| |
| |
| |
Derde hoofdstuk
Hij stond vroeg op, die zondagmorgen; Koos bleef nog liggen en vroeg met slapende stem of hij nu al ging? - dat schaap moest naar de kerk.
- Het werd wel later, - hij moest zich nog verschonen. Toen hij in de kleren was en haar een kop thee bracht, deed hij een laatste poging. De jongen was er zo op gesteld hen samen te zien, het was een mooie dag om naar buiten te gaan. Maar ze schudde het hoofd: na de emoties van deze week wilde ze thuis blijven. Op het kerkhof had ook de zon geschenen - ‘een stralende nazomerdag,’ had een neef van Molly gezegd, de enige die aan het graf had gesproken, en een echte meneer, - Molly scheen van goede kom-af te zijn geweest. Hij, die neef, had haar in hun jeugd gekend, een lieve, vrolijke meid, en als hij zei ‘meid’, dan klonk het anders dan uit de mond van een Jordaner. In de kracht van haar leven was ze ons ontvallen, zei hij, allemaal mooie woorden, en toch niet erg van pas voor haar gevoel, want onwillekeurig zochten je ogen naar de moordenaar. Maar de rechercheur was er niet geweest. ‘De rechercheur?’ vroeg hij verbaasd.
‘Natuurlijk, die had er wat kunnen leren. Inplaats daarvan had hij Gerrels opnieuw in de kraag gepakt.’
Dit alles wist hij al, maar zij scheen er niet genoeg van te kunnen krijgen. Nu dronk ze de thee en schoof met een lange zucht weer onder de dekens. Een paar seconden bleef hij naar haar kijken, zoals hij niet wist eerder te hebben gedaan: het dichte ooglid was rimpelig, er lag een groef tussen de wenkbrauwen, maar de lijn van voorhoofd en neus was mooi als van een bloemkelk. Hoe kon dat woord in hem opkomen - doordat hij zo ver weg was | |
| |
geboren, misschien? Wat haastig wendde hij het hoofd. In de kleine huiskamer keek hij rond of er nog iets voor hem viel te doen, streek over het tafelvlak, besloot niet te ontbijten om geen kruimels te maken en liep naar de winkel, waar hij een stofdoek nam als op werkdagen. Behoedzaam veegde hij langs kistjes en dozen, met de linkerhand het opgestapelde stuttend. Daarbij viel het hem in een doos kleine sigaartjes te moeten meebrengen voor Kouber, de kruidenier bij wie Berrie woonde, iets waartoe hij altijd met enige weerzin besloot, - terwille van zijn jongen. De doos pakte hij netjes in als voor een klant.
Toen hij op straat liep, voelde hij zijn borst verruimd. Er hing een ijle nevel in de boomkruinen langs het water; door de rust van de zondagmorgen hadden de huizen dat wonderlijke, dat hij niet kon noemen, alsof de tijd hen had losgelaten en vergeten. Hier had hij vaak met Berrie gelopen, toen hij nog hoopte dat het kind zich zou ontwikkelen, - maar ook hem scheen de tijd te hebben vergeten.
Onwillekeurig keek Van As op zijn horloge; ruim negen uur, - hij wist het trouwens aan de zon. Het zou een mooie dag worden, hij kon wel eerst naar de zee gaan kijken, dan een bus nemen van Harderwijk naar Ermelo. Deed hij zijn zoon daarmee tekort? Berrie hield van het zingen in de kerk, lang uithalend; hij blert als een varken, zei Coby vroeger, - fijngevoelig waren die meiden niet. Toen het stationsplein voor hem lag ging hij wat sneller lopen; er was daar grote bedrijvigheid, de trams reden af en aan. In de hal van het station stonden extra treinen naar Zandvoort aangekondigd. De Noordzee lokte hem meer dan het binnenwater, en toch is de zee bitter, dacht hij. In de voortgaande trein zat hij aan een raampje en | |
| |
keek naar buiten. Zijn denken bleef vaag, eerst voorbij Amersfoort werd hij opmerkzamer en hield de beelden zo lang mogelijk vast. Toen ik wist niet te zullen varen, dacht hij, had ik een buitenman moeten worden, dan zou ik ook een boerendochter hebben getrouwd, een vrouw als Koos, zo warm van lijf en zo vast op de benen.
Koos was goed voor hem geweest, al die jaren, maar ze had hem vandaag niet alleen moeten laten gaan, na wat er was gebeurd. Ze hadden Gerrels opnieuw gepakt, een man die hij wel kende, lang als een telefoonpaal, verlegen met zijn figuur. ‘Ik ben een antenne, ik vang alle trillingen op,’ had hij eens met een scheve glimlach gezegd, zich buigend over het vaste vlammetje op de toonbank. Of de man iets zou verstaan van al die stemmen? Het was alsof de blik van Gerrels antwoordde: O, jawel. De man zou dan zeker ook weten waarom Molly was vermoord.
Weer tuurde hij naar buiten; dennen en laag hout, - hij hield niet van zandgrond. - Het drong tot hem door dat hij onrustig was, alsof hij voor het eerst naar Berrie ging in het volle besef van diens staat. Toch was dat besef voorzichtig, bijna zich verontschuldigend, bij hem binnengeslopen - en hij had er vrede mee. Verwonderd herhaalde hij die woorden: Ik heb er vrede mee. Maar er was iets veranderd sinds hij die mannen tegen de muur had zien staan, sinds hij wist wat hen roerloos maakte. Hijzelf kon de spanning voelen, hard en snijdend.
Hij liep de lange weg van het station Harderwijk naar het oude stadje. In de straten was het druk door vrolijke mensen, die alle naar de buitenkant trokken. De zee lag vlak en blinkend onder het sterke licht en een ogenblik stelde de stilte hem teleur: er was geen ruisen, geen ge- | |
| |
murmel van branding, - toen dacht hij dat het goed zou zijn door het roerloze water te waden, totdat het zijn lippen zou bereiken, - maar wist dat alleen te kunnen doen zonder toeschouwers, - in een droom, misschien. Dicht langs de rand gaande, zag hij toch kleine rimpelingen in het water en het gele zand daaronder. Het zwembad was nog gesloten, maar jonge mensen ontkleedden zich in tentjes op het smalle, aangeplempte strand en lagen daar omheen in de zon; hun luide stemmen vervaagden snel in de ruimte. Dirk keek naar zijn zwarte schoenen, die morgen gepoetst; hij nam zijn hoed af, er stond toch een zwakke wind, die hij over zijn bijna kale schedel voelde strijken. Een meisje in shorts gooide een bal over zijn hoofd en lachte met open mond; haar lange benen waren slank, ook boven de knie. Ze doet of ze me niet ziet, dacht hij, ze is jong en mooi. Nu sprong ze op en ving de bal, een lichte kreet uitstotend. Speelde ze voor hem, een armzalig burgerman? Hij wendde het hoofd en zag een licht wapperend doek, groen en bruin gevlekt, een oude militaire dekmantel, waar een jongen een tent van probeerde te maken. Blijkbaar had hij geen stokken genoeg en gebruikte aan één kant zijn fiets, die opeens omviel. De jongen sprong toe en Dirk herkende Berrie, - Berrie, die nu tegen het achterwiel schopte en de vuisten balde. Hij kwam vlug naderbij en wuifde met zijn hoed.
De jongen keek op, er trok een brede glimlach over zijn bolle gezicht.
‘Paatje, ben jij het, ben je alleen?’ Hij omhelsde zijn vader, - hij was een kind, je kon hem niet leren dat mannen elkaar niet kusten.
‘Spijbel je ook, net als ik?’
Van As zette zijn hoed weer op. ‘Je hebt de groeten van | |
| |
je moeder,’ zei hij, ‘ze kon niet meekomen. Waarom ben je niet naar de kerk gegaan?’
Hij had dit niet willen zeggen, maar wist niets anders. Berrie stak een elleboog uit. ‘De kerk,’ zei hij smalend, ‘dat's goed als het regent, ons Lieve Heertje laat nou de zon schijnen.’
Hij nam een klein houten schepje op. ‘Heb ik gevonden, als ik wegga, gooi ik het in zee.’
De vader vroeg: ‘Zou je graag een tent hebben?’ maar de zoon reageerde daarop niet, hij groef een kuiltje in het zand. ‘Het is een goed schepje,’ zei hij, ‘een beetje klein, maar heel lief.’ Het meisje met de bal was naderbij gekomen en wierp een blik op Berrie, waarna ze haastig het hoofd wendde.
‘Je hebt een mooi zeil, zullen we samen een tent maken?’ Geen enkele uitdrukking in die lichtblauwe ogen. ‘Nee, ik wil pootje baden.’
‘Goed, jongen, dan blijf ik hier naar je kijken.’
Nu lachte Berrie. ‘Maar het mag niet zolang er nog een muis in de kerk is. Paatje, de dominee is een muis.’
Hij stelde voor ergens wat te gaan eten, als ze dan terug kwamen konden ze pootje baden.
Of hij zoveel centen had?
O ja, hij had genoeg.
Zijn baas was ook rijk, toch werd de vrouw hoe langer hoe magerder. Werd moenie dik? Met de gespreide handen voor de borst duidde hij een zware boezem aan.
Alle praatjes over sexualiteit vermijden, had de dokter hem op het hart gedrukt, dus antwoordde hij haastig: ‘Moeder blijft hetzelfde. Heb je al trek in een boterham? - het is nog vroeg.’
Berrie kneep de ogen dicht. ‘Een kop koffie. De baas zegt:
| |
| |
Ben je zelf kruidenier en krijg je nooit een lekker bakje koffie; de vrouw gooit er teveel water op, maar als ik 's avonds in bed lig, hoor ik haar weer malen.’
‘Goed, we zullen de fiets meenemen.’ Weer keek hij uit over het water terwijl de jongen het zeildoek opvouwde, zorgvuldig over het houten schepje heen. - Graag had Dirk nog gebleven, het weerspiegelend watervlak leek rechtop in hem te staan van top tot teen, - maar Berrie bracht de onrust van zijn wankele geest.
Als uitgewezenen verlieten ze het strand, de oude fiets met het zeildoek en een paar stokken tussen hen in.
Weer in het stadje gekomen zocht Van As een eenvoudig koffiehuis, één waar ze zouden worden geduld. Het was Koos eens met den jongen gebeurd dat een kelner haar fluisterend achter de hand had gezegd: ‘Mevrouw, het publiek neemt aanstoot, wilt u in een kamer van den eigenaar gaan zitten, waar u goed zult worden bediend?’ Ze had verkozen weg te gaan, met een weerstrevenden jongen. Nu zaten ze in een kiezeltuintje onder een grote linde en konden naar het verkeer kijken. De klank van een kerkorgel drong tot hen door, - het einde van de dienst. Gelukkig had Berrie belangstelling voor auto's; ‘kijk, patje,’ zei hij telkens, ‘wat een slee.’ De wagens kwamen langzaam om de bocht en gleden voorbij, de inzittenden hoorden de psalmtonen niet. ‘Grote God, wij loven U,’ dacht de vader. Het wachten op de koffie gaf een prettige prikkeling. Berrie omsloot zijn arm. ‘We moeten lang blijven zitten,’ zei hij, ‘tot de baas me komt zoeken. Dan zeg ik: “Je kon toch wel begrijpen dat ik in een kroeg zat?”’ en hij lachte uitbundig. Een kelner bracht koffie met gevulde koek en botersprits. ‘Heren,’ zei hij, ‘een zeldzaam mooie dag. Over een uurtje krijg ik een groot gezelschap,
| |
| |
een vereniging van plattelandsvrouwen - tot zo lang kunt u rustig zitten.’
‘Platte vrouwen,’ zei Berrie luid, ‘dan gaan wij weg.’
De man schommelde met zijn dienblad. ‘Goed, jongeheer, maar u hebt geen haast.’
Een troep jongelui kwam binnen, vrolijk-luchtig gekleed; één der meisjes aarzelde bij het zien van Berrie, maar werd door de anderen meegenomen; in de uiterste hoek van het plaatsje vormden zij een wijde kring.
‘Die ken ik,’ zei de jongen, ‘allemaal uit Ermelo’ en met een brede glimlach: ‘schoolkinderen.’
‘Je mag niet zo kijken,’ zei de vader.
‘Niet? vinden ze juist leuk; ze kennen mij ook wel,’ en hij begon hartelijk te knikken.
‘Hier, eet nog wat.’ Dirk legde zijn zoon een arm om de schouders. ‘En dan gaan we naar het strand, het wordt hier koel, vind je niet?’
Door een vlammende blos leek Berries gezicht boller dan ooit.
‘Het is nou zondag, maar ze moeten veel leren, hè paatje? Dat donkere meisje heet Lida, ik draag soms haar boekentas, dan hol ik haar vooruit naar de school en stop hem ergens onder een bank, maar laatst heeft ze een run genomen en me ingehaald. Toen heb ik zo gelachen dat ze niet boos kon blijven, - maar je bent niet altijd vrolijk, paatje, als je lacht, en ik heb moeten beloven het nooit weer te doen.’ De trekken van zijn gezicht verslapten, maar meteen daarop trok zijn mond weer breed. ‘Kijk, zo'n auto heeft dokter Verheul, een Chrysler, - misschien komt hij me halen.’ De auto gleed voorbij.
Als Koos was meegegaan, dacht Dirk, zouden ze nu bij Kouber in de achterkamer zitten, of wat rondneuzen in | |
| |
de winkel. - Koos hield van verpakte artikelen, ze nam alles in de hand, vroeg wat het kostte en zette ieder ding zorgvuldig weer op zijn plaats. ‘Zou je niet wat kopen?’ vroeg hij dan, en ze zocht iets lekkers uit, dat meteen werd opgedeeld. Onderwijl babbelde ze, vertelde over haar schoonzoons, over het leven rondom, tot zelfs die muizige vrouw van Kouber een blos in de wangen kreeg.
- Weer in de trein, wees ze met het hoofd terug: ‘de vent geeft ons niks voor inkoopsprijs, die stinkerd wordt nog rijk.’
‘Wij toch ook,’ had hij eens gezegd, en zij weer, met een smalend trekje om de mond: ‘Wij, met Berrie op onze rug?’ Deze morgen had ze voor het eerst niet mee gewild naar Ermelo, die moord spookte door haar hoofd, haar houding tegenover de mannen van de politie. Hij zag haar op de planken in een kermistent, spelend naar alle kanten, zeker van haar succes, zag zichzelf verloren in een menigte die het hoofd naar haar ophief en juichte.
Nu voelde hij een knie van Berrie tegen de zijne. ‘Paatje, je moet het je niet aantrekken van Lida.’
‘Wat - e -’
‘Dat ze me nu niet wil kennen - ze is met zoveel vrienden; dikwijls loopt ze alleen en dan is ze altijd aardig. Ze heeft hele donkere ogen en eenmaal heeft ze mijn hoofd gestreeld, - misschien wil ze mijn meisje worden. Zal je dan blij zijn, paatje? - Laten we maar weggaan, de koffie is hier niet lekker -.’
De vader voelde zich ontroerd; het was hem meer gebeurd dat Berrie opeens zijn stemming ried en deelde. ‘Goed jongen, we zoeken een andere tent op, we zijn vandaag toch samen uit.’
Berrie had een ongelijkmatige gang en schommelde met | |
| |
de armen; zijn vader reed de fiets met zich voort. Ze liepen het oude stadje door als vermoeide reizigers, heimelijk teleurgesteld in het vreemde land. Aan zee waren nu enkele kraampjes geopend met planken vloertjes ervoor; de jongen vroeg om brood en bier.
‘Weet je nog, paatje, vroeger gingen we naar Zandvoort, maar ik hou meer van deze zee, dit is enkel water, de Noordzee is schuim en zout en kwallen.’ Ze haalden wat herinneringen op aan vroeger, toen Jet en Coby nog bij hen waren. Moeder dorst niet te zwemmen, ze was bang dat er een levende garnaal in haar mond zou spoelen, en Jet had zulke lange tenen, net vingertjes. Voor de grap had ze eens een ring en een ketting in het zand begraven, en kon ze toen niet meer terugvinden - eindelijk, ja, eindelijk wel. ‘Paatje’, vroeg hij opeens, ‘is moenie dood?’ en Dirk zag dat zijn ogen vol tranen schoten. Hij raakte Berries arm aan. ‘Welnee, hoe kom je daarbij?’
‘Ik zag een begrafenis langs de zee.’ Diep brommend, half onverstaanbaar begon hij zingend te zeggen: ‘Langes de zee, wiegele mee, dood en begraven langes de zee.’ De tranen liepen hem over de wangen. ‘Paatje, waar is moenie dan?’
‘Ze is thuis,’ zei Van As, ‘ze had hoofdpijn, en Coby zou komen met Jantje, je weet wel, je kleine neefje, zo'n joggie van twee jaar. Wil je nog pootje baden?’
De jongen schudde het hoofd. ‘Ik wil met jou mee naar huis, naar Amsterdam.’
‘Maar je bent toch in betrekking, de baas kan je niet missen, ik denk dat hij al ongerust is over zijn knecht.’
Nu veegde Berrie met een mouw langs zijn ogen en grinnikte. ‘Ja, denk je dat? Hij zegt “niksnut” tegen me, maar ik doe toch het zwaarste werk.’
| |
| |
‘Natuurlijk, hij is wat blij met je. Hoe zullen we teruggaan, lopes, of...’
‘Fietsend, - jij op de bagagedrager; ik slinger wel een beetje, maar daar moet je je niets van aantrekken.’
‘Als je maar niet onder de auto's slingert.’
De jongen lachte vrolijk. ‘Net nog niet, maar de man achter het stuur balt een vuist tegen me, zal je zien.’
‘Leg je het daarop aan?’
‘Voor de lol.’
‘Maar met je ouwe vader achterop?’
‘De duvel is oud.’ Hij sloeg zich op de knieën van plezier. Een klein meisje in een helder witte jurk bleef verbaasd naar hem kijken. ‘Kom Rietje,’ riep de moeder. Ze trok een pruimenmondje. ‘Een grote aap,’ zei ze, en wendde zich af.
De terugtocht verliep onregelmatig. Van As, die heimelijk opzag tegen het bezoek aan de familie Kouber, besliste dat hij zou wandelen; de jongen op de fiets schoot vooruit en weer terug, reed rondjes achter hem om en vertoonde zijn kunsten. De weg was vrij druk. Eenmaal gingen ze nog terzijde in het struikgewas liggen; Berrie zocht een zandig plekje uit en vormde twee kleine kopjes met de handen. ‘Vrouwenborsten,’ zei hij, ‘als ik groot ben neem ik een meisje met zulke borsten om tegenaan te liggen.’ Het zand vloeide weg onder de druk van zijn hoofd, en hij beukte erop met de vuist. Toen bleef hij er treurig naar kijken. ‘Het houdt niet,’ zei hij hoofschuddend, ‘er lopen geen wortels door. Wortels? - aderen en zenen. Wat zijn eigenlijk zenen, paatje?’ Hij luisterde niet naar het antwoord, maar wroette weer in het zand. De vader maande al gauw tot voortgaan.
Nog te vlug naar zijn zin waren ze op hun bestemming.
| |
| |
De vrouw van Kouber maakte een vermoeide indruk op hem; het grijze, onnatuurlijk krullende haar hing slordig in de nek, haar voeten staken in oude viltpantoffels. De man had zich beter verzorgd, het kleine, ronde hoofd stak parmantig uit boven het zondagse pak. - Was de jongen daar eindelijk, en hij, de vader, had zijn komst niet gemeld? Na, ze moesten dan maar binnenkomen. Hij zat met zijn vrouw voor de open deuren in de achterkamer. Een mooie dag, - ze konden niet weggaan en de boel sluiten, zolang hun knecht onder water was.
‘Dat doen jullie anders dikwijls genoeg,’ zei de jongen grinnikend.
De vrouw trachtte te sussen. ‘Kom, vader, we hadden toch geen plan om uit te gaan.’
‘Doet er niet toe, hij loopt weg en wij hebben de verantwoording. Van As, je moet begrijpen dat wij Christenmensen zijn, maar aan ons geduld kan een einde komen.’
De vrouw fluisterde Berrie toe dat hij zijn bed nog moest opmaken en de jongen verdween. Kouber keek achterom of de deur goed was gesloten, er kwam een jolige trek in zijn gladde gezicht en hij zei: ‘Zo, we hebben in de krant gelezen over een moord in de Jordaan - daar woont u immers?’
Van As knikte.
‘En uw vrouw - is toch niet ziek, hoop ik?’
‘Nee, - ze verwacht onze oudste dochter.’
‘We hebben het stil gehouden voor Berrie,’ zei de vrouw met de grijze krulletjes, ‘we verstoppende krant, maar hij hoort wel eens wat, je kunt niet overal vóór zijn’.
Dirk bewoog de schouders, hij wilde dit geval van zich schuiven, maar wist niet hoe. Na een ogenblik van stilte | |
| |
zei hij: ‘De Jordaan is misschien zo groot als uw dorp en veel dichter bevolkt - ik weet ook niets van die moord.’ De ander keek hem aan en gaf een langzame knipoog.
‘O, ik dacht: misschien als winkelier, - rokers zijn gewoonlijk praters. Was die vrouw nou een snolletje of niet?’
‘Ik weet het niet, ze noemde zich pedicure.’
Kouber lachte. ‘Dat kan voor mij alles betekenen.’
De vrouw stond zuchtend op. ‘Ik zal thee zetten.’
De bezoeker schoof onrustig op zijn stoel. ‘Ik zou even naar den dokter willen,’ zei hij, ‘doet u voor mij geen moeite.’
‘Die loop kan je je besparen,’ viel de ander in, ‘er is geen nieuws omtrent den jongen, dat sukkelt zovoort, en als hij de boel niet teveel in het honderd stuurt, kan hij hier blijven, - al moeten we misschien opslag vragen, de levensstandaard wordt steeds hoger.’
‘Ik betaal al een heleboel,’ zei de vader, ‘en ik moet nog zien weg te leggen voor den jongen.’ In het zwijgen dat volgde - de vrouw stond afwachtend bij de deur - voelde Dirk een bijna ondragelijke beklemming.
‘Maar nou die moord,’ zei Kouber, ‘de politie doet ijverig onderzoek, natuurlijk, dat doet de politie altijd, maar vinden ze wat?’
De vrouw liep de kamer uit.
‘Te denken dat je wordt vermoord in een opgepropte buurt en dat niemand er wat van weet - zogenaamd - maar je moet het durven volhouden, hè?’ Hij keek de ander met glinsterende oogjes aan. ‘U weet niks, uw vrouw weet niks, neem ik aan...’
‘We wonen er niet zo dichtbij,’ zei Dirk, ‘en je bent altijd aan je zaak gebonden.’
| |
| |
‘Wat noemt u “niet dichtbij”, drie minuten?’
‘Zoiets, ja.’
‘Hmm - de wind waait het gauw over. En de politie heeft het lijk vrij gegeven. U bent zeker niet naar de begrafenis geweest?’
‘Neen.’
‘Merkwaardig; er moeten al ristjes mensen zijn verhoord.’
‘Dat zal wel, ja. Mag ik een sigaar opsteken?’
‘Zenuwen? ga je gang.’
‘Ik rook heel weinig, ook al uit zuinigheid.’ Hij presenteerde den kruidenier, hield hem een vlammetje voor en merkte dat zijn hand beefde.
‘Merci. Ze hebben wel eens gezegd dat ik een goede speurder zou zijn; ik houd vast, hè, ik mergel de mensen desnoods uit. Er is zo'n gezelschapsspelletje, één denkt aan iets, een voorvalletje uit zijn leven, een beetje gek, offe...’ hij draaide wat met de geheven hand, ‘een beetje la-la, hij kan achteraf ook zeggen dat hij het maar heeft verzonnen, - en de anderen moeten proberen er door hun vragen achter te komen. Wel leuk, ik heb er nog al eens succes mee.’
Berrie kwam binnen en vroeg of hij de straat op mocht. ‘Voor dit keer, een half uurtje.’
‘Breng mij maar naar den dokter,’ zei de vader, en zich tot Kouber wendend: ‘Het staat zo achteloos als ik niet een poging waag.’
‘Maar paatje,’ zei de jongen, ‘we zijn hem tegengekomen in zijn Chrysler, hij ging naar Nunspeet, want daar woont zijn getrouwde dochter.’
‘Bel hem op, dan heb je zekerheid.’ Kouber ging zijn gast voor naar de telefoon. In het doktershuis meldde zich | |
| |
een dienstmeisje; dokter zou tegen zes uur thuiskomen, - kon ze de boodschap aannemen?
Dirk aarzelde. Hij mocht den dokter niet, en het lange wachten zou een marteling zijn. ‘Het spijt me,’ zei hij, ‘dan maar een volgend keer,’ en met beklemd hart ging hij de kamer weer binnen.
‘Nou,’ zei Berrie, ‘dan ga ik een beetje sjansen.’
De mannen bleven alleen en trokken aan hun sigaar. ‘De vrouw maakt toilet,’ zei Kouber luchtig, ‘al die vrouwen van ons hebben dezelfde haren en dezelfde jurken. Zo'n Molly zal wel anders zijn geweest; je kunt je niet voorstellen dat mijn vrouw vermoord zou worden, hè? - ze is er veel te goed voor, en een puike moeder, van Berrie krijgt ze alles gedaan, - maar de vonken vliegen er niet uit. En dan Ermelo, het dorp van de gestichten, mooie villa's voor de doktoren, maar op het terrein van de gekkenhuizen, zal ik maar zeggen. Ik denk wel eens: perslot parasiteren we allemaal op het abnormale, het zondige, het menselijke tekort, de ziekte. Ik heb niet zo'n vrolijke kijk op het mensdom, juist daardoor interesseer ik me voor een vrouw die doodgestoken in haar bed wordt gevonden. Heb je haar wel eens gezien?’
‘Bij mijn weten niet.’
‘Nou, ik zal je zeggen: er heeft hier een circusmeid gewoond, een trapezewerkster, die was gevallen; ze kwam wel eens in de zaak, kocht pepermunt en hoofdpijnpoeders, en als ze pas haar uitkering had gekregen kersenbonbons. Dat was nou zo'n type - een slangenmens, flink geverfd, met lange, knokige vingers en altijd op iets bijten, zodat je haar tanden zag - nerveuze tanden, zou je willen zeggen. Ze zou wel een beetje herstellen, maar ze kon nooit meer optreden, en ze hield van haar vak, daar | |
| |
zat de spanning van het gevaar in en zonder dat vond ze het leven zouteloos. Aan die vrouw moest ik denken, toen ik las van Molly, - ook een koorddanseres, niet iemand met uitgezakte voeten op de platte aarde, zoals onze vrouwen. - Het zal mij benieuwen of ze schoenen heeft aangetrokken, mijn vrouw, - ze kan er niet meer op lopen. Maar ze is een engel - ik weet niet of uw vrouw ook zo is, opofferend tot het uiterste. En ze neemt alles, begrijpt u? Ik ben er zeker van dat ze soms schrikt, van Berrie, of een ander, maar het volgend ogenblik vindt ze het weer gewoon - ook dát hoort erbij, en morgen weer dát. Wat blijft er over aan ellende die er niet bijhoort? - maar daaraan denkt ze niet. Nou ja - natuurlijk kunnen niet alle mensen zo zijn.
Een lekkere sigaar. Om nou op die moord terug te komen: je moest me maar op de hoogte houden, als je aan Berrie schrijft een enkel woordje erbij, - of misschien wil je vrouw het doen, die zal er zich meer bij betrokken voelen.’
‘Ik denk,’ zei Dirk, ‘dat de krant u het best op de hoogte houdt.’
‘O ja?’ Kouber glimlachte sluw. ‘Als ik over uw vrouw begin, wordt u stekelig.’
Mevrouw Kouber kwam binnen met de thee; ze droeg een rood en paars gebloemde japon en liep nu op leren pantoffels.
Hij had niet veel tijd meer, zei Dirk, hij wilde zijn dochter ook nog graag ontmoeten.
Nou, hij kon ieder uur weg.
Hij vergeleek aandachtig de pendule met zijn horloge.
| |
| |
Toen hij thuiskwam vond hij een briefje op tafel liggen: Ze zijn met een auto gekomen, ik rijd een eindje mee. Koos. Daaronder in een andere hand: Dag vader, de groeten van Kees en Coby.
Het was half zeven, hij had honger, maar in de keuken vond hij niets klaar staan. Een goed uur bleef hij zitten, vermoeid door de ongewone dag en voelde de neiging tot tevredenheid omdat hij was gegaan belemmerd door zelfkritiek op zijn houding. Langzaam werd het hem bewust dat hij moest praten als Koos terugkwam, vertellen over zijn bevindingen. Hij had den dokter niet gesproken en Berrie niet meer gezien bij het weggaan, hoewel hij de tijd voor het station heel ruim had genomen en bijna zou zijn verdwaald op zoek naar den jongen. ‘Je wordt stekelig als ik over je vrouw begin,’ had Kouber gezegd, de man wist blijkbaar dat de verdenking op Koos was gevallen. Ze zou nu wel gauw thuiskomen en hem te eten geven. Nog eens liep hij naar de keuken en vond er een restje koffie, dat hij opwarmde, ook waren er koekjes in een trommel. Hij at en dronk, maar het smaakte hem niet. Daarna stond hij lange tijd voor de winkeldeur; de automaten hingen buiten, de wisselaar ontbrak. Liep er iemand dicht langs het raam of bleef staan kijken, dan trok hij zich haastig terug om meteen daarop weer voorzichtig naderbij te komen en te speuren. Het was hem of hij de mensen anders zag dan tot nog toe. ‘Er is geen ellende meer die er niet bij hoort,’ had Kouber gezegd, - kinderen wisten dat niet, natuurlijk. Kijk die jongens ravotten - was het spel of ernst? Hij stond daar roerloos naar buiten te kijken. De vechtende jongens trokken af, aan de overkant kwam een jong paartje aan, de armen om elkaars rug gestrengeld. Zondagavondspel, morgen waren | |
| |
ze het misschien vergeten. En de moord op Molly, - was dat ernst? Een vlaag van woede, je was buiten jezelf, j e greep een mes...
Hij voelde zich wonderlijk, alsof hij boven het leven stond, hij ademde onhoorbaar, zijn hart leek niet meer te kloppen. Wat moest hij met Koos beginnen als ze thuiskwam? - hij had geen behoefte meer aan eten. Nu liep hij naar de alkoof en nam het vodje papier op. ‘Ze zijn met een auto gekomen, ik rijd een eindje mee.’ Met Coby praten over de moord, het kind, naast den vader, keek de ogen uit totdat het in slaap viel, - de vrouwen wisten van geen ophouden. Dan reden ze Rotterdam binnen en stopten voor Coby's huis. ‘Nou moeder, een happie eten? Kees brengt je straks wel naar de trein.’ Dat werd dan een uur of elf voor ze thuiskwam - tenzij ze bleef slapen. Ja, dat zou nog het beste zijn, dan had hij de tijd alles op te bergen, goed te verstoppen, - dat gladde smoel van Kouber met het gemene lachje, de ontmoeting met Berrie, de wandeling, Berries woede op het wegvloeiende zand, en Lida, wier boekentas hij verstopte, en het kleine meisje dat had gezegd: een grote aap. - Hij bedacht niet dat er altijd zulke dingen waren geweest, en hij vroeger daarover met Koos had gepraat, hij kende ze voor het eerst, hij had Kouber voor het eerst gezien. Zijn vrouw was een engel - waarschijnlijk liepen alle engelen op grote, vermoeide voeten - en Kouber vond meer behagen in een circusmeid met knokige vingers en nerveuze tanden. Hij moest maar naar bed gaan, het was donker geworden en het werd stil op straat.
|
|