31
Nou, op een gegeven moment kwam hij binnen en begon herrie te maken over wat ik over hem gezegd had tegen de anderen. Ik hield op met werken en zei dat ik niets terug zou nemen. Hij werd ontzettend kwaad en wilde me een klap geven, maar toen hij merkte dat ik op hem af kwam ging hij naar buiten. De deur bleef open en hij riep allerlei scheldwoorden: lichaamsgebreken. Ik ging naar buiten en bleef voor hem staan, hij moest tegen me opkijken. U weet ook voordat hij stierf was hij niet zo groot. Ik zei dat ik hem inderdaad een grote huichelaar vond en hij wilde weer slaan. Toen zijn arm vlak bij me was gaf ik hem een schop, waarop hij wegvluchtte en daar over die bos betonijzer struikelde, hij viel met zijn hoofd op een heipaal. Dat hij dood is spijt me, het was werkelijk niet mijn schuld.