Langs de witte pastorie, waar ik in een flits de dominee zag, liep ik naar de fabriek, die ik nog wist te vinden, een oud, donker complex vlak buiten het dorp, waar mijn vader als jongen van veertien ging werken en waar hij zijn leven had vergooid.
‘U moet in de kantine zijn.’ De portier tegen me en ik liep door de smalle gangen naar de zaal.
‘Voor mijnheer Stouthart?’
‘Ik ben zijn zoon.’
Voor in de zaal, op de eerste rij zag ik mijn moeder en toen ik binnenkwam, had ze me al gezien, alsof ze op me wachtte. Ze stootte mijn vader aan, die opstond en naar me toekwam.
‘Zo,’ zei hij.
En: ‘Leuk, dat je gekomen bent.’ Mijn moeder zoende me vlug. ‘Je vader is zo zenuwachtig,’ zei ze en toen keek ze me onderzoekend aan.
‘Je ziet er slecht uit, je eet waarschijnlijk te weinig,’ besloot ze.
‘Ja, ja.’
De direkteur van de fabriek kwam binnen, vergezeld van de burgemeester van het dorp. Ik ging rechtop zitten, want de fabrieksdirekteur, ordentelijk man, vader van drie grote dochters, kende ik.
Ik had hem meermalen 's avonds langzaam door de Leidsestraat zien rijden en dan opende hij zijn portier. Hij was nog geen klant van me geweest, al had hij me een paar keer aangekeken als hij langs reed. De eerste tijd was ik nog te onervaren en later was een andere jongen me een paar keer voor geweest.
De twee mannen kwamen naar mijn vader en gaven hem en mijn moeder een hand.
‘En dit is mijn zoon, Johan.’
‘Ah, zo’ en hij keek me even strak aan. Ik voelde zijn zware beringde vingers even in mijn handpalm rusten.
‘Nog op school?’
‘Nee, hij werkt in Amsterdam. Op een kantoor.’
‘Ah, juist.’ Een nauwelijks merkbare glimlach en hij draaide zich om, liep naar de tafel, waar hij naast de burgemeester ging zitten, die al