50
Zowel Donna als Rea kent mij. Donna: 13 maanden liepen wij, lagen wij, waren wij overal samen en lachten, praatten en 13 maanden zwegen wij. Rea kent mij 10 maanden, toen ze hier in de stad op een school kwam en 6 maanden later kende ze mij, zag mij schichtig en onverwacht, - als de tijd daar was en iemand niet; en dan, waarna?, ziet ze mij dagelijks, ieder uur. Donna maakte vreemde dingen mee, - en verliet mij toen het er op aan kwam, - kwam terug toen de schok voorbij was, - en bleef. Rea leed met mij (ik met haar?); maar dan, na alles: na het openlijke, het verborgene, het doende, is alles plotseling nu en oppervlakte: Donna staat daar en belt me op, Rea is op haar kamers en de deur is ongesloten, Donna, ik kom jou zoeken in de straten, Donna, ik zie jouw foto's, Rea, wees nu, deze dag, bij mij, Rea, alsjeblieft, zeg wat tegen mijn broer, Donna, waarom kom je niet eerder?, Rea, ik hou van je. Het is oppervlakte en we zijn met z'n drieën nu, overal. We zitten en we staan; en thuis slaap ik weer, lig uren in het bed en luister naar het holle, regelmatige geklop van een beeldhouwer in de buurt, het overvliegen van straaljagers, het slaan van een deur, vogels, kraken, geroep; we maken ruzie, gezamenlijk of 2, waarbij de derde nergens is; en we bestaan voortdurend.