pa loopt grachies,’ zei Koos tegen de meiden. Een ogenblik stond hij stil en keek om zich heen; het was een milde avond met een hoog, dicht wolkendek. Zou hij de buitenkant zoeken, of de binnenstad met meer mensen en licht? Op de hardstenen kaderand, een twintig meter voor hem uit, liep een man langs de kop van een paar geparkeerde auto's. Dat kon hem zijn, dacht Dirk, dat smalle, hoekige lijf met het kleine hoofd - hij lijkt meer op een reiger dan op een mus. Om de afstand tussen hen niet groter te doen worden, nam hij de wijde gang van de ander aan. Wat verderop lagen schuiten vastgemeerd, zodat ze al gauw over kabels en touwen stapten. De man liep licht en toch weloverwogen. - Wat zal ik hem vragen? dacht Dirk - of er vals is gespeeld? maar dat kan me niet meer schelen. Wie hij is - of waarom hij er nog is?
Plotseling voelde hij zich struikelen; het flitste door hem heen: val niet, want als je bent opgestaan is die vent weg, - maar viel voorover, de handen uitstrekkend. Het verbijsterde hem, er was geschuur en geknars van metaal, zijn handen deden pijn. Hij wilde zijn zakdoek grijpen, maar schrok terug voor het bloed dat hij zag en begon zijn rechter handpalm schoon te likken. Er verscheen iets boven zijn hoofd, fladderend, groter dan een vogel, en weer hoorde hij gekners van ijzer. Een vrouw zei: ‘Wacht maar, ik kom u helpen.’ De losse ondergrond bewoog, hij viel nog eens en voelde zijn knieën schrijnen.
Aan de wal was rumoer van mensen. ‘Heb je haar zien springen,’ riep een man, ‘het is een heilsoldaat! Haal een ladder, ze moeten eruit!’
| |
| |
De vrouw stond nu naast hem en legde een arm om zijn schouders.
‘Hebt u zich erg bezeerd? ik zal u verbinden.’ In de flauwe lantaarnschijn zag hij een warm, jong gezicht vlak bij het zijne, de ogen waren heel donker, het voorhoofd blank onder de hallelujahoed. Ze stelpte het lauwe bloed in zijn hand met haar zakdoek, onderwijl prevelend: ‘Het is nog goed afgelopen, u bent in een schuit met oud roest gevallen, hoe bestaat het!’ Haar spraak was plat, maar niet erger dan die van Koos en het verbaasde hem dat hij dit opmerkte. Weer zweefde er iets boven zijn hoofd en kantelde langzaam, een ladder, waarvan de poten tussen de ijzeren staven werden gewrongen. ‘Kom naar boven,’ riep een man, ‘dat gevrij in die schuit moet uit zijn!’ Het meisje liet haar hand langs zijn rug glijden en trok hem bij de arm. Hij greep de zijspanten en zette zijn voet op de onderste sport; de ladder zakte dieper weg, maar werd van boven vastgehouden. Achter zich hoorde hij de stem van de heilsoldate: ‘Het gaat goed, we worden gered.’ ‘Halleluja!’ riep een jongen aan de wal.
Zodra ze op straat stonden, nam het meisje haar buit onder de arm. -
‘Vriendelijk bedankt,’ zei ze met wat schorre stem, ‘vriendelijk bedankt voor de ladder uit naam van Jezus Christus.’ Nu drong ze de geredde in de richting waaruit hij was gekomen. Een oude vrouw begon schel te zingen: ‘Tra-ra-ra- boemdienee, 'k Ga met geen diender mee, Maar met een heilsoldaat. Die naar de hemel gaat!’ Kinderen joelden.
‘Even loskomen van de mensen,’ fluisterde het meisje aan zijn oor, ‘dan zal ik naar uw handen kijken; misschien vinden we een apotheek open, of we kunnen naar ons | |
| |
hoofdkwartier gaan, - daar is ook wel een bed voor u.’ ‘Ik ben geen landloper,’ zei Van As, ‘ik ga naar mijn eigen huis’ en hij trachtte zich te strekken, - de laatste tijd liep hij wel meer wat krom.
‘O ja, natuurlijk,’ zei het meisje haastig, ‘maar u hinkt een beetje uit de heup, misschien hebt u wel met de engel Gods geworsteld, net als Jacob, - dat zou heel waardevol zijn, een memento voor uw verdere leven. “En hij noemde de plaats Pniël,” - weet u nog?’
Hij schudde het hoofd en wilde haar de zakdoek teruggeven, die vol bloed was. ‘Je kunt me nu best alleen laten,’ zei hij.
Ze stond stil onder een lantaarn. ‘Laat uw handen eens zien? Natuurlijk breng ik u naar huis; ik heb altijd een extra zakdoek, voor tranen langs de weg, bloed en tranen.’ Ze boog zich over zijn hand en het was hem alsof ook zij het bloed wilde weglikken, wat hem een wee gevoel gaf in de maag, maar ze beurde het hoofd en weer zag hij de volle kleuren in haar gezicht. Ze had een rechte neus met een breed zadel tussen de zachtbruine ogen. Een warm kind, dacht hij, anders dan mijn dochters, - hij zou haar moeten beschermen, hij was een man. ‘Kom,’ zei hij, ‘mijn vrouw zal die zakdoek wel wassen, en mijn linkerhand is niet erg.’
Ze gingen nu voort, de enkele voorbijgangers letten niet op hen.
‘U mag uw vrouw niks verzwijgen,’ zei ze ernstig; ‘waarom liep u zo dicht langs het water, was er een last in u die u kwijt wilde? Wentel uw last op den Heer, die al onze zonden draagt.’
Hij dacht aan het oud-roest, dat knarsend was verschoven en mogelijk zijn bloed had besmet. Een huisjongen van | |
| |
zijn moeder, een Maleier, was aan bloedvergiftiging gestorven; hij wist nog hoe snel dat was gegaan en hoe onberoerd zijn moeder was gebleven. Het was beter geweest als dit kind hem niet had kunnen bereiken over die losse bodem, de lucht van verroest ijzer hing tussen hen.
‘Woon je in een tehuis van het Leger,’ vroeg hij, ‘heb je de hele dag je hoedje op?’
Ze schudde het hoofd.
‘Ik woon bij mijn vader en ik draag mijn uniform alleen in mijn vrije tijd, als ik erop uit trek.’
‘Waar trek je dan heen?’
‘Dikwijls naar de walletjes, en naar de kroegen aan de havenkant.’
‘Je bent nog zo jong, waarom doe je het?’
Daarop gaf ze geen antwoord, maar omklemde zijn arm wat vaster.
Ze waren nu dichtbij zijn huis en hij dacht aan De Rooi, den geldwisselaar, die hem zo niet moest zien.
Met aarzelende stem begon het meisje ‘De mensen weten niet altijd dat ze hulp nodig hebben, of ze weten niet waar die hulp te zoeken, - dan zeg ik hun dat ze op Jezus Christus hebben gewacht, en dat Hij zal komen.’
‘O ja,’ zei hij, ‘maar-re... we moesten even kijken of de apotheek op de Lindengracht open is, ik zou geïnfecteerd kunnen zijn.’
Een ogenblik later zagen ze het hoge winkelraam verlicht.
‘We hebben geluk,’ zei het meisje.
De jonge vrouw achter het loket groette: ‘Mijnheer Van As.’ Dirk kende haar, hoewel niet van naam; ze werkte al jaren in die apotheek. Hij spreidde de handen open en zei dat hij was gevallen. Haar gezicht, mat van huidkleur,
| |
| |
met donker gepenseelde wenkbrauwen, en strak getrokken haar daarboven, toonde niet de minste verwondering. Met een lange blik op de heilsoldate zei ze: ‘Het beste paard struikelt wel eens.’ Meteen wendde ze zich om, vulde een bakje met vloeistof uit een fles en begon zijn handpalmen te betten. In de grote aandacht waarmee ze dit deed voelde Dirk een verweer tegen het geloof van de heilsoldate, meer nog een misprijzen van dat geloof. Neerblikkend op het gladde donkere hoofd van de apothekeres, dacht hij: Speel jezelf niet zo uit, verberg je superioriteit voor dit eenvoudige kind. Hij dorst niet naar haar te kijken, het zwijgen tussen hen drieën verontrustte hem, maar hij wist dat ze, één stap terug, naast hem stond. Het was een lief meisje, bij Koos zou ze veiliger zijn dan hier. Nu werd zijn rechterhand gezwachteld en hij zei de vingers nog graag te willen gebruiken. De assistente antwoordde dat hij veel met zijn linkerhand zou kunnen doen. Ze sprak beheerst en zonder enig accent. En als het verband vuil werd?
Dan kon hij terugkomen. Verder geen schrammen?
Hij voelde zijn knieën steken, maar antwoordde: ‘Verder niet, dank u.’
Bij de deur wendde hij zich nog even om. ‘Als u in mijn zaak komt, krijgt u een goede sigaret van me.’
Ze trok de wenkbrauwen wat op en glimlachte flauwtjes. Weer op straat stelde hij zich de thuiskomst voor; als Koos zou zijn uitgegaan, moest hij dit meisje liever niet mee naar binnen nemen. Ze liep nu naast hem zonder zijn arm aan te raken.
‘En?’ vroeg hij, ‘moet je niet terug, misschien ligt er weer iemand in die schuit?’ Zonder het hoofd te wenden, meende hij haar te zien blozen en ging voort: ‘Misschien vind | |
| |
e één goede daad per dag voldoende, - dat kan ik dan wel met je eens zijn.’
Ze zei met zachte stem: ‘Ik weet niet van goede daden, maar ik dacht dat...’
‘Dat je ook wel een pakje sigaretten had verdiend?’
Nu trok de kleur weg uit haar gezicht, hij had haar nog niet zo bleek gezien, alleen de hondeneus was nog lichtrood.
‘Ik weet niet meer wat ik heb gedacht,’ zei ze, ‘maar we mogen niet roken zolang we in ons werk zijn, - ik doe het trouwens nooit.’
‘En wie heeft je dat werk opgedragen?’
Ze gaf hem een verwonderde blik. ‘Opgedragen? we zijn ertoe geroepen.’
‘O ja; net als de vrijwilligers in de oorlog. Die jongens konden soms nauwelijks wachten tot ze zeventien jaar waren; - jij bent ook nog zo jong.’
‘Ik ben al eenentwintig,’ zei ze.
Hij glimlachte om haar ernst en zag dat de kleur was teruggekeerd in haar wangen.
Voor zijn winkel stonden twee kleine jongens. ‘Kijk die leeuw van tabak,’ zei de grootste, en de ander: ‘Mijn vader rookt een pijp, maar da's smerig, zeg, ik heb eran gelurkt.’ Toen ze de heilsoldate zagen, maakten ze zich vlug uit de voeten en krijsten ‘halleluja!’ om de hoek van de straat. Met zijn linkerhand draaide Dirk de deur open en zag het licht branden in de alkoof.
Koos legde een patience. ‘Wat nou?’ vroeg ze, maar wist alles al bij de eerste blik, dacht hij. Het meisje noemde haar naam: Mia Pelsen.
‘Pelsen?’ Koos wenkte met haar duim. ‘Van den slager daarginds? mijn man is dol op pekelvlees.’
| |
| |
‘Hij is gevallen,’ zei Mia, ‘en toen dacht ik dat ik hem maar even thuis moest brengen, je weet nooit of iemand overend blijft als hij een knauw heeft gehad.’
‘Een knauw? - kind, een knauw is ons dagelijks hapje. Maar ga gerust zitten, hoor, er is nog leut.’ Ze harkte de kaarten naar zich toe en keek haar man aan. ‘Gevallen, zo - en moest die hand daarom een sneeuwbal worden? Nou is hij nog schoon, morgen vuil. En je knieën? die broek kan weer naar de stomerij. Zijn we soms verzekerd tegen vallen?’
‘Het kan iedereen gebeuren,’ zei het meisje, ‘als je maar weer opstaat.’ Ze vertelde van de schuit met oude rommel, ijzer en zo, - het zou wel pijn hebben gedaan.
Koos geeuwde. ‘Het is altijd hetzelfde, nou kan ik opstaan en koffie halen.’ Ze liep naar de keuken.
Het meisje zat heel stil, Dirk zag het fijne stro van haar hoedje en de grote strik op haar linker oor. ‘Zet dat hoedje eens af,’ vroeg hij. De strik bewoog even. ‘Een non zet haar kap toch ook niet af.’
‘Maar je bent geen non.’
‘Soms denk ik dat ik het zou willen zijn, als ik dan toch korte rokken mocht dragen.’
Hij lachte en zag haar blozen. Ik heb niet op haar benen gelet, dacht hij. De geur van koffie drong tot hen door, - weer zag hij Koos opstaan en weglopen, een formidabele vrouw, als ze zich strekte was het of de wereld groter werd. Die woorden gaven hem een huivering en hij bleef op zijn verbonden hand turen.
Met kleine stem zei het meisje: ‘Eigenlijk houd ik niet van de katholieke kerk, - het is er zo donker, - en ik houd ook niet van Maria, ik denk altijd dat ze haar kind niet zelf heeft gekregen.’
| |
| |
‘Zo - zou het dan een vondeling zijn geweest?’ Weer keek hij naar haar en schrok bijna van de blinkende tranen in haar ogen. ‘Kind,’ zei hij haastig, ‘denk er maar niet meer over, - je zult wel moe zijn, net als ik.’
Koos kwam binnen met het dienblad, gaf de koffie rond en ging op haar gewone plaats aan tafel zitten. Wel een halve minuut bleef ze zwijgen, toen zei ze, de kop nog aan haar lippen: ‘Ik houd van het Leger, jullie gaan op alles af, hè?’ Ze stootte een lachje uit. ‘Heb je een stem gehoord die zei dat je in een oude schuit moest zoeken?’ Het meisje bleef ernstig, maar gelukkig, dacht Dirk, had ze nog net op tijd haar tranen gedroogd. ‘Nee,’ zei ze, ‘ik liep achter uw man, ik wou de Haarlemmerdijk op, - en er was iets vreemds aan hem, ik weet niet hoe ik het moet zeggen, hij liep niet hard, en toch was het of hij vluchtte.’
Koos trok de wenkbrauwen op. ‘Heb je wel eens een dronken man gezien?’
‘Jawel, maar dronken was uw man helemaal niet. Wat zei ik ook weer? - het was of hij vluchtte, ik dacht: In Jezus' armen, en op dat ogenblik zag ik hem vallen.’
‘Toen sloeg jij zeker je armen om hem heen?’ Weer lachte Koos. ‘Van een heilsoldaat tot Jezus is maar een zuchie.’
‘U moet niet spotten,’ zei Mia met neergeslagen ogen.
‘Meid, ik zeg je toch dat ik van het Leger houd. Maar je hebt zeker geen vriendje, hè? Om een man zou je het moeten opgeven, tenminste in onze stand, een man kan niet op eigen benen staan.’
‘Een vrouw ook niet,’ zei het meisje bijna fluisterend.
‘Hm - wacht jij maar tot je getrouwd bent. Pelsen - ik heb eens een Kerstrolade bij hem gekocht, daar had hij | |
| |
rooie lintjes om gebonden, die ik wel dubbel en dwars zal hebben betaald. Maar jij bent een goed kind. Drink je bakkie eens leeg en ga naar huis.’
‘Hij scheldt altijd op mijn uniform,’ zei het meisje.
‘Nou - en daar komen ook rooie lintjes aan te pas.’
Dirk hoorde het gesprek zonder te luisteren.
|
|