M. Knoopenknaauwer bekent loyaal zijnen misslag.
- M. Luybrechts, weest gegroet!
- Dag, M. Knoopenknaauwer. Wat plezier....
- Van mij te zien, he? Ik zal het u regtuit bekennen, M. Luybrechts; ik heb nog een abuus begaan in uwe rekening, en mijne conscientie laat mij niet toe...
- Er van te profiteeren? Dit is braaf.
- Neen, zij laat mij niet toe, dat gij er zoudt van profiteeren. Daarvoor ben ik te regtschapen, te eerlijk.
- Welnu, M. Knoopenknaauwer, mag ik weten...
- Waarin dit abuus bestaat? Zeker, M. Luybrechts; 't is eigenlijk daarom, dat ik hier kom. Ge weet immers wel, toen wij te zamen uwe rekening overzagen...
- Ja, en ze juist vonden, op een ding naar, dat gij vergeten hadt.
- Ge zijt er, M. Luybrechts; het verheugt mij, dat uw geheugen zoo uitmuntend is als uw verstand.
- Ja, M. Knoopenknaauwer, 't is schand dat ik het zelf zeg; maar ik ben in 't geheel niet misdeeld.
- Dit zijt gij zeker niet, M. Luybrechts, en wie u wil beet hebben, moet vroeg opstaan.