Historie van den heer Willem Leevend. Deel 6
(1785)–Aagje Deken, Betje Wolff–
[pagina 296]
| |
Waardste mevrouw Helder!Hoe veel myn hart lydt, door voor myne tederbeminde Chrisje iets, wat ook, te verbergen, en vooräl iets, waar in zy zo veel deel neemt; zo zal ik u echter toonen, dat ik het vertrouwen, waarmede gy my verëert, waardig ben. ô Mevrouw, alles, wat gy zegt, is zo wáár; men wordt zo overtuigd, dat het billyk is uwe verkiezing te volgen: zeker, niemand spreekt zo tot het gezond oordeel, tot het welgevormd hart, dan gy, Mevrouw! Hoe gelukkig, hoe zeer gelukkig is het voor de samenleeving, dat eene Vrouw, als gy zyt, de Vriendin der Deugd, der Reden, des Godsdienst is! Welk een verbaazenden invloed heeft uw karakter op allen, die in uwen kring werken! En ik begin meer en meer te zien, dat de meeste karakters lydelyk, ondergeschikt zyn: zy kunnen goed, zy kunnen slegt worden. Het vermogen, dat gy op mynen geest hebt, is zo onbepaald, als bestaan kan met die vryheid, die ons alleen aanspreeklyk maakt voor onze daaden. | |
[pagina 297]
| |
Zie daar dan, Mevrouw, volgens uw verzoek, dat voor my een bevél is, onder het my aangeweezen adres, toen ik van Buiten ging, den Brief, dien ik van myne Vriendin ontfing. Dien, welken Leevend aan zyne Moeder en Zuster schreef, heb ik gecopiëerd, om dat ik hem niet zo lange durfde houden, als noodig zoude zyn, indien ik hem hier insloot. Zyt gy niet verwonderd, Mevrouw, over de gaaf, die myne Vriendin heeft, om in deezen trant te schryven? Het hindert u immers niet, als gy deeze en geene vrolyke passage, op Chrisje betreklyk, inziet? De Brief van Willem heeft my zeer geroerd; ook mynen Everards, voor wien ik niets van deezen aart geheims heb. Zyn Vriend, de Heer Renting, was by ons op het soupé, toen het Paket, zo mag ik het wel noemen, besteld wierd. Wy waren juist in een zeer ernstig discours over Leevend. Ik geloofde, dat ik voor iemand, die zo denkt als Renting, niet behoorde te verbergen, dat, in dit Paket, ook een Brief van hem lag. Hy las dien; maar met eene aandoening, die hy noch konde noch wilde verheelen. ‘Beste lieve Jongen, zeide hy; als gy eene Chrisje Helder gelukkig kunt maaken, zal ik zeer zeker dit niet verhinderen. Ik myn voordeel doen met uw afzyn, met de kwaade gerugten, u nagegeeven, - met de groote ingenoomenheid van myn Heer Helder ten mynen opzichte; neen, Everards, (en hy stak | |
[pagina 298]
| |
hem de hand toe,) neen, Everards, hier toe is uw Vriend onbekwaam.’ Everards. [glimlachende.] Zo zult gy dan de liefde wreeken van den blaam, dat zy zich zelf zoekt; en daarom moet wyken voor de vriendschap? Want gy bemint Juffrouw Helder immers? Renting. Meer dan ooit: dit is het juist, dat my verheft boven alle de bekooringen der zinnen. Ik voor my ben niet in staat, om my keuriger zinnelyke genietingen voor te stellen, dan die het bezit van zo een schat een eerlyk gevoelig Man moete geeven: maar ik begryp echter, dat hy, die de beminde van zyn hart gelukkig maakt, ook als hy zelf daar by lydt, nog veel gelukkiger daar door worden moet, dan hy zich durfde voorstellen te kunnen zyn. Ik. Dat komt my in uw geval te gelooflyker voor, om dat gy nooit weder bemind zyt geworden: anders schynt my dit wat al te romanesq in eenen Man, als de Heer Renting. Renting. Dat wil ik niet betwisten; evenwel, zoude ik Juffrouw Helder wel zo hoogachten, indien zy my immer twyfelagtig behandeld had met opzicht op haare geneegenheid voor my? Ik. Ik versta u. Renting. Dat is genoeg: wat het Romanesque betreft; daar mede is het geleegen, als met veele andre zaaken: van de definitie hangt alles af. Ik, | |
[pagina 299]
| |
Mevrouw, ben een van die wonderlyke Jongens, die gelooven, dat men veel meer gevoel, veel meer eer, veel meer zeedelyke kragt hebben moet, dan zo daaglyks voorkomt, om de nette grenslyn tusschen het Romanesque en het Natuurlyke te trekken. Nog meer. Voor my zou mooglyk iets zeer natuurlyk zyn, dat voor een ander Romanesq zyn moet. Everards. Hangt alles niet af van het licht, waar in wy iets plaatzen; van de overwigt, die wy aan iets byzetten? Ik. Hoe meent gy dit, lieve Everards? Everards. Dit meen ik: Als onze waarde Vriend tot zyn hoofd-oogmerk gesteld heeft: ‘Juffrouw Helder zo gelukkig te maaken, als hy immer kan;’ en daar aan met Manlyke standvastigheid getrouw blyft; als hy zich voorstelt, wat dat zyn moet, het tedergeliefde voorwerp gelukkig te maaken, en daar voor de grootste erkentenis te ontfangen, zal hy dan niet in staat zyn, om dit, ook ten koste van zyn lydend hart, te doen? Renting. Gy, myn Vriend, kent my zo wél, als de een den andren Vriend immer kende. Gy weet des, dat ik Juffrouw Helder teder bemin, hoogst acht; dat ik, om haare liefde te erlangen, niets te moeilyk zoude achten. Maar ik had nooit hoop: ik begryp maar schaduwagtig, wat het zyn moet, van eene Chrisje Helder bemind te worden. Wat het is haar Vriend te zyn, dat weet ik. Zy | |
[pagina 300]
| |
heeft my zo edelmoedig behandeld, zo braaf, zo boven alle pointilles. En die onderscheidingen zoude ik, als een laage Jongen, nu in haar nadeel doen werken? Ik zou gunsten voorwenden, die ik zelf niet by bespiegeling ken; ik zou haar met één woord ongelukkig maaken, om dat ik haar bemin? Ik zou, hoewel overtuigd, dat ik met haar niet gelukkig konde zyn, haar beletten het met een ander te worden? Waar, Mevrouw Everards, is hier het Romanesque? [Hy zeide dit, terwyl hy my een tikje op myne wang gaf.] Ik. Het Romanesque? Dat zie ik niet meer; alles is in de Natuur van eenen - Renting! [Hy boog.] Everards. Myne Vrouw heeft gelyk. By u is dit zeer natuurlyk. Renting. Ik ben geen Celadon. Ik vind niet, dat eene Moesjankery eenen Man wél staat. Myne liefde voor de Sexe, durf ik zeggen, doet haar veel meer eer aan. Daar is voor my geen zo aangenaam gezelschap, dan dat van Vrouwen en jonge Dames, als Mevrouw Helder, haare Dogter, Juffrouw Veldenaar, en van u, Mevrouw; want dan deelt ons hart in de genoegens, die ons oordeel verbeteren, beschaven; en wy krygen dat gezellige, 't welk ons als Menschen zo verrukt. De meeste Vrouwen hebben veel verstand; jammer, dat zy zo veel geest hebben! .... Maar dit discours zoude te verre van ons oogmerk afloopen. | |
[pagina 301]
| |
Het gesprek viel toen weder op Leevend: Ik sprak over hem, zo als ik altoos spreek, en zo lang ik billyk ben, spreeken moet. Ik zeide, dat hy ongetwyfeld Juffrouw Helder, er mogt gebeurd zyn wat er wilde, beminde; en dat Juffrouw Helder hem zoude beminnen, indien hy het waardig gebleeven was. De Heer Renting verhaalde ons nu in vertrouwen, dat hy voor ettelyke weeken by eene Juffrouw Belcour zich geinformeerd had naar het verblyf van den ongelukkigen Jongeling, maar dat die hem betuigde, zulks niet te weeten; dat deeze Juffrouw, die een zeer braaf verstandig Mensch moet zyn, de yverige Vriendin van Leevend was en bleef; dat deeze te leurstelling hem zeer getroffen had. Kort gezeid, Mevrouw, de Heer Renting is de achting van u en den Heer Helder zo waardig, als een Jongeling zyn kan. Ik hoop echter, dat myn lieve Willem zich zo zal gedraagen hebben, als verëischt wordt, om hem eens nader met u te verbinden. Ach, Mevrouw, Chrisje bemint hem, om dat zy niet gelooft, dat hy haare keuze onëer aandoet. Wat zal het haar kosten, indien zy het vonnis haar's Vaders moet onderteekenen, - hem veröordeelen! Hoe reikhals ik naar uwe komst te Rotterdam! De tyd nadert, Mevrouw, waar in my uwe Moederlyke tederheid zo noodig, zo dierbaar zyn zal! Met eene weemoedige vreugd zie ik, niet zonder eenige kille rillingen, dien dag te gemoet, waar | |
[pagina 302]
| |
in ik tot de waardigheid van Moeder zal verheeven worden! Geen angst, geene naare voorgevoelens ontrusten my. Ik betrouw myn lot zeer bedaard in de handen van Hem, die alles met de hoogste wysheid en goedheid bestiert. Wat zal het my troostlyk zyn, in uw Godsdienstig bedaard byzyn, dat tooneel van smarte te mogen betreeden! Gy gelooft wel, Mevrouw, dat ik alles, wat gy hebt aan- en afgeraden, laat en doe? Ik bevinde my naar de omstandigheden vry wel. Myn geliefde Everards verzeekert u van zyn eerbied, en ik ben, waardste Mevrouw Helder!
Uwe dankbaare hoogachtende
p. everards, gebooren renard. |
|