| |
| |
| |
Elfde hoofdstuk
De herinnering aan de begrafenis bleef in hem schrijnen en de winter duurde voort. Er kwam een brief van Kouber, meldend dat er kleine bezittingen van Berrie bij hem waren achtergebleven, die hij zou opsturen wanneer Van As de koffer terugzond die hem niet toekwam, daar de jongen indertijd met een plunjezak was gekomen.
Smalend zei Koos: ‘Wat zullen ze eres voor een slachtoffer hebben gehad met een plunjezak?’ Maar Dirk besliste: ‘We antwoorden niet.’
Langzaam, terwijl de dagen verder gingen, vroeg hij zich af of alle onlust voortkwam uit zijn verhouding tot de mensen? Alleen in de winkel trok hij de la open waarin de vogelschelp lag geborgen en nam die tussen duim en wijsvinger, - maar de trekkebekkende duifjes lieten hem onberoerd. De beide delen van de schelp waren in kleur en tekening aan elkaar gelijk, volkomener wellicht dan twee vogels ooit zouden zijn, en Berrie was een mislukte eenling geweest. Hij, de vader, had de dierlijke onschuld in het kind willen zien om hem te kunnen liefhebben, had jarenlang zijn onmacht daartoe niet willen beseffen - tot het uur in het dodenkamertje tussen de naakte wanden. Zijn verhouding tot de mensen? Een leraar op school - hoe lang was dat geleden! - had eens gezegd: ‘Dirk van As kijkt vriendelijk en denkt lelijk,’ - en Kouber, een dezer dagen: ‘Laf ben je altijd geweest.’ Misschien hadden ze gelijk, maar zijn ‘misschien’ betekende: weten zij veel? Van Soewardinda had hij gehouden, op Koos was hij verliefd geweest, en telkens nog kon hij worden bekoord door haar verlangen naar vreugde, naar dat wat haar voorzweefde als groot en begeerlijk. Maar als ze een onder- | |
| |
kin trok, of de benen te ver vooruit stak, als haar ogen dof waren kon hij heimelijk op haar schimpen omdat ze ijdel en oppervlakkig was, pretenties had, zichzelf niet kende. Deze dingen constateerde hij kil en kalm, zonder zelfverachting, die hij blijkbaar niet kon opbrengen, zo leeg was hij van binnen.
Hij merkte wel dat Koos telkens eens wilde praten, maar wist dit te voorkomen of af te snijden. Ze begon over het maandgeld dat Kouber voor januari had ontvangen, terwijl Berrie de derde van die maand naar het ziekenhuis was gebracht. Ze waren geen mensen van geld, ze was altijd zuinig geweest, maar ze wilde haar recht.
Hij trok de schouders op en zei dat hij niets meer met de Koubers van doen wilde hebben.
Koos spitste neus en mond. Hij had een goed pak aan zijn lijf, nette schoenen en overhemden, en het eten werd hem voorgezet. Zij moest iedere dag boodschappen doen, geld tellen, rekenen, het beste en goedkoopste zien te bemachtigen, alles zien wat er werd aangeboden en bijna blind aan alles voorbijgaan. Maar hij besliste dat hij niets met de Koubers wilde te maken hebben. Hij deed altijd groot en hield haar klein daarmee.
Hij antwoordde: ‘Jij mag je ook groot houden,’ en werd getroffen door haar zwijgen daarop. Maar dat ging gauw voorbij, hij zag haar op de lippen bijten, - ze zweeg uit onmacht en zou later wel uitbarsten. Sommige klanten informeerden naar het sterfgeval. - Och, was het Berrie - hoe bestond het, een jongen als een stier. Soms ving hij dan een onderzoekende blik op, eenmaal zelfs een blik als een aanklacht, en een oude man zei ronduit: ‘Nou, Van As, daar zal je dankbaar voor zijn, dat geeft weer sterkte in de knieën.’
| |
| |
Hij dacht die woorden aan Koos te zullen overbrengen, maar deed het niet. De zorg voor Berrie was hem afgenomen en daarmee verviel zijn belangstelling in het leven - maar verlangde hij naar sterkte?
's Avonds zat hij in de binnenkamer en gaf veel tijd aan de boekhouding.
Of het hem voor de wind ging, vroeg Koos, dat hij meer cijferde dan vroeger?
Dat kon hij niet zeggen, hij was langzamer geworden.
Hm, zei Koos, terwijl ze driftig haar patiencekaarten schudde, hij was er de man naar om op zijn sterfbed te zeggen: ‘Ik geloof dat ik rijk ben.’
Hij wilde antwoorden: ‘De dood maakt rijk,’ maar zweeg. Zijn vrouw ging voort: ‘Wat een lol, hè? weten dat je centen hebt als het te laat is.’
‘Ieder mens heeft wel een erfgenaam,’ zei hij.
Ze steunde haar kin op de handen en keek naar hem op. ‘Ik vraag me wel eens af of je een vrek bent.’
Hij herinnerde zich haar woorden: ‘Op dat stel zou ik nog een paar schoten willen lossen’ - nu had ze op hem gemikt. Het trof en deed een ogenblik duizelen, maar pijn voelde hij niet.
‘Me dunkt,’ zei hij, ‘een man zonder geld kan je moeilijk een vrek noemen. Ik heb eens dat stuk van Molière gezien - jij wou niet mee, weet je nog? Harpagon liep radeloos over het toneel, zijn geldkist in de armen geklemd, want zijn windbuil van een zoon wilde nieuwe livrei voor de bedienden; ik moet zeggen: mijn sympathie ging naar den vader uit, hoewel hij een karikatuur was.’
‘Je praat als een professor,’ zei Koos en blies door de neus, ik dacht dat je dat had afgeleerd sinds we Berrie hadden.’
| |
| |
Tot zijn eigen verwondering antwoordde hij:
‘Jij hebt me toch altijd begrepen.’
Die avond bleef hij thuis, maar voelde een drang om weg te komen, - hij wist niet waarheen. Als hij dien man uit de kroeg nog eens kon ontmoeten, een wonderlijke vent met wigvormige kop en een bruin snorretje. ‘Ik heb ogen en een neus, maar eigenlijk geen gezicht,’ had hij gezegd. En hij, Dirk, had zo lopen suffen dat hij was gevallen, - en de heilsoldate sprong hem achterna in de schuit. Dat was in september geweest, nu vier maanden geleden - toen gebeurde er nog iets in zijn leven, - maar welbeschouwd geen gewichtige dingen, iets als het uitvloeien van een golf, het schuren van wat schelpen over elkaar, het wapperen in de wind van het laatste schuim. Hij zou nog eens naar de zee willen, misschien om erin te worden ondergedompeld en niet meer te kunnen bovenkomen, volgestroomd met water, en dan zwaarder zijn dan het water, als een zinkend schip. Zijn verhouding tot de mensen? - er was alleen nog Koos, en die kende hem, hoewel niet zonder schamperheid. Geen mens verdiende meer. Koos zou de winkel voortzetten en tot een zekere welstand geraken, waarnaar ze scheen te hunkeren. Misschien trouwde ze dien slager. Op Oudejaarsavond leek het of ze er samen vandoor wilden gaan, maar om de borsten van een vrouw kon Pelsen zijn halve koeien niet in de steek laten, die zwaar aan dubbele haken hingen. Hij zag alles weer voor zich van die avond, de verlichte straten met de duisternis daarboven, zag jonge mensen elkaar omarmend slieren, hoorde het geknetter van voetzoekers, zag vonken spatten, los vuur, snel gedoofd. Die twee waren teruggekomen, het buffet stond vol lekkere hapjes, en Mia verwisselde haar uniform voor een aardig | |
| |
jurkje, - de heilsoldate had zich in een portiek laten dringen.
Het waren geen grootse beelden, maar was de donkere zee met de witte brandingslijnen grootser geweest, of de zwarte lucht daarboven? Een hemel kon je het niet noemen, wolken dekten die af en hielden het aardse omsloten, - vlakbij de zee speelden mannen met een lucifersdoosje.
Op een middag toen hij voor een ogenblik de kamer binnenliep, zag hij Koos met de pen in de hand achter een blok papier zitten. Die morgen was ze prikkelbaar en kortaf geweest en hij vermoedde dat ze Kouber wilde schrijven. Ze gaf haar hoofd een ruk: ‘Wat is er?’
Hij antwoordde: ‘Niets, - ik heb geen klanten.’
‘Hm - en nou wou je even in de armen worden genomen; straks krijg je je flesje, het is je tijd nog niet.’
Zijn innerlijk oog zag haar met Berrie in de armen, de baby voor wie ze geen zog had gehad. Zou ze zich instinctmatig tegen het leven van dat kind hebben verzet? Sterk waren de reacties van een vrouw.
‘Ik zal je niet storen,’ zei hij en liep naar de winkel terug. Maar die avond ging hij de straat op. Over de brief van Koos was niet gerept, wat hij zich tebinnen bracht zonder dat het hem raakte. Wilde ze haar woede op Kouber luchten, of hoopte ze op terugbetaling van het maandgeld? Hij zou het niet weten, haar nederlagen bleven hem verborgen, - korte impulsen tot begeerte, tot ontrouw misschien.
Hij naderde het station - wilde hij nog naar Zandvoort? Het zou er niet anders zijn dan een maand geleden, maar hij liep door, - om zich vast te klampen aan iets opzettelijks, een eigen, vrije wil? God, dacht hij, heb meelij met | |
| |
de mensen, ze hebben zoveel vulsel nodig voor hun lange leven, de avonden, de zon- en feestdagen, al die blinde vlekken in hun bestaan. Had hij de vorige keer niet een kind gezien in de trein, een kind met open ogen, bevangen door het onbekende? Coby en Jet hadden het onbekende nooit vermoed, en vroegen daardoor niet om een hand die hen geleidde. Het vaderschap had hij gemist. Toen hij boven de zee stond, zei hij tegen zichzelf: ‘een herhaling is zinloos, - op Oudejaarsavond wist ik niet van Berries ziekte, nu ben ik zijn dood al voorbij, maar de natuur is onveranderd.’ Toch daalde hij af naar het strand en merkte dat de vloed aan het opkomen was, zodat hij langs de golflijn kon lopen, een uur heen, een uur terug, - daarna zou het wel tijd zijn om naar huis te gaan en te slapen. Eén dag viel weg uit de onafzienbare rij - en wat een moeite moest de mens zich daarvoor getroosten, de ploeterende, de eigenzinnige mens, hij die zonder middelaar tot God wilde komen, - wil zeggen tot de natuur, tot zichzelf. De vrije, aan zichzelf gebonden.
De golven steigerden met meer lust dan bij eb en hun stem was luider; waartoe die drift? Altijd weer werden dezelfde geschonden voorwerpen aangespoeld: wrakhout en flessen, kurk en touw, geschonden huisraad. Als hij het dorp achter zich liet, zou het nog donkerder worden, maar die vuile weerschijn tegen de wolken kon hij niet ontlopen. Weerschijn van mensen. Morgen zou hij achter de boonbank staan, hij, de altijd rustige man, zou klanten zien gaan en komen. Nu struikelde hij haast over de rieten zitting van een stoel, een stap verder lichtte een puntige witte scherf op.
Wat zou Koos nu doen? Soms liep ze de straat op uit een blind verlangen naar leven; hij zag haar opgeheven | |
| |
hoofd, de gespannen lijnen van haar lichaam, en voelde aandacht voor dat beeld, als voor een grote vogel, klaar voor de vlucht. Of ze op prooi uitging, de prooi van begerige blikken? Zijn aandacht was haar niet genoeg, die bleef scherp en helder, het hart verdoezelde niets. Hoe ben ik zo geworden, dacht hij, ik sta terzijde van de mensen, ze trekken in grote stoeten aan mij voorbij met vaandels en spandoeken waar de wind in speelt; ik glimlach omdat ze menen voorwaarts te gaan naar een doel en dat doel nooit zullen bereiken.
Ook hij liep nog voort, het strand werd smaller en ruiger, zijn schoenen raakten vol zand, de wind blies tot op zijn huid. Geen lichtvlek boven de horizon, geen schommelend lampje in de duinen. Hij moest naar het dorp terug gaan, op de trein wachten, de winkeldeur ontsluiten, - maar de levensnoodzaak beklemde hem minder dan gewoonlijk.
Toen hij thuiskwam maakte Koos zich klaar voor de nacht.
‘Zo,’ zei ze, ‘heb ik nog een man?’ - woorden waarop hij meende niet te hoeven ingaan, maar het volgend ogenblik vroeg hij: ‘Waarom vraag je dat?’
Ze wendde het hoofd. ‘Nou, ik had zo het gevoel in de steek te zijn gelaten.’ Ze trok haar jurk uit en ging voort: ‘omdat jij weg was, “zonder nadere aanwijzing vertrokken,” ben ik naar de Haarlemmerstraat gelopen. Die slager had het op mij voorzien, en dat kriebelde me een beetje.’ Onderwijl haakte ze haar corset los. ‘Zal jij ook wel hebben gemerkt, - maar er zat alweer een andere vrouw op zijn schoot, de moeder van Evert de Vries, wat je noemt een nette weduwe. Zo'n zacht wijfie, je weet | |
| |
wel, een ronde boezem en dwepende ogen. Als ze het zo kunnen versieren, krijgt het jonge stel haar woninkje. Ik heb gezegd: “Ik kwam es even naar Mia kijken,” maar die zat natuurlijk al in het nieuwe nest te vrijen, - te broeden nog niet, hoop ik. Hij bood een glaasje aan, Pelsen, en ik moest er wel een nemen op hun gezondheid, maar verder konden ze me missen, natuurlijk.’
Dirk was op het bed gaan zitten en keek naar haar; driftig schopte ze haar schoenen uit. Deze vrouw had de last van Berrie gedragen, voor haar gevoel waarschijnlijk zonder iemands hulp, doordat hij blind was geweest voor haar overige problemen. Nu keek hij naar haar, als een kind naar het onbekende, dacht hij.
‘Nah,’ zei Koos, ‘zij liever dan ik; ze zal hem nog eens in zijn witte slagersjas moeten zien, dan is het net een ouwe baker.’
‘Maar,’ begon hij en brak weer af, nog altijd naar haar kijkend.
Ze ging bovenop haar corset zitten, legde de handen tegen elkaar tussen de knieën en rilde even. ‘Wat dacht je,’ vroeg ze, ‘dat ik met hem naar bed was geweest? Hij wou wel, en ik heb gehoopt dat ik ook zou willen, - maar niks hoor. Die ander heeft me wat gedaan, die rechercheur, en ik heb me in mijn kop gehaald dat ze me helemaal niet van moord op Molly hebben verdacht, maar dat die vent verliefd op me was geworden - hij kon me op straat hebben gezien, niet?’
‘Was die man in uniform de rechercheur?’ vroeg Dirk. ‘Nee, die andere. Ik ben weg van hem geweest, en misschien heeft hij me uitgelachen - dat is het ergste.’
‘Hij heeft je nog eens opgezocht,’ zei Dirk, ‘niet om je uit te lachen, denk ik.’
| |
| |
Ze stiet een hoog lachje uit. ‘Maar hij wou zijn vingers niet branden. Toen ik ben gehaald om die vieze foto's te bekijken, was hij er niet eens. - Ik ben in de overgangsleeftijd, moet je denken, dan stormt het allemaal nog eens op je af. Mijn moeder heeft tegen me gezegd - maar dat heb ik toen niet begrepen: “Meid, in die jaren ben ik bijna gek geweest van lijfsverlangen.” Ze was op haar zesendertigste weduwe geworden en het was een fatsoenlijke vrouw.’
Om Dirks mond trok een glimlachje. ‘Ga in bed,’ zei hij, ‘je wordt koud.’
Ze blies in haar handen. ‘We praten nou eindelijk es - ik ben een heel gewoon mens, ik wil praten. Blijf jij vannacht in de kleren?’
Hij stond op.
‘Maak een warme kruik voor me, maar laat de deuren open. Dat van die rechercheur en die slager, dat's allemaal ouwe koek, - ik heb niet nodig verliefd te worden nou Berrie er niet meer is, - en die stinkende Kouber mag zijn geld oppotten.’
Dirk, in de keuken voor het gasstel, dacht haar niet te verstaan en verstond haar toch.
‘Ik houd niet van opotten, ook niet van mijn woorden, - toch heb ik het een beetje geleerd door jou. Tot voor kort had ik Coby om naar me te luisteren, dat heb jij nooit begrepen, hè? - jij stond achter de toonbank met je glimlachie, of je liep door oud-Amsterdam, “Om niet van deze tijd te zijn”, zoals onze geleerde schoonzoon het zegt.’
Dirk bracht haar de warmwaterzak, die ze in bed zittend op haar schoot nam. Ze ging voort: ‘Dacht je dat ik van de Jordaan hield omdat ik er ben geboren? Ik wil hoe | |
| |
eerder hoe liever weg, en ik wil ervoor werken ook. Ergens een zaak beginnen in een nette buurt, een drogisterij bijvoorbeeld, - geen sigaren, daar komt de klad in. De kruideniers verkopen al sigaretten en dan al die ingezonden stukken over longkanker... Je moet je tijd vooruit zijn. - Kom je ook nog in bed? Het is een beetje beledigend als een man zo teut, - of wil je es vooraan liggen, de kapitein op het schip?’
Hij antwoordde: ‘Als ik te oud word om over je heen te stappen zal ik het zeggen.’
‘Nou, en wat zeg je verder?’
‘Verder?’
‘Ja; moet je per se in dit straatje sterven?’
Zwijgend kroop hij onder de dekens.
‘Zal ik je eens wat zeggen? - Jij hoort hier niet, je bent eigenlijk een prins uit een vreemd land - ik weet niet uit welk, ik ben nooit over de grens geweest. Maar een prins. Dirk de Zwijger, bijvoorbeeld, of Diederik de Goede.
Hij lag roerloos gestrekt op zijn rug en voelde zich wonderlijk ontsloten. Na een ogenblik zei hij: ‘Een Dirk de Stoute zou jou liever zijn geweest, - de Onverschrokkene.’ De vrouw naast hem neuriede een klank, licht en hoog. ‘Jij dorst naar Berrie te gaan kijken, toen, in dat dodenkamertje, - jij alleen. Het wachten in die grijze gang zal ik nooit vergeten.’ Ze zuchtte diep en ging voort: ‘Als ik nou maar openlijk met je kan praten over het feit dat Berrie er niet meer is en dat ons leven daardoor verandert.’
Even bleef het stil, toen hoorde hij weer haar stem, nu eerder gesmoord dan licht: ‘Het is toch beroerd genoeg geweest, als je het me nu maar gunt dat...’
Hij greep haar hand en begon die te strelen.
| |
| |
‘Ik hoef niet dadelijk televisie te hebben, of jurken naar de laatste mode, - maar ik wil niet worden uitgelachen als ik mijn hart op de tong draag, - een groot hart, - misschien wel eens té groot.’
‘Je tong zal er niet onder bezwijken,’ zei hij.
|
|