UITHOLLEN, onz. w., gelijkl. Ik holde uit, heb uitgehold. Van uit en hollen. Ten einde hollen: de paarden hebben uitgehold. Figuurlijk ook van een mensch: hij zal welhaast uitgehold hebben, zijne
[pagina 270]
[p. 270]
buitensporigheden zullen welhaast ten einde loopen.