De Wolf en de Mensch.
De Vos sprak eens met den Wolf over de sterkte van den Mensch. - Geen dier, zegde hij, kan den Mensch weêrstaan, en zij moeten list gebruiken, om hem te ontvlieden. - Toen antwoordde de Wolf: - Als ik maar eens een mensch te zien kreeg, ik zou hem toch wel aanvallen. - Dit kan ik u bezorgen, - sprak de Vos; - kom morgen vroeg, en ik zal er u eenen toonen. -
De Wolf was bij tijds daar, en de Vos bragt hem buiten op den weg, waar de Jager alle dagen langs ging. Eerst kwam een oud afgedankt soldaat: - Is dit een Mensch? vroeg de Wolf. - Neen, antwoordde de Vos, dat is er een geweest. - Daarna kwam een kleine jongen, die naar de school ging: - Is dit een Mensch? - Neen, dit moet er nog een worden. - Eindelijk kwam de Jager met den tweeloop op den rug en het jagtmes aan de zijde. Toen sprak de Vos tot den Wolf: - Ziet gij, daar komt een Mensch; dien moet gij aanvallen; maar ik ga naar mijn hol. -
De Wolf ging op den Mensch toe. Als de Jager hem zag, sprak hij: - Het is jammer, dat ik geenen kogel geladen heb! - legde aan, en schoot den Wolf het schroot naar den kop. - De Wolf trok een geweldig scheef gezigt; maar onverschrokken ging hij toch voorwaarts. Toen gaf hem de Jager de tweede