48
Het was nadat alles was gebeurd: ‘alle handelingen waren verkeerd gedaan, alle namen gespeld’. Hij zag je dus niet meer, hij dacht eigenlijk niet zoveel aan je. Hij ging op straat al weer naast meisjes lopen, met het bekende praatje, met het verveelde verhaaltje. Maar op een avond, toen hij een pakje sigaretten, dat hij voor zijn broer had verstopt, uit een la wilde halen, zag hij plotseling je foto liggen. Hij zette de grote foto voor zich, op het bureau, tegen de muur, zette er een spiegeltje naast en bekeek beurtelings jou en zichzelf: hij zag je lachen als hij zijn mond spitste en plotseling wist hij waarom hij op feesten tegen iedereen grof was en waarom hij op straat vaak ‘kut’ tegen een meisje riep.