| |
| |
| |
Eerste hoofdstuk
Het echtpaar Van As zat aan tafel in de schemerige alkoof. De lamp moest maar op, had Koos gezegd toen ze de schalen binnenbracht, maar Dirk had geantwoord dat het kon wachten. Door de glazen deur van de slaapkamer viel het grijze daglicht, het brede raam naar de winkel liet wat witter licht van tl-buizen door. Vroeger waren daar twee kleine binnenvensters geweest met doorschijnend, kleurig geblokt papier beplakt, waaraan Coby en Jet, de beide dochters, met hun spitse vingers peuterden totdat het losliet en scheurde. ‘Weet je nog, moe,’ had Coby laatst gezegd, ‘dat ordinaire papier, en hoe je ons kon meppen?’ ‘Nou, jullie waren me lieverdjes.’
‘Maar de hartjes in de bedsteedeuren dorst je niet dicht te plakken, want dan waren we gestikt. En je kon naar binnen gluren, je zag niks; - we speelden er jongen en meid, hè Jet?’
Jet wilde daaraan niet worden herinnerd, ze was met een Haagsen burgerjongen getrouwd, die zijn tanden op elkaar zette om vooruit te komen in de wereld, en ze schaamde zich voor haar jeugd in de Jordaan. De moeder wist wel dat het kleintje door de sterke Coby was meegesleurd en geregeerd, soms opgezweept tot groter halsstarrigheid dan de ander kon bereiken, - Coby, die zoveel levenslustiger en losser was.
Koos kon de neus spitsen als ze haar grote dochters terecht wees.
‘Jullie hadden een warm nest,’ had ze geantwoord op een toon die verdere woorden afsneed, en zag Coby's man, den Rotterdamsen havenarbeider, naar haar knipogen. ‘Warm is ze gebleven, en wacht jij maar, moe, jullie ko- | |
| |
men er langzaam maar zeker bovenop.’ - Aan die woorden dacht Koos dikwijls.
Runderlappen, aardappelen en bloemkool, de laatste rijkelijk met nootmuscaat besprenkeld; Koos keek toe terwijl haar man zich bediende. ‘Vette jus,’ zei ze, ‘ik heb vandaag een royale hand, een moord om het hoekje, hebben we bij mijn weten nog niet eerder gehad, en veel volk in de winkel.’
Van As haalde diep adem; hij had de hele dag over niet anders horen praten dan over Molly, - een fatsoenlijke vrouw, die likdoorns sneed, of een snolletje? En Koos was gisteren nog bij haar geweest, had heibel gemaakt om een peut onder haar nagel. ‘Gevaarlijk spul, die mesjes,’ zei een der klanten, en een jonge vent met een scherp gezicht: ‘Och man, daar bereik je toch geen hart mee?’ Hij zette de linker voet achteruit en hief de rechter arm. ‘Geef mij een rapier!’
Er was een vreemd licht in zijn ogen geweest, dacht Dirk van As; hij kende den man niet, mogelijk kwam hij van ver. Het beeld van dat gespannen, lenige lichaam had hij nog wat in zich willen houden: een Romeinse zwaardvechter. ‘Intocht der gladiatoren’ - als hij daar een plaat van kon hebben ter afwisseling van den rondborstigen zeeman met ringbaard en pijp, en den Engelsen lord in smoking, een lange sigaret tussen de slanke vingers. Maar rookten de Romeinen al? In zijn jeugd had hij willen varen en was afgekeurd om zijn ogen.
Er stak niet veel van den degenzwaaier in hem. Bij de volgende ademhaal voelde hij zich door loomheid bevangen en at zonder te proeven.
‘Te veel nootmuscaat naar je zin?’ vroeg Koos; ‘als je eenmaal bezig bent is het moeilijk op te houden,’ en ze | |
| |
maakte een raspende beweging met de hand. ‘Stel je voor; een reuze rasp als folterwerktuig.’ Ze hief haar vork op en lachte.
Maar goed, ging het door hem heen, dat ze dien vent met zijn rapier niet heeft gezien, een blik zou hen tot bondgenoten hebben gemaakt. De gedachte verontrustte hem en haastig greep hij iets om te zeggen.
‘Ik heb vandaag al genoeg ellende gehoord, praat over wat anders als je praten moet.’
‘Als ik praten moet,’ herhaalde de vrouw verwonderd en keek hem aan. ‘Wat een toon tegen mij, hoe heb ik het met je?’
Hij zag haar heldere ogen en voelde zich weer met haar verzoend. Ze had de kinderen grootgebracht, de meiden streng en rechtvaardig; aan Berrie, den achterlijken zoon, was helaas niet veel te doen geweest. Geduld hebben, eindeloos geduld, en zijzelf was zo ree, ze kon dat niet altijd opbrengen. Dat laatste dacht hij vol mededogen. Nu was Berrie sinds enkele jaren bij een kruidenier in Ermelo, werkte in de moestuin en bracht de boodschappen rond, maar een knechtje hadden ze niet aan hem, hij was te onberekenbaar, te grillig. Soms fietste hij naar Harderwijk, zat er uren naar het water te kijken, soms vergat hij de bestelboekjes te raadplegen en leverde naar willekeur wat af. Koffie en suiker, misschien had mevrouw meel en eieren besteld, wat deed het ertoe, een mens had toch alles nodig? ‘En het is geen domheid van hem,’ zei de kruidenier, ‘het is opzettelijk plagen.’ Voor dat plagen moest veel geld worden neergelegd; Koos was zuinig en overleggend geweest, al die jaren, en had daarbij de bravour van den jongen moeten dulden, die zich onmisbaar dacht voor zijn baas. Samen hadden ze geboet voor de blinde | |
| |
schuld aan hun ongelukkigen zoon, - hij mocht haar nooit, nooit afvallen. Dat ze plezier had in die moord - tja, de hele buurt gnuifde erover. Hij was geen Jordaner, zoals zij, en juist doordat ze ruzie met die vrouw had gemaakt, voelde ze er zich bij betrokken. ‘Nou ja,’ had ze gezegd, ‘het is geen doodslag geworden, we zijn als goede vrienden gescheiden.’ En, weer lachend, ‘Molly gemold, - maar niet door mij.’
Hij schepte zich nog wat aardappelen op.
‘Zijn de kastjes al buiten?’ vroeg Koos, ‘er zal vanavond wel volk op de been zijn, - maar die wisselaar gaat me vervelen, hij kijkt zo astrant, hoe ik de deur sluit, hoe ik wegloop, weer een beetje zwaarder van heupen en billen dan de vorige keer. Sigarettenautomaten, goed, - maar dan ook een wisselautomaat voor het geld, geen man met een hoedje op. Hij heeft zoiets van chic, maar het prakje dat ik hem breng, grist hij uit mijn handen.’
Chic en honger, dacht Dirk van As; hij lustte de aardappelen niet meer en schoof het bord van zich af. Het beeld van Berrie kwam in hem, die grote lobbes met zijn onwijze gezicht. En dat zou altijd zo blijven, Coby en Jet waren volwassen geworden en kregen zelf kinderen, - ze zouden niet altijd verstandig doen, hij hoefde het niet te weten. Maar als hij voorgoed de ogen sloot, zou hij nog even moeten denken: Berrie, dat kind - wat moet Berrie? Hortend kwam hij overeind en liep de winkel in, nam de automaten van onder de toonbank en vulde ze bij. Hij had gehoopt een dutje te doen na tafel, maar daar zou niets van komen, er was de onrust om die moord. Nu droeg hij de eerste automaat naar buiten en meteen kwam er een jonge meid op hem toe. ‘Geef me een pakje uit de winkel,’ zei ze, ‘dat 's goedkoper, hè?’
| |
| |
Hij schudde het hoofd. ‘Nee, dat blijft hetzelfde.’
‘Ik heb geen maffies.’
Hij wisselde en ze zocht dekking in de portiek voor haar vlammetje; ze moest de hele avond roken om haar zenuwen de baas te blijven, zei ze, - stel je voor: een levensgrote moord. Ze lachte schel en draaide op de hielen rond, zodat haar wijde rok uitwaaierde. Moeizaam haakte Dirk zijn kastjes aan de ijzeren richel. De wisselaar kwam met vlugge tred nader, de jonge vrouw slenterde weg. Een ogenblik bleef Van As staan kijken naar de lucht in het westen, die een paarsrode, matte gloed had gekregen, en ging op in dat zien, zodat hij geen enkele gedachte meer had en geen enkel gevoel, maar leeg was en stil als een volmaakt waarnemend instrument. Dit duurde enkele seconden, toen gleed hij zonder merkbare overgang in zichzelf terug, zag de duisternis rondom met het beperkte lichtgebied van de lantaarns daarin, hoorde in de wijde avondstilte het door mensen veroorzaakte rumoer. De deur deed hij nog niet op het nachtslot, Koos zou misschien uit willen na de afwas. Ze liep dan langs de bioscopen om de gekleurde borden te zien en de fotobeelden uit de films, langs de winkels in de Haarlemmerstraat, ze liep om zich te bewegen, om slaap te krijgen, misschien om vage verlangens terug te vinden zoals iedere mens die in zijn jeugd had gekend. Dan kon het gewone ineens wonderlijk zijn en prikkelend: een kroeg, een wafelkraam, een verlichte scheepskajuit.
Dirk was in zijn leunstoel gaan zitten, de vers gevouwen krant lag voor hem op tafel. Kort geleden had Koos het abonnement willen opzeggen, - dat was bij de laatste verhoging van Berries kostgeld geweest. Hij moest wat van de politiek weten, had hij geantwoord, om zijn klanten | |
| |
weerwerk te geven. Zij had de schouders opgehaald: met de mannen kon hij altijd instemmen, meer of minder, als hij de vrouwen maar tegensprak, - kregen ze respect voor hem. Daarna had ze het onderwerp laten rusten, - mogelijk was het haar ingevallen dat ze altijd zei: Jij hebt je krantje, als ze 's avonds alleen uit wilde. Nu hoorde hij haar bezig met het vaatwerk in de keuken en ongedacht kwam hem een beeld uit zijn jeugd in Indië: een bruine vrouw hurkte aan de rivier achter het huis, de rivier die geel-bruin was van de modder. Naakte schouders, armen en voeten, lome bewegingen; het werd plotseling donker, ze nam een kleinen jongen op en liep het huis met hem binnen, sloeg naar de muskieten en sloot de klamboe om zijn bed. Misschien kwam zijn moeder nog naar hem kijken, een vrouw als een groot beeld met een tulband van blond haar op het hoofd en fonkelende spelden in dat haar. Ze bleef buiten de klamboe staan, ze kon hem niet aanraken en wat ze zei wist hij niet meer, maar waarschijnlijk had hij nooit iets geantwoord. Zijn vader nam hem mee, de lange hete weg naar de tabakstuinen en dan babbelde het kind honderduit. Soewardinda, de baboe, had eigen kinderen, met wie hij speelde, en toen hij een jaar of elf, twaalf was geworden, wist hij plotseling dat het ook kinderen waren van zijn vader. Vreemd had hij dat niet gevonden, maar het deed wel pijn dat hij niet bij Soerwardinda hoorde. Ze woonde in de dessa, 's nachts liet ze hem alleen in het grote, witte huis, bij het onberoerbare beeld van zijn blonde moeder. Zijn jeugd was tot een legende geworden, dacht hij nu: de verschroeiend hete lucht van Sumatra, de eindeloze tabakstuinen onder het scherpe licht van de zon, de plotselinge duisternis en de vele naakte kinderen in de dessa.
| |
| |
Met zijn moeder, die ziek was, werd hij naar Holland gestuurd, waar zij moest genezen en hij schoolgaan. Hij leerde het wantrouwen. Een enkele maal nog had hij zijn moeder opgezocht in het sanatorium, maar ze was al gauw gestorven, en wat moest er van hem worden in het gezin van een oom en tante, die killer werden naarmate het geld uit Indië langer wegbleef? Later hoorde hij dat zijn vader, bij de inval der Japanners in de dessa ondergedoken, daar kort voor de bevrijding was bezweken aan drank en verwaarlozing. Hij, de zoon, had vier klassen van de Handelsschool doorlopen en omdat er geen geld meer was om verder te leren, maakte zijn oom hem bediende in een sigarenwinkel: hij had de reuk voor tabak en kon zich opwerken.
Nu schrok hij van een bel, die vlak bij zijn oor klonk. ‘Blijf maar!’ hoorde hij Koos roepen. Verwachtte ze iemand? Een diepe mannestem, zware voetstappen; door de gangdeur kwamen ze binnen, twee grote kerels, één, een nog jonge vent, in uniform, de ander, een vijftiger, in civiel. Ze wensten goedenavond en de oudste liet daar onmiddellijk met stalen stem op volgen: politie. Toen wachtte hij een paar seconden als om dat woord tot in de hoeken der kleine kamer te doen dringen en zijn verschijning te laten doorwerken.
Daarna vroeg hij: ‘Bent u Dirk van As en is dit uw vrouw, Jacoba Amalia Beert?’
Ze knikten en zeiden ja.
De ondervrager haalde een papier uit zijn binnenzak.
‘Noemt u mij uw geboortedatum en -plaats.’
Koos aarzelde en kneep de ogen bijna dicht in teruggetrokken verweer, maar toen ze Dirks stem had gehoord: ‘twaalf november 1906, Tebingtinggi, Sumatra,’ zei ze op | |
| |
haar beurt: ‘zeven april 1912, Amsterdam, de Jordaan.’ ‘Dat klopt,’ zei de man in civiel en zich tot de vrouw wendend: ‘Ik moet u arresteren.’
Ze keek hem nu met wijde ogen aan, om haar lippen de zachte gloed van een glimlach, en Dirk voelde zijn hart kloppen, want hij zag haar op dat ogenblik mooier en verder van zich af dan bij hun eerste ontmoeting. Meteen drong het tot hem door dat ze met deze mannen zou meegaan - verdacht van moord? - en voelde zich machteloos.
‘Zo,’ hoorde hij haar zeggen, ‘moet ik inlichtingen geven over Molly, ik zal haar toch niet hebben vermoord, hè?’
Het was hem of ze zong.
‘Ik geef u een ogenblik de tijd om wat in te pakken,’ zei de rechercheur, aandachtig op zijn polshorloge kijkend.
‘Wat zou ik moeten inpakken?’
‘Denkt u maar dat u een paar nachtjes uit logeren gaat.’
‘Gut - uit logeren - en mijn man?’
Opnieuw werden haar woorden genegeerd. ‘Ik geef u vijf minuten.’
Ze trachtte te spotten: ‘Wat een haast, daar wordt Molly niet weer levend van,’ maar ze was gevleid, Dirk zag en hoorde het. Ze ging de achterkamer binnen en maakte er licht. Ze zal zich toch niet verkleden? dacht hij, voor de tussendeur hing zelfs geen glasgordijn; maar de rechercheur, die haar met de blik had gevolgd, wendde zich af.
‘Gaat u zolang zitten,’ zei Van As.
De oudste nam een stoel, maar gaf zijn metgezel een teken met de ogen en de jonge man bleef staan, - Dirk zag zijn zelfbewuste houding in het dure laken van zijn uniform. Op straat schreeuwde een vrouw met lange uithaal, een jongen antwoordde op blaffende toon, toen werd het | |
| |
stil tegen een achtergrond van wiel- en motorgeronk. De mannen zwegen en Koos kwam nog niet tevoorschijn. Dirk voelde zijn hart samentrekken, - ze zou toch geen poging doen om door de achterdeur te ontsnappen? De politie scheen niet aan die mogelijkheid te denken, of was scherp luisterend op zijn hoede. De strook tussen de huizen, door schuttingen in hokjes verdeeld, was smal en omsloten, een duisternis waarin hij schimmige bewegingen zag als van een vogelverschrikker. Er was geen uitweg. Ineens stond Koos op de drempel van de tussendeur en leek te zijn gegroeid. Ze droeg haar lichte zomermantel en had een zwart zijden sjaal, waarop grote rode bloemen waren geborduurd, over hoofd en schouders geslagen, - de doek waarop ze zo trots was, die ze van Coby had gekregen voor het bakeren van haar eerste kleinkind. Haar mond was even rood als de bloemen, wangen en kaken waren bepoederd en haar ogen glansden.
‘Even wachten,’ zei ze, ‘zal ik mijn breikous nog inpakken?’ en lachte plotseling. ‘Ja, ik zal daar Molly hebben vermoord, bah, hoeveel bloed heeft een mens wel, twintig liter of zo?’
‘U moet maar denken,’ zei de rechercheur, ‘dat u misschien waardevolle inlichtingen kunt geven.’
Ze keek hem aan met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Zo, word ik daarvoor uit mijn huis gehaald, en wie moet er voor mijn man zorgen?’
Soewardinda, dacht hij, zou Soewardinda nog leven? - en voelde zich beklemd door de zorg om een vrouw, die hij liefhad en toch bijna was vergeten.
‘We zullen gaan,’ zei de rechercheur, en de agent in uniform deed de deur open.
Koos keek de kamer rond. ‘Mijn man mag wel zo ver | |
| |
mee, hè? - kan hij mijn tasje dragen.’ Ze reikte hem haar valies over. ‘Heb je de sleutel?’ Zijn knieën knikten bij het opstaan, maar hij volgde als onder de dwang van haar wil en deed de winkeldeur met trillende hand op slot. Zich omwendend trof hem de grijnzende blik van den geldwisselaar, een beeld dat echter dadelijk weer werd uitgewist door dat van zijn vrouw tussen de beide politiemannen. Ze gingen op korte afstand voor hem uit, een windvlaag streek de doek van haar hoofd, zodat het blonde haar zichtbaar werd in het vale stadsduister. Ze was groot en fors, ze werd hem tot de figuur van zijn moeder, zoals die in de avond was verschenen, lokkend, dichtbij en toch onbereikbaar - onbereikbaar niet alleen doordat hij onder zijn klamboe lag. Koos liep in hetzelfde tempo voort en scheen hem te vergeten. Waarom kon hij de afstand tussen zich en die drie gestalten niet opheffen? Aan boord van het grote schip was hij de hut van zijn moeder binnengelopen; ze lag meest in bed, er waren geen muskieten meer. Hij vertelde haar hoe hij met andere kinderen had gespeeld en wat een matroos tegen hem had gezegd; ze luisterde, maar scheen hem niet te horen, ze glimlachte of veegde een traan weg, hij wist niet waarom, - ze werd hem nog vreemder dan in het lage, witte huis.
Het valies in zijn hand was niet zwaar, maar toch voelde hij het gewicht ervan. Ik zou het ergens kunnen neerzetten, ging het door hem heen, zomaar onder een raam, niemand zou het merken. Maar Molly was toch gevonden, als alle dode dingen: iemand schopte er tegen aan en dan was het er weer. Wat zou Koos hebben ingepakt? Een nachtpon, natuurlijk, poeder en lippenstift, misschien ook sigaretten, want de laatste tijd had ze zich het | |
| |
roken aangewend om niet achter te blijven bij haar dochters, zoals ze zei. Ze rookte twee pakjes in de week, en het benam haar de eetlust, maar daar werd ze niet magerder van.
Enkele voorbijgangers keken naar het drietal, een paar samenscholende jongens stootten elkaar aan en volgden. Dirk hoorde hun rauwe, brokkelige spraak en de weg werd hem vreemd, hij zou niet kunnen zeggen waar het naaste politiebureau was. Hij moest dicht achter haar blijven, haar niet uit het oog verliezen. Even later drong het tot hem door dat de jongens waren verdwenen en dat de weg waar hij ging breder en opener was geworden. Niemand lette meer op hen, de wind woei een geur aan die hij niet herkende. Het was hem of hij door een vreemde stad liep, nu ook de vrouw die hij volgde onrustig scheen te worden: ze trok de doek van haar hoofd en nam die over de arm. De mannen zwegen, sloegen de hoek om en Dirk herkende het Nassauplein, waar een politiepost stond. Met enkele vlugge stappen haalde hij hen in en zag den agent al op de stoep van het gebouw staan. Koos strekte de hand uit naar haar tas. ‘Dag,’ zei ze, ‘ik kom gauw terug, - ik kan het huis altijd weer vinden, net als een hond.’
Hij hoorde een lichte spot in haar stem, maar gaf zich aan haar over met het valies. De rechercheur deed een deur rechts in de gang open en liet de vrouw voorgaan. Ze verdween in een korte lichtschijn, minder zelfbewust, dacht hij, dan ze tevoorschijn was gekomen uit haar slaapkamer, niet meer zo zeker van haar wereld als in het hartje van de Jordaan.
Zich omwendend zag hij een paar mannen aan de overkant van de straat tegen de muur geleund strak naar hem | |
| |
kijken. Wat dachten zij? Neen, hij wilde het niet weten, maar het volgend ogenblik besefte hij het te weten door hun volmaakte onbewogenheid: het kennen van alle kwaad hield hen zo roerloos gespannen. Ook hij kende het, hij aanvaardde de verdenking van moord, al zouden Koos' handen niet weten van de moord op Molly. Het duizelde hem, hij stond een paar seconden stil en wat hij zojuist had gedacht scheen te worden uitgewist.
‘Daar is de sigaar!’ hoorde hij met wilde stem roepen. De slenterende jongens waren er weer, één werd er tegen hem aangegooid. Zo rustig mogelijk liep hij weg uit hun gezicht, de smalle straten door waar het stil was; ergens schrobde een vrouw haar stoep, een man reed zijn fiets naar binnen, niemand lette op de eenzame voorbijganger. De moord op Molly scheen hier al te zijn vergeten, dacht hij, de mensen droomden vaag over een zich verliezende avond, die hun iets had moeten brengen, ze wisten niet wat. En daar stond altijd nog de hoge bult van de Noorderkerk met de nietige huisjes rondom, als een rots, dacht Dirk, maar uitgehold door de menselijke onrust, de gaten strak en doorzichtig bespannen, dat er licht naar binnen kon komen. Hij herhaalde die woorden: ‘dat er licht naar binnen kon komen’ - het was hem of hij ze ergens had gelezen, in een stichtelijk rubriekje van de krant, misschien. Alles wat we zeggen, dacht hij, heeft een ander vóór ons gezegd, - of liever: het is sinds eeuwen voorbereid. Een kind besefte dat niet, - hoe lang had het geduurd voor hij zelf naar de oorsprong der dingen vroeg, voor hij verband ging zien met het verleden. Nog toen hij Koos voor het eerst ontmoette had ze hem een wonder geleken, met niets te vergelijken, - of alleen met een bloem die op het water dreef, zonder stengel of wortels. Zijn innerlijk | |
| |
oog zag haar weer als toen, en hij wilde dat vasthouden, maar het loste zich op en in de deuropening stond de vrouw met de zwarte sjaal langs de bepoederde wangen. Ze had zich mooi gemaakt om in hechtenis te worden genomen en liep fier tussen de mannen, als een koningin die een legerdivisie inspecteert.
Maar kort voor het einde was ze onrustig geworden.
Hij liep voort; voor een ogenblik vielen de gedachten weg, en het vlakke, rimpelloze water bracht troost, evenals de groene vensterdeuren van de pakhuizen en de oude straatstenen. Ook de schuiten wisten veel, de hoge rompen en masten, de boorden en dekplanken, - ze wisten van het land waar hij was geboren, van de donkere vrouwen en het geheim der mannen. Ook daar werd wel gefluisterd van een moord, maar het rechte kon je er nooit van weten, dat bleef verborgen in de wirwar van de kampong, in de bamboebossen langs de rivier. Maar Koos kon niet hebben gemoord, ze was te onverschillig voor een sterk gevoel.
Hij schrok van die gedachte en stootte zijn voet tegen een scheepskabel, want als gewoonlijk liep hij vlak langs de wallekant. Te onverschillig, - een flinke heibel en dan weer als kameraden uiteen gaan. Had ze ooit getreurd om Berrie? De jongen zou lichamelijk volwassen worden en geestelijk een kind blijven - ze trok er de schouders voor op. Toch was ze zuinig en overleggend geweest, eiste niet veel voor zichzelf en nam de eerste zondag van de maand het spaarbankboekje uit zijn bureau om het met een gelukkige glimlach te bekijken. Eens had ze gezegd: typen als Berrie worden niet oud, hè? Op zijn vraag: hoe kom je daarbij? antwoordde ze: ik moet het ergens hebben gelezen, ze lijken wel sterk, maar het zijn papkinderen.
| |
| |
Ze tuurde naar het bedrag op het boekje, veel langer dan gewoonlijk en de glimlach werd een glans op haar gezicht. Haar gedachten had hij niet gekend, maar de morgen was goed geweest door haar blijdschap. Nu was ze weg uit zijn huis en zijn hand had gebeefd toen hij de deur sloot. Wat zou Koos zich hebben voorgetoverd door middel van haar spaarduitjes, als de jongen eerder zou sterven dan zij? ‘Zulke types worden niet oud,’ en het bedrag op het spaarboekje groeide gedurig aan. Kort geleden had ze gezegd: ‘Het mooiste vind ik die jaarlijkse rente, - wie dat heeft uitgevonden was een duvelse rakker’ en ze had luidkeels gelachen.
Ze had maar wat minder moeten lachen - welke zekerheden had de mens temidden van de wereld? Nu dreigde er weer oorlog, die niemand heette te willen en toch werd er bewapend tot in de hemel als nooit tevoren. - Hij keek in de smalle verlichte geul van de Haarlemmerstraat; de winkeletalages waren volgepropt, er was overvloed in dit kleine land - hoe lang nog?
Hij wilde naar huis en zou dezelfde weg teruggaan, de nauwe steegjes en de grachten met het stille, donkere water, daar waar de moord werd verborgen en verzwegen. Als Koos thuis kwam, zou er wel over moeten worden gepraat, - maar de kinderen mochten het nooit horen, ook Coby en Jet niet, die gulzige meiden; ze zouden er nog wat peper en zout op strooien, en dan maar eten, tot walgens toe.
Bijna schrok hij van zijn gedachten en ging vlugger voort. Hoe onmogelijk het leek een vrouw als Koos te verdenken, toch scheen hij ermee in te stemmen. Er moesten diepten in hem zijn die hij nooit had gepeild. In hem - of in haar?
|
|