| |
| |
| |
Tweede hoofdstuk
De wisselaar was weg toen hij thuiskwam, de etalagelichten brandden nog. Bij het schakelbord gekomen om ze uit te doen bedacht hij zich en keek op zijn horloge. Kwart voor negenen - het stond zeker stil? - maar het tikte en de kamerklok wees hetzelfde uur aan.
Hij overwoog de pas verlopen tijd, de avond was opeens naar een hoogtepunt gesprongen: de komst van de politie, neen, de verschijning van Koos in de zwarte sjaal, als een actrice geschminkt voor haar rol. Kon een vrouw zijn voorbereid op het onverwachte? Het was toch geen spel geweest - de moord op Molly had in de krant gestaan - maar veel tijd was er niet mee gemoeid, dat begreep hij nu wel, - ik geef u vijf minuten, had de rechercheur gezegd en het politiebureau was dichtbij.
Van As liep de alkoof in, zette de stoelen recht en ging aan de tafel zitten. De etalagelampen verlichtten de kamer zwak maar gelijkmatig. Koos placht ongeduldig te worden in de schemering, maar hij en Berrie hadden er altijd van gehouden. De grote kopletters van de krant kon hij nog lezen, hij sloeg de bladen om en weer terug, totdat de woorden alle betekenis gingen verliezen. Ik moet maar naar bed gaan, dacht hij, maar roerde zich niet en voelde langzaam een onbestemde vrees in zich voor de kamer waarin Koos haar gedaanteverwisseling had volbracht. Toch had ze daaraan praal noch luister kunnen ontnemen, het was de slaapkamer van kleine burgerluiden, een groot bed, een kastje van geschilderd hout, een tafeltje. Nu zag hij de Chinese meubelen van zijn moeder voor zich, dieprood gelakt met gouden figuren van draken en wondervogels daarin. Neen, Koos was te- | |
| |
voorschijn gekomen als een dier uit het oerwoud met geheven kop en glanzende ogen. Plotseling dacht hij weer aan Van Rooi, den centenman; misschien was die ook gearresteerd. Was er niet een grijns van verstandhouding geweest tussen Koos en hem? ‘Hij kijkt naar mijn zware heupen,’ had ze gezegd, ‘hij met zijn hoedje op en zijn armoe-gezicht.’
Er werd aan de winkeldeur gemorreld, - een klant waarschijnlijk, die Van Rooi miste? Na een ogenblik drong het tot hem door dat het Koos zou kunnen zijn, en haastig liep hij de gang door. Er stond niemand meer aan de deur en buiten was het rustig; aan de overkant liep een man voorbij.
Het moet nu toch al laat zijn, dacht Dirk opnieuw; hij zou niet op de klok kijken, maar de lichten doven en naar bed gaan, - het huis moest in rouw zijn gedompeld. Hij vergat zijn angst en werd in de kleine achterkamer door niets ongewoons getroffen.
Naar zijn plaats achterin het bed schuivend, voelde hij zijn vermoeidheid. Ik zal gauw slapen, dacht hij, en morgen komt Koos terug. Hij sliep korte tijd zo licht dat het ontwaken zich daarin niet aftekende en hij wat later begon te zuchten om de duur van de nacht. Zou Koos wel een bed hebben, en lieten die mannen haar alleen? Misschien was ze wel ontsnapt en had aan de deur gerammeld; - maar ze was vrijwillig meegegaan, ze liep niet naar het schavot, - hij moest zijn hoofd koel houden.
Toen hij Berrie indertijd naar Ermelo had gebracht, kon hij daarop ook niet slapen, en evenmin acht jaar geleden, toen hij de winkel had gekocht, waarin hij vele jaren zetbaas was geweest. ‘Wat maak je je zorg?’ had Koos gevraagd, ‘de wereld draait wel.’ Maar zo onverschillig was | |
| |
ze niet, ze nam werkhuizen aan, vier ochtenden in de week, kwam met nylonkousen thuis, die ze uit de prullemand van haar rijke mevrouwen had gevist, de linker wel eens anders van kleur dan de rechter, maar zo nauw nam ze het niet. Coby en Jet moesten ook aanpakken, het gemak kwam later wel, op je zestigste was het nog vroeg genoeg. En Berrie, dat jog, altijd maar schik hebben als de meiden kort en strak werden gehouden. Ja, hè moe?’ zei hij dan met zijn brede lach. Berrie, op de tochtige zolder daarginds, zijn bed onder de hanebalken. Was het een wonder dat je als vader niet sliep?
Geruime tijd lag hij zonder omlijnde gedachten, toen zei hij bij zichzelf: misschien moet je wat eten om daarna in slaap te vallen. Natuurlijk was hij niet meer bang in het donker, zoals hij zich dat uit zijn jeugd herinnerde, maar het sprak zo vanzelf dat het Koos was die opstond en hem een boterham sneed. Zij was het gewend van toen de kinderen klein waren en huilden, daarom lag zij ook voor in bed. Ze hadden er wel eens over gekibbeld, er was een scherpe kant aan Koos. ‘Andere vaders waren niet te beroerd,’ zei ze, ‘om hun kinderen 's nachts op het potje te zetten, maar hij lag liever met een duim in de mond en kwijlde op het kussen.’ En eens, toen ze hem een boterham bracht, zei ze: ‘Wil je geloven, zo'n mes in de knuist doet me goed als ik nijdig ben, ik zet er al mijn kracht op en zou stenen kunnen snijden.’ Molly was met een puntig tafelmes vermoord.
Zijn lichaam schokte plotseling alsof hij viel; - hij zag het mes, er droop bloed langs het lemmet. Nu tastte hij langs de muur en trok aan het koord van de lamp, dat losschoot en op het bed viel: de kamer lag in het schelle licht, dat hij niet meer zou kunnen doven. Hij voelde zijn hart bon- | |
| |
zen en bleef liggen staren naar een vochtplek boven de deur, - het behang was nog niet oud, maar de buren knoeiden met water, - of het dak lekte, je wist het nooit, onzichtbare slijtage, net als bij de mens. Door die overweging leek hij diep neerslachtig te worden; hij bleef roerloos liggen en verloor het besef van tijd. Na een poos wist hij opeens dat hij de elektrische stop moest uitdraaien om het weer donker te krijgen, - morgen zou hij dan het koord herstellen. Met langzame schokken schoof hij naar de rand van het bed, waar hij opnieuw strandde. In de vochtplek op de muur zag hij de uier van een koe, daarboven een vis en een zeemeermin met golvende staarten elkaar tegemoet zwemmend. Hij tuurde er lang naar, bekoord door de weke lijnen, en viel ongemerkt in slaap.
Het daglicht viel door een spleet in het gordijn, de lamp brandde nog. Hij miste de contouren van Koos' lichaam, haar heup en schouder, het warrige hoofd, en wilde iets oproepen dat hij in de slaap meende te hebben gezien, maar dacht niet aan de vis en de zeemeermin. Eensklaps sloeg hij het dek open: ze kon terugkomen, het was al zeven uur. Soms kwamen ook om acht uur de eerste klanten, wilden shag hebben of vloeitjes, de automaten hadden afgedaan. Of moest hij sluiten vandaag wegens... wegens wat? Hij stond daar in zijn lange onderbroek, de magere benen eronder uit en keek omhoog naar de lichte lamp. Zou hij het politiebureau opbellen om het Koos te vragen? ‘Wat haal je in je hoofd,’ zou ze zeggen, ‘de winkel sluiten? zaken doen, dubbel en dwars.’
Hij liep naar de keuken en waste zich aan de gootsteen; het stromende water, de eigen arm- en rompbewegingen maakten zijn gedachten los. Je neemt een oude gordijn- | |
| |
roe, zei hij bij zichzelf, en duwt daarmee tegen dat dingetje van de schakelaar, er staat nog een ijzeren roe in het kolenhok. Die ingeving gaf hem wat moed.
Om acht uur had hij de lamp gedoofd, ontbeten en afgewassen. De morgen nam telkens een aanloop tot snelheid en treuzelde dan weer. Als er niemand was om mee te praten, stond hij aan de deur en keek de straat af. De eerste klanten waren haastige werkgangers geweest die nog niets wisten, maar tegen de middag bleek het doen en laten van Koos tot de buurt te zijn doorgedrongen. Er werd veel gegrijnsd en geknipoogd: ze was zeker al terug? - ze vierde toch geen kermis met dien rechercheur? Een kranig wijf, zijn vrouw; niet dat ze nou direct een moord zou doen, ze had een ongelukkige zoon, nietwaar? - dan bedacht je je nog wel eens, maar de drift kon door je bloed schieten als de bliksem door de wolken, - en zo meer.
Op de rommelige achterplaatsjes bij het wasgoed, over gebroken schuttingen heen, aan de huisdeuren, overal spraken vrouwen samen, lang uithalend, laatdunkend, agressief, wegwerpend, vergoelijkend. Er werd aan schuld noch onschuld geloofd, wat Dirk zich langzaam duidelijk maakte in de loop van de dag. De schuldvraag kwam niet aan de orde, waarover hij moeizaam begon te peinzen na het sluiten van de winkel, zodat hij vergat te eten. Een buurvrouw had hem een pannetje met koolsoep gebracht, maar omdat hij het pannetje van buiten vies vond, vet en stoffig, wilde hij het eerst wassen en schonk het onnadenkend leeg in de gootsteen. Het deerde hem niet, hij hoorde het vocht wegsijpelen en luisterde aandachtig zonder te weten waarnaar. Toen hij lange tijd stil in zijn leunstoel had gezeten, zag hij weer den ouden man voor zijn | |
| |
toonbank staan, die had gezegd: ‘De mensheid is een wonderlijk ding, pluist een moord na en moordt onderwijl verder.’ Misschien had hij dat laatste niet, of niet alleen, bedoeld als doodsteek het lichaam toegebracht. -
Niemand zei: ‘Je vrouw is natuurlijk onschuldig,’ wel vroegen de meesten hoe lang ze zou wegblijven, en keken verlangend naar het binnenraam. - Ze was er nog altijd niet maar kon ieder ogenblik komen, schuldig aan ervaringen die hij niet met haar deelde. Door haar zou de alkoof nog donkerder worden, schemerend van geheim. Hij dacht aan de lamp, die hij niet had hersteld, - maar er was een gewone schakelaar bij de deur. Gisteravond had hij buiten gelopen, wat hij weer zou willen doen; de drang ertoe was in hem en hij wilde opstaan, maar bleef zitten doordat de herinnering hem voor was en hem de beelden gaf waarnaar hij verlangde: eerst het donkere groengrauwe water tussen de wallen dan de stille schepen, lang gerekt of hoog oprijzend, de scherpe lijnen van boeg en kiel, daarginds over het IJ in de dokken, - de donkere huizen ook, zacht van ouderdom. En dan de heel grote zee, gezien vanaf het schip waarop hij voer, vaag, bijna uitgewist, meer een gevoel dan een innerlijk beeld. Hij was twaalf jaar toen hij met zijn moeder naar Holland was gekomen. Later had hij naar zee gewild en kende nog de verwondering om het woord van den dokter: ik moet je afkeuren. Trouwens, beste jongen, het leven van den zeeman is niet wat jij denkt. - Hij had waarschijnlijk niets gedacht, alleen dat beeld gekoesterd: teruggaan over het water naar hetland van zijn jeugd. School er voor iederen zeeman een land achter het water, zwierf hij om thuis te komen, en als het thuis teleurstelde, werd het zwerven dan zijn leven? Hij dacht plotseling aan Berrie, zijn jon- | |
| |
gen, die naar Harderwijk fietste met de boodschappen voor Ermelo en uren zoek bracht aan het water. Maar Berrie was niet ongelukkig bij zijn pleegouders, de dokter verzekerde het hem telkens weer. De mensen mochten den jongen graag, - alle mensen, - hij was opgewekt, hij hield van een grapje. ‘Hoe gaat het met mijn armen zoon?’ had hij later weer gevraagd en kreeg ten antwoord:
‘Hij is niet arm, u moet zich dat uit het hoofd zetten.’ Goed, hij zou Berrie kunnen benijden om zijn onvolgroeidheid, de jongen zou nooit een vrouw hebben, nooit een ongelukkig kind, dat tevreden was met zijn wereld. Hij moest hem zondag maar weer eens opzoeken; liefst zou hij alleen gaan, maar het kind werd nerveus als het vader en moeder niet samen zag. Ze moesten gearmd lopen en niet loslaten om het verkeer, maar zwenken en iedere luxe-auto eerbiedig groeten. - Verzwijgen natuurlijk dat moeder was gearresteerd om een moord. Verzwijgen, ja. - Nu stond hij toch op en ging de achterdeur sluiten, liep de winkel door en dacht aan den wisselaar, aan de sigarettenkastjes, die hij had vergeten. Er stonden twee mannen voor het raam; wilden ze iets hebben, of hielden ze toevallig hier stil om te praten? Hij zou zich bij hen willen voegen, luisteren en knikken, liefst over dingen horen waarvan hij niets wist. Met één der kastjes liep hij naar buiten, haakte het in; de mannen keken er een ogenblik zonder belangstelling naar, hij hoorde de een zeggen, de handen openspreidend: ‘Mij is de wereld nog groot genoeg, en dacht je dat die zogeheten ruimtevaarders met de hemel communiceerden? Och man...’ Vooral het gebaar met de handen trof Van As.
Toen de kastjes hingen, sloot hij de deur; de mannen waren doorgelopen. Nu zou hij eerst Koos tegemoet gaan,
| |
| |
dezelfde weg nemen als gisteren met de politie. Het was rustig op straat en niemand keek naar hem; hij ademde ruimer dan in de alkoof. Toen Berrie nog thuis was had hij veel met den jongen gewandeld op avonden zonder regen; het kind had een onregelmatige gang, hupte vooruit of slenterde achter, maar kon opeens een hand in de zijne steken en schuchter met zijn wat schorre stem zeggen: een verhaaltje. Nooit hadden Jet en Coby daarom gevraagd, die hadden genoeg aan elkaar, dansten en speelden op straat, keven en tierden. Het simpelste verhaal was goed genoeg voor Berrie en in een rijmpje kon hij uitbundig plezier hebben.
Hij kwam voor het politiebureau, dat stug en gesloten was. De moord op Molly scheen al te zijn vergeten - waarom kwam Koos dan niet thuis? ‘De politie doet ijverig onderzoek,’ stond er in de krant. Hij hoorde stappen en rumoer, twee agenten, een vrouw tussen hen in, liepen op het bureau toe; daarachter kwam wat volk, in zijn vaart gestuit nu de eersten achter de deur verdwenen. Een man herkende Van As.
‘Nog geen nieuws?’ vroeg hij zonder veel aandacht en keek om zich heen naar meer toehoorders. ‘Ze moesten een kerel oppakken, - al die wijven...’ Dirk vroeg wie de vrouw was, met zijn hoofd naar de deur wijzend. - Kende | |
| |
hij haar niet? Toos van de fijne bloesies, uit de tweede Anjeliersdwars - hadden ze een Koos en een Toos, moest er nog een Roos bij. - Zijn vrouw was nog altijd niet terug, zei Dirk. De ander lachte. ‘Nou man, ga dan eres vragen waar ze blijft, je zegt maar: geef haar voor vannacht terug, ik zal haar morgen weer brengen.’ Dirk deed een stap achteruit. De moord was toch niet vergeten, dacht hij, alleen die twee mannen voor zijn winkel hadden over iets anders gepraat. Zo stil mogelijk liep hij verder, niemand scheen het op te merken. In een brede portiek zag hij twee meisjes dansen op hun eigen gezongen begeleiding, hoog en schel, kinderen van een jaar of veertien, al bijna groot, met vrouwelijke gebaren, onbewust sierlijk. Zo waren Coby en Jet geweest in hun jeugd, fel, begerig, en hadden zijn leven noodzakelijk gemaakt: de winkel drijven, op de hoogte zijn van dat waarover de mensen wilden praten. En dan Berrie, die vreemd was - maar eigenlijk minder vreemd dan zijn normale zusjes. En Koos die van moord werd verdacht. Het gekste was dat hij daar telkens weer van wegdwaalde, alsof hij niet herinnerd wilde zijn.
Nu stak hij het Damrak over, liep langs de Schreierstoren en vervolgde de Prins Hendrikkade. Bruggen en water, hoge schepen, kranen aan de havens, stil gelegd tot de morgen, evenals het werk aan de wal, waar een strook werd aangeplempt. Het onvoltooide leek altijd zinloos, dacht hij, al dat grauwe zand, en de grote vrachtwagens zonder chauffeur als logge, voorhistorische dieren zonder kop. Het was stil langs de kade, alle kantoren waren gesloten, een enkel huis werd nog maar bewoond en had verlichte vensters; dat van Michiel de Ruyter was donker, de admiraal voer nog altijd op zee en vocht - hij wist zelf | |
| |
niet meer waarom. De Kalkmarkt, rechts de Montelbaanstoren, aan de overkant het huis van de West-Indische Compagnie, dat leek te hurken van ouderdom. Die gedachte gaf hem een troebel gevoel, dat misschien spijt was vermengd met schaamte om het domme van veel menselijke inspanning: verre landen veroveren en erom moeten vechten. Toch was hij blij in Indonesië te zijn geboren, het gaf hem een voorsprong op anderen, die nooit iets van de wereld hadden gezien.
Of - blij? Hij herinnerde zich het spelen met de kinderen van Soewardinda, maar zodra de avond viel werd hij thuis gebracht, en dan voelde hij zich soms plotseling vreemd aan die donkere wanorde in de dessa. De rassen zouden zich vermengen door de eeuwen heen, en er zouden nieuwe ontstaan - hij wilde altijd weer aan het nieuwe geloven.
Al mijmerend was hij op de brug van de Marinewerf gekomen, zag naar beide kanten het donkere, blakke water, op enige afstand de hoge romp van de Funenmolen en van dichtbij de stugge, getraliede kazerne. Een smal, vlak water scheidde dat okergele gevaarte van het Kattenburgerplein. Dit is Amsterdam, dacht hij, de mooiste plek, driehoekig, met iepen beplant. Hun bladeren waren nog groen in de zomer, toch leken de bomen versteend door de adem van dat harde huis, volgezogen met waterdamp.
- Versteend - was hij dat ook? Hij beet zich op de lippen.
- Nog niet - nog niet. Verder lopend zag hij weer den man met de open handpalmen voor zijn winkel staan. ‘Mij is de wereld groot genoeg,’ en het handgebaar was welsprekender dan de woorden; wat erop volgde wist hij niet meer. Toch bleef hij erover denken, traag herkauwend. De wereld was groot genoeg, maar de mensen maakten | |
| |
haar klein. Een oud-matroos had hem eens gezegd: de zee is zo groot dat de hemel erboven en de vissen beneden telkens verschillen, - maar je vaart om een kamertje aan de wal. Nu moest hij maar doorlopen naar het einde van de Mauritskade, hij kwam dan nog langs het Tsaar Peterhuis met zijn afgewende tuin. Er stond een zonnewijzer in. Maar hij was wel moe geworden en zou misschien niet meer oversteken om die tuin te zien.
Een tram bracht hem terug naar de Jordaan. Als Koos nu in de kamer zou zitten? Hij zag het al door de winkeldeur: ze was er niet. Toch riep hij: ‘hallo! is er iemand?’ als een angstig kind, - maar alles bleef stil. Was Koos onschuldig?
Ze kwam de volgende middag in de vale schemering, - hij stond toevallig achter de winkeldeur; twee vrouwen sloten haar in en hieven, het bovenlichaam wat naar voren brengend, het hoofd naar haar op. Haar trekken waren onbewogen, bijna afwijzend, de zwarte sjaal versmalde haar wangen. Hij kon niet raden wat ze zojuist had gezegd en vergat de deur voor haar te openen, totdat ze zelf naar de kruk greep.
‘Mag ik er misschien in?’ De beide vrouwen liet ze zonder groet achter. Hij volgde haar door de winkel, de nauwe gang door naar de keuken. ‘Wou je erwtensoep eten?’ vroeg ze snuivend, ‘daar kan je niet tegen.’ ‘Ik heb er niet aan gedacht,’ zei hij, ‘er stond nog een blik.’
Ze nam de pan van het vuur en zette er een ketel water voor in de plaats. ‘Nou ja, met jou blijft het altijd eender.’ Voor hem langs liep ze de kamer binnen, trok de mantel uit en vouwde zorgvuldig de zwarte sjaal op. ‘Toen ik daar wegging, netjes uitgeleide gedaan door een van die | |
| |
kerels, dacht ik: Nou moesten we bij Schiller gaan eten. Maar dan komen eerst die nieuwsgierige wijven op je af en proberen je uit te zuigen.’ Misprijzend keek ze om zich heen.
‘En dan?’ vroeg hij.
‘Wat en dan?’
‘Eerst komen die nieuwsgierige wijven, heb je gezegd.’ ‘Nou, en dan woon je weer in de Jordaan en je hebt je valies te dragen met alle ouwe rommel erin.’
Hij wist niet goed wat hij aan die woorden had en bleef haar aankijken. De vrouw gaf haar hoofd een ruk. ‘Wat zie je an me? Op den duur heb ik me daar toch verveeld, aldoor hetzelfde vertellen en goed opletten dat het ook hetzelfde wás. Gerrels heeft me op de trap gezien naar Molly toe - je weet wel: die lange sla-dood die boven haar woonde, - we passeerden elkaar. Hij is natuurlijk ook op het matje geweest, maar hij had een alibi, wat ik eerst niet wist. En je kunt verlekkerd zijn op een vrouw en hoeft haar daarom nog niet dood te steken. Eerst heb ik tegen dien rechercheur gezegd: “Ik zal geen namen noemen,” en zag hem zo'n beetje met zijn ogen trekken. “Goed mevrouw,” zei hij, “we zullen verder gaan,” maar later heeft hij gezegd: “die woorden raakten mijn kou we kleren niet, ze eindigen toch allemaal met namen noemen.”’ Ze was aan de tafel gaan zitten en legde de handen een ogenblik voor haar gezicht. Toen stond ze op. ‘Nou, wat moeten we eten?’ Dat was zo'n gewoontevraag waarop hij niet antwoordde, want zij besliste toch, bovendien werd hij stil door iets wat in hem opwelde, - een wonderlijk medelijden, het kwam, dacht hij, door dat gebaar met haar handen. Koos, die haar gezicht verborg... Ze leek niet meer op de vrouw die met donzen wangen | |
| |
was tevoorschijn gekomen, en hij wist niet wat nog te denken. Om zich uit een beklemming te bevrijden, vroeg hij: ‘Zullen we dan buitenshuis gaan eten voor een keer?’ Er kwam niet dadelijk antwoord en hij keek voorzichtig naar haar op. ‘Och,’ zei ze, ‘het Rembrandtsplein is niet naast de deur en als ik zeg Schiller, dan wordt het Heck. Heb jij honger?’ ‘Ik weet het niet,’ zei hij, ‘maak maar wat klaar, alles is goed.’ Ze trok met de schouders. ‘Jij brengt een mens ook altijd op dood spoor. Gestoofde aal in botersaus dan maar - f6,50 per persoon; wenst meneer soep vooraf? - de wijnkaart ligt achter zijn elleboog.’
Daarop liep ze naar de keuken.
Ik breng iemand altijd op dood spoor, dacht Dirk van As, - maar ik moet de tafel dekken. Koos is uit haar humeur, - daar hoef ik niet bij stil te staan, zegt ze, dat gaat vanzelf weer over. Een vrouw heeft een veel ingewikkelder lichaam dan een man, zegt ze, een vrouw weet nooit wat er in haar gebeurt.
Hij stond op en spreidde een bemorst tafellaken uit. Koos was een beste vrouw, hij verlangde naar haar, ze moest hier weer tegenover hem aan de tafel zitten, ze moest naast hem in bed liggen. Twee avonden had hij alleen door de stad gezworven, nu zou hij de aanblik van die starre huizen en dat roerloze water niet meer kunnen verdragen, al was het mooi. Mooi betekende misschien altijd verschrikkelijk, de dingen hadden hun geheim, net als het mensenlichaam - dat was wat Koos had bedoeld, - je mocht er niet naar vragen. En die rechercheur, - mocht die wel vragen? Hij zat heel stil en wist niet of hij indommelde of probeerde te denken, evenmin wist hij hoeveel tijd er verstreek. Als een van je daden werd nagespeurd, was het al mis, dan heette het een vergrijp, maar de rech- | |
| |
ter moest twee dingen onderscheiden: de daad en de verklaring daarvan. Het oordeel moest worden afgewogen naar de verklaring. - Nu bekroop hem het gevoel van een verdwaald kind, dat zich een weg moest zoeken; het kon de bomen in het bos niet vragen, en zelfs de dieren niet. Er was het geheim van een moord, dat diep in de mensen lag verscholen. Moest het worden blootgelegd terwille van de gemeenschap? Dan mocht alleen het goede geheim blijven, - maar dat openbaarde zichzelf. Het kwaad werd hardop besproken, - de wereld was er vol van.
Waar bleef Koos, - ze was toch niet weer weggegaan? Ze deed de deur open en hij merkte dat ze was veranderd, haar bewegingen waren weer warm en bruusk. ‘Al gedekt?’ vroeg ze, ‘je moet nog even geduld hebben, en zet twee glazen neer voor de wijn.’
Ze dronken nooit aan tafel, maar bij hun zilveren bruiloft, vorig jaar, had Coby hun zes kristallen glazen gegeven. ‘Al drink je er water uit,’ had ze gezegd, ‘dan heb je tenminste een glas.’
‘Het ruikt goed,’ zei hij, ‘maar er was toch niets in huis?’ ‘Ik heb wat laten halen,’ zei Koos, de deurknop alweer in de hand, ‘ik had daar mijn knechtjes, moet je denken. “Voor het geval dat ik straks naar huis ga,” heb ik gezegd, “en ik dan de winkels dicht vind...” Die ene dikkerd kon zo vuil kijken. Of ik dacht naar huis te mogen gaan? Ik heb over zijn hoofd heengekeken en gezegd: ‘U zult nu wel van mijn onschuld overtuigd zijn.“’ Ze lachte. ‘Je moet soms als de bijbel tegen ze praten, daar hebben ze niet van weerom. Nou, toevallig hadden ze een leerling-agentje zitten, die kon wel even - als hij onderweg zijn ogen de kost gaf, - zo'n kleine buurtinspectie. Goed,
| |
| |
- ik heb hem gezegd eerst de waar in de smiezen te houden en dan de weegschaal.’ Met een kreet van schrik - rook ze iets verdachts? - liep ze weg. Hij bukte zich naar de wijnglazen in het kastje. Zijn vader, die een dronkaard was geweest, had gezegd: Als jij later niet drinkt, krijg je een goed leven. Hij, de zoon, was zijn vader nu al voorbij in jaren.
Weer aan de tafel gezeten dacht hij aan Berrie. De jongen was niet gek, hij kon je verrassen door een onbeholpen woord, dat uit een zuiver gevoel kwam. Niet alles was geschaad, maar het ontbrak hem aan ordening en samenhang, dat alleen misschien.
Tussen de vingers draaide hij een servetring van kralen, die Coby als kind voor haar moeder had gemaakt. Je kon zulke dingen bewaren, je kon ze ook wegdoen. Dat laatste vond hij beter; het verdriet om Berrie was dat er niets viel weg te doen. ‘Met hem blijven we altijd in de luiers zitten,’ had Koos eens gezegd.
Nu schopte ze tegen de deur. ‘Doe open!’ Hij zag haar blozen van inspanning, het dienblad voor zich uit dragend. ‘Daar dan - nieuwsgierig ben je niet, een andere man zou al lang in de keuken hebben gestaan.’ Ze zette een bakje en twee pannen neer. ‘Aal in boter gesmoord, petatten en abrikozen, nog van Jet op mijn laatste verjaardag.’
‘Heerlijk,’ zei hij.
‘Ja, heerlijk; mevrouw Jacoba van As geboren Beert is vrijgesproken. Molly blijft er koud bij, maar dat is mijn zaak niet, - als ik jou maar een beetje warm kon krijgen.’ Hij voelde een weifelende glimlach om zijn mond. ‘Dat is je altijd nog gelukt.’
‘Altijd nog, maar nou.’ Ze strekte de hand uit naar zijn | |
| |
bord. ‘Er is iets in je, - iets voorzichtigs, of bangelijks, alsof je niet helemaal aan mijn onschuld gelooft, - maar ja, bangelijk ben je altijd geweest.’
Hij zei: ‘Ik denk aan onze reputatie.’
‘Ik ook - ik steun je in alles; heb je niet een goeie dag gehad vandaag?’
‘Dat wel,’ zei hij, ‘gaat nogal.’
‘Hm, een volle schep en dan weer een beetje terugnemen. Waar is de wijn? - die laat ik waarachtig nog in de keuken staan.’
De fles bleek al te zijn opengetrokken en ze schonk in. ‘Rozee,’ zei dat agentje, ‘hij had maar rozee genomen. Waar drinken we op?’ Ze hief haar glas naar het zijne. ‘Zeg nou niet: op je gezondheid, dat is zo dood.’
Hij zei: ‘Op Berrie.’
Het trok in haar gezicht. ‘Op de voorspoed van de meiden, - daar hangt veel van af, ook voor Berrie.’
De glazen raakten elkaar, maar hij hield het zijne bij de kelk, zodat de trilling van het kristal werd gesmoord. ‘Eet nou maar,’ zei ze als tegen een kind.
Enkele minuten aten ze zwijgend, Koos dronk met vette lippen en haar gulzigheid was iets dat hem bekoorde en afstootte. Had hij haar voor het eerst gezien met een geheven glas in de hand, als op een schilderij van Jan Steen? Een vogelkooi ging van de zoldering af, de vrouw dronk de vogel toe, of hield hem plagend een suikerklontje voor? Koos moest maar praten, dacht hij, wat wist hij nog van haar avontuur? Hij vroeg of ze de dader nu al op het spoor waren en kreeg een misprijzende blik. Inplaats dat hij wat zei over het lekkere eten - de dader hield zich natuurlijk schuil.
Soms meldde hij zich vrijwillig.
| |
| |
Soms, ja, dat had de commissaris ook gezegd, maar het interesseerde hem niet, want gevonden werd hij toch, geholpen door getuigen als Toos en haar. Nu keek ze in de pan. - Aan hem was geen goed te doen, zelfs niet op een dag als deze.
De wijn smaakte hem niet.
Even schoot haar stem uit, ‘Vreet dan aardappels!’ toen lachte ze weer. Wat zou ze een lol hebben met Coby en Jet. Met die rechercheur had ze een beetje geflirt (ze sprak dat woord goed Hollands uit) - maar hij was veel weg geweest. Toen het haar begon te vervelen had ze Toos genoemd, want je moest de politie helpen, en Toos redde het wel, die ging met een hete bout over die mannetjes heen. - Ze nam van de abrikozen, schoof hem de bak toe en praatte verder. Molly was niet geweest wat je een publieke vrouw noemde, ze werkte en had een vriend, en dan weer eens een anderen vriend en ander werk. Vroeger had ze gebakerd, maar voor een kraamvrouw, die toch dikwijls een beetje week om het hart was, waren haar praatjes te opwindend, en ze zei dat ze niet tegen de lucht van de moedermelk kon. Zweetvoeten roken weer anders. Toos dan had de fijne was gebracht en toen ze weer buiten stond miste ze haar opschrijfboekje en had naar boven geroepen. De bakkersvrouw stond aan de overkant voor haar deur, het was kort na sluitingstijd. Molly had het raam opgeschoven en geschreeuwd: Heb je me wel doorgekrabd, je hebt je centen gehad, ik zal effe kijken. Na een ogenblik had ze het boekje precies in de mand van Toos gemikt, een andere buurvrouw had het ook gezien.
Nu Koos eenmaal op gang was, stroomden de woorden uit haar mond en Dirk had ze willen stuiten, hij wist niet | |
| |
waarom. Hij prees de abrikozen, hoewel hij at zonder te proeven en schonk zich nog eens van de wijn in. Kon dit alles maar voorbij zijn, dacht hij, alsof het niet was gebeurd, - kon de avond maar leeg worden als gewoonlijk. Een bel deed hen opkijken. ‘Wat nou?’ zei Koos, en Dirk: ‘Toch niet weer de politie?’ Schamper door de neus snuivend stond de vrouw op. ‘Ik ga niet nog es mee, ze hebben maar voor één keer betaald.’
Zo scherp mogelijk bleef hij luisteren; hoorde hij iemand aan de kassa? bij onraad zou Koos toch wel gillen. Na een lange minuut kwam ze terug en sloot de kamerdeur met nadruk. ‘Zo'n nozempje,’ zei ze rustig, ‘had geen losse gulden; De Rooi is volgens hem ingerekend. Straks kom jij ook nog aan de beurt.’
‘Ik? - ik ben toch altijd thuis.’
De ogen van zijn vrouw begonnen te glinsteren en ze hief een wijsvinger omhoog.
‘Pas op, - Molly kwam wel eens in de winkel, ze kocht sjag, half-zware - weet je niet?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet,’ zei Koos en lachte vrolijk. ‘Zo gaat het nou als je wordt verhoord, ze proberen je erin te laten lopen, maar als je geen schuldige voeten hebt loop je niet. We nemen een bakje koffie, hè?’
‘Goed,’ zei hij en hoorde de eigen matte toon. Hij had geen zin in feestvieren, de opgewektheid van Koos leek te schrijnen in zijn keel, - maar mogelijk was het de zure wijn. Even later drong de geur van koffie in zijn neus en hij dacht: we hebben het goed, Koos wil het zo, zij trekt de grenzen, zuinig-an, maar je alles ontzeggen terwille van dat kind is dwaasheid. Was het laf van hem haar te laten begaan? gaf hij Berrie prijs aan haar plezier in klei- | |
| |
ne dingen? De jongen was nu al drie jaar uit huis, de zaak was snel opgebloeid na de oorlog, ziekte kenden ze niet en ze spaarden trouw, maar tot meer dan vijfentwintig gulden in de maand brachten ze het niet.
Bijna triomfantelijk kwam Koos binnen met de dampende koffie.
‘Hier, - wij leven nog. Morgen wordt ze begraven, Molly, - ik ga natuurlijk mee. Er mocht wel een aparte koets zijn voor de getuigen, kwam ik naast Toos te zitten, die naar bleekpoeder ruikt, tegenover Gerrels, van wie ik toch niet zo zeker ben, en die dikke kadet van den bakker.’ Haar gezicht glansde achter de ijle damp uit de kop die voor haar stond.
‘Het zoete roeren door wat bitter smaakt,’ zei ze, ‘dat zijn ogenblikken die meetellen. Ik ben een fameus wijf, zegt de commissaris. Hoe hoog die ruzie tussen mij en Molly was gelopen, wilde hij weten. Heb ik gezegd: “Niet zo hoog als de Westertoren, maar op de centimeter precies weet ik het niet.”
Hm; of we elkaar te lijf waren gegaan.
“Elkaar niet, zij is mij te lijf gegaan, maar dat is haar vak.” Heeft die vent gauw met zijn hand over zijn mond gestreken.’
Van As dronk zijn koffie, denkend over de begrafenis van die vrouw; hij voelde zich loom en toch onrustig. Dat Koos was betrokken bij die moord, dat een man, die er misschien meer van wist, haar had aangebracht... Maar dat bewees niets tegen haar, toen hij als kind in de kampong speelde, bleef hij onschuldig bij al wat daar omging - of toch niet geheel?
‘Je moest maar thuisblijven,’ zei hij, ‘ik vind het niet erg gepast dat jij aan dat graf zou staan.’
| |
| |
Koos hief het hoofd wat schuin. ‘O,’ zei ze licht, ‘ik zou mijn grijze mantelpakkie aantrekken, ben ik netjes, en dan ziet de buurt meteen dat ik vrij-uit ga.’
Hij tuurde op de krant, waaraan hij die avond zeker niet zou toekomen en trachtte zijn adem te beheersen. ‘Weet je zeker,’ begon hij en brak weer af, maar moest verder gaan door de blik van Koos ‘weet je zeker dat je niet nog eens zult worden verhoord, nu misschien door den officier van justitie?’
Met open mond keek ze hem aan. ‘O, ga je het hoger-op zoeken? Vertrouw je het zaakje niet, of wil je me nog eens kwijt, erwtensoep eten waar je niet tegen kunt?’ Haar toon was schamper en kleinerend. ‘In de kast krijg je me toch niet, ik ben zo onschuldig als... als onze Berrie, dat schaap.’
Het zweren bij de naam van hun armen zoon hinderde hem, maar meteen ook voelde hij haar te moeten sussen. ‘Ik wil je niet kwijt,’ zei hij schor, ‘ik heb juist gedacht dat we zondag eens naar Ermelo moesten gaan.’
De trekken van haar gezicht werden slap. ‘Hè nee, deze zondag niet, ik reken erop dat Coby komt, met Jantje, maar die speelt wel op straat.’ Hij wist dat de oudste dochter haar lieveling was, Coby met het ronde kindergezicht en de wilde haren, wist hoe 'n plezier ze samen hadden in eindeloze buurpraatjes. Coby had een flinken man, die opzichter was bij het laden en lossen van schepen en dik scheen te verdienen, - een man als een hijskraan, zei Koos, alle Rotterdamse havens hadden ontzag voor hem. ‘Nee,’ herhaalde ze, ‘zondag niet. Coby komt altijd met een zak vol verhalen, en nou heb ik eens wat te vertellen.’ Ze dronk haar koffie, gulzig, dacht hij, zoals ze zich gulzig in het avontuur had gestort, en toch beheerst, rechtop | |
| |
tussen de beide mannen van de politie. Ver achter haar en vaag zag hij de zee, en toen, een ogenblik, de gestalte van zijn moeder. Die had hij nauwelijks gekend.
Plotseling verloor hij al zijn adem en scheen weg te zinken, maar langzaam strekte hij zich weer.
|
|