M. Luybrechts gaat zijnen advokaat spreken, over zijne rekenig.
- M. Knoopenknaauwer, uw dienaar.
- Ha! M. Luybrechts, zit neêr.
- M. Knoopenknaauwer, ik kom met dat apothekersrekeningsken, dat ge mij verleden week gezonden hebt.
- Och! dit presseerde niet, M. Luybrechts; ik zou dit wel gehad hebben. Geef hier, wil ik het acquitteeren?
- Maer ik kom niet, om het te betalen.
- Ah! dan.....
- Ik kom u maar zeggen, dat ik het verduiveld gepeperd vind, en mij dunkt, dat er hier en daar wat misrekend is.
- Dit is zeer mogelijk, M. Luybrechts; errare humanum est, gelijk ge weet.
- Ik weet niet wat ge wilt zeggen met raren manen mest, maar uwe rekening schiet wat sterk met spek.
- Kom, M. Luybrechts, wij zullen ze te zamen overzien. Zijt gij den 18 julij bij mij geweest, om over uwe zaak te spreken, ja of neen?
- Ja, maar.....
- Is M. Spiegels niet binnen gekomen en heeft