heeft; het is wit met bruine plekken, zoodat ik haar dit niet kan weigeren. Laat mij uitgaan en zorg vandaag voor het huishouden. - Ja ja, zei de Muis, ga in Gods naam, en als ge wat goeds peuzelt, denk dan aan mij. Van den zoeten kinderbedswijn, zou ik ook wel gaerne een druppeltje meê neuzelen. -
Maar daar was geen woord van waar. De Kater had geene nicht, en was niet verzocht om peter te zijn. Hij ging regelregt naar de kerk, kroop tot aan het vetpotteken, begon er aan te lekken, en lekte zoo lang, tot dat er de vette huid af was. Dan maakte hij een wandelingsken op de daken der stad, ging wat rusten in de zon en wischte zijnen baard af, zoo dikwijls als hij aan het vetpotteken dacht. Eerst als het avond werd, keerde hij naar huis terug.
- Wel, zijt gij daar? zegde de Muis; gij hebt zeker eenen vrolijken dag gehad. Wat heeft het kind voor eenen naam gekregen? - Huidaf, antwoordde de Kater droog weg. - Huidaf! riep de Muis, dit is eene zeldzame benoeming. Is die naam in uwe familie gebruikelijk? - Wat is daaraan gelegen? zei de Kater. Die naam is niet erger dan die van Kruimdief, gelijk uwe peten heeten. -
Niet lang daarna werd de Kater weêr eenen tand gewaar, die loterde. Hij sprak tot de Muis: - Muisken, ge moet de goedheid hebben, nog eens alleen voor het huishouden te zorgen. Ik ben wederom verzocht om peter te zijn, en daar het kind eenen witten ring om den hals heeft, kan ik dit niet afslaan. - De goede Muis stemde toe; maar de Kater sloop achter de stadsmuren naar de kerk en vrat het vetpotteken half uit. - Daar smaakt niets beter, dan