19
U ligt in uw bed. U zit aan een tafel. Gisteren stond u in de bus en lag u in het slijk achter een bank in het stadspark. Eergisteren reed u met auto's mee en stond u in een ijskoude regen. U was op weg. U reed rond. U ging naar toe. U kwam aan. U stond. U rookte. U zat. U was waar u dacht verwacht te worden en u zag dat niemand u opwachtte. U dacht ergens gemist te worden. Vorige week maakte u een reis van 400 kilometer naar een stad waar men iets van u verlangde. U luisterde. U deed. U maakte. U liep in de sneeuw naar een vriend die op sterven lag en toen u daar was bleek de vriend niet op u gewacht te hebben. U sliep. U lag. U maakte lust en volgende week doet u weer. U loopt. U slaapt. U rookt. U reist. U komt 56 uur niet uit uw bed. U zit aan een tafel. U gaat naar een vriend. U doet maar.