49
Ze belt me op en huilt, minder dan eerst; ze is ongeveer 100 kilometer hier vandaan, ze smeekt me te komen: ik lach en zeg niets. Ze heeft geen geld, zegt ze, maar ik zeg dat ze best aan 4 kerels een gulden kan vragen. Anderhalf uur later komt ze aan, en staande in een telefooncel zie ik haar zoeken, we lachen eerst en lopen rond, met de koffers die ze bijna niet kan dragen. We drinken ergens bier, ik ben ernstig: ik zeg dat dit me is tegengevallen (ik weet dat het waar is), dat dit niet is te vergeten, dat deze keer de laatste is, (ik weet dat ik zelden zo verliefd was). Ze lacht, kijkt opgelucht rond, kent mij. Ze huilt niet, is niet in het minst geschrokken, zegt dat het niet waar is, dat ik het niet moeilijker hoef te maken, dat ik haar overal mee wil helpen, dat we binnen een jaar in het buitenland wonen. Ik zeg dat ze op kan bellen ‘alleen op etenstijd, als ik thuis ben’ als ze me ergens voor nodig heeft. Ze zegt dat het een jongetje zal worden, dat we het Agamemnon zullen noemen; wanneer ze naar huis gaat geeft ze me een hand.