30
We lijken wel mieren. We praten ons dood, we rijden in auto's, we sjouwen met kisten, we zeulen met flessen, we schrijven ons bulten. Dagelijks staan we op, we eten ternauwernood. Onze benen zijn zo vermoeid dat ze niet meer uitgerust komen voor de feestdagen. We hebben allemaal een abonnement op de dokter. Onze rug is beplakt met afwasbare pleisters. We zitten regelmatig in stalen wagentjes. We haasten ons altijd. We sjouwen en zeulen en praten: we lijken wel mieren (maar dan met polshorloges aan).