Historie van den heer Willem Leevend. Deel 8
(1785)–Aagje Deken, Betje Wolff–
[pagina 178]
| |
Weledel-gestrenge heer!Deeze Letteren zyn niet alléén ingericht, om u te feliciteeren, met het geluk, dat op u wagt in de Echtverbintenisse met eene Dame, die zelf naar het gezond oordeel van uwen waarden Schoonbroeder, verdient in de achtingwaardige Familie eenes Dominé Veldenaars, met onderscheiding, ontfangen te worden. Geluk dan, myn Vriend, met de waardige keuze, door u gedaan! Ik twyfel geen oogenblik, of gy zult zo een braaf Echtgenoot worden, als gy altoos een goed Zoon, een vriendelyk Broeder waart. Verzeeker de lieve Dame, die weldra de uwe zyn zal, van onzer aller achting; en indien het noodig ware, dat iemand, buiten gy zelf, haare gunstige gedagten over u vermeerderde, de Familie van Helder zou met verrukking dat getuigschrift bekragtigen. Mevrouw van Sytsama zal zeker alles, wat harre Vriendin, myne Dogter, betreft, aan u gemeld hebben; en gy dierhalven weeten, dat de Heer Leevend welhaast myn Schoonzoon zyn zal. De | |
[pagina 179]
| |
byzondere achting, die gy voor hem hebt; de wyze, waar op gy hem eens in allerdeerlykste omstandigheden ontmoette; het belang, 't welk gyzeer zeker in hem neemt, doen my de vryheid gebruiken, om u iets te vergen, 't welk u zeker eenige moeite zal veröorzaaken; maar wat zegt moeite by eenen Veldenaar, als hy in staat zy zyne Vrienden te dienen? Om verscheide redenen heb ik u uitgekoozen: thans noem ik geen andere, dan die er ligt in de plaats, waar gy thans op onze uiterste grenzen Garnisoen houdt. Zoud gy, myn Heer, my ten dienste niet eens een uitstapje willen doen, naar - het kleine Steedje, u immers in naam bekend. Daar kunt gy nader bericht krygen van een Man, zo genoemd, woonende op de -. Hy komt daar meermaalen ter verrichting zyner eigen kleine zaaken. Als gy by hem aftreed, zeg hem dan, dat gy gelast zyt, om hem voortestellen, op wat wyze, en waardoor de Familie van den jongen Heer, die by hem zo veele weeken huishield, haare erkentenis zoude kunnen toonen; en meld hem zo veel van de zaak, als gy zult goedvinden. Onze Leevend spreekt altoos met zo veel liefde, zo veel aandoenlyke dankbaarheid van hem; en vooräl van de oude Vrouw, aan wie hy, zegt hy, meer verschuldigd is, dan hy in zyn geheel leven kan vergelden. Hy beschryft ons meermaal de zoetaartige Kinderen, die hem zo veel | |
[pagina 180]
| |
gezelschap hielden: kortöm, hy zal my zeeker voor zyn, indien ik hem niet verrasch; maar dit hoop ik hem te beletten. Myn eigenlyk plan zou dit zyn, dat gy den Vader en Grootmoeder wist te beweegen, om die beide Kinderen aan myne zorg over te laaten. Indien zy daar naar luisteren, dan zal ik, uw antwoord hebbende, verdere schikking daarömtrent maaken. Spaar voor 't overige niets, 't welk in staat konde zyn, om de lieden te doen zien, hoe uitgebreid, hoe weldadig het hart is van haar, die zich zo boven maate gezegend ziet met tydelyke goederen. Niemand weet iets van dit plan, dan myne Vriendin en Huisgenoote, Mejuffrouw Belcour. Adresseer uw Brief onder haar adres. De Hemel geeve, dat myn goed oogmerk slage; en dat ik myn lieven aanstaanden Schoonzoon op de aangenaamste wyze moge verrasschen. Hy verdient al de genoegens, die ik hem toedenk. Met de volkomenste achting teekene ik my
Uwe Dienares en Vriendin,
suzanna helder, gebooren van beek. |
|