29
Ik weet nu zeker dat ik verliefd ben, niet dat daardoor mijn gedachten, beschouwingen, eisen betreffende de liefde zijn veranderd, nee, dat niet in het minst. Op deze wereld leven ik weet niet precies zeer veel mensen. Daarvan zijn de helft, - dus minder, maar nog heel veel - , ongeveer van een bepaald geslacht. Nemen we aan dat daarvan tweederde paarden zijn, blijven er nog genoeg vrouwen over. Deze wonen vanzelfsprekend, - of vanzelfsprekend? - over het hele aardoppervlak verspreid. In mijn onmiddellijke omgeving enkele miljoenen, paarden en vrouwen: dus enkele honderden. Ongeveer toch wel veel geprobeerd, blijft er één over. Dat is niet verstandelijk: ik weet, het had ook een ander kunnen zijn; dit weten maakt veel eenvoudig: niet nodig te proberen, heilig blijven, vroom en kuis. Dat is niet uit te leggen, dat is alles: de ontmoeting, de bewegingen en het gezicht, het voortdurend nader komen en het waardevolle afwegen, de plaats, de aard van de omgeving, de ekonomiese en politieke ligging van het land, de geologiese samenstelling van de bodem, de vorm van de schedel. ‘Lieve liefste, het was in een bar waar je zat, jong als een god en zoals je keek, voelde je. Je was iedereen en met blijdschap knielde ik voor je toen je dat wilde. Je vroeg veel voor een kleinigheid