12
Ik was met Donna in huis. Het was toen Jann en Troepel waren kopen, of stelen -: in ieder geval halen, meebrengen. Ik was toen met Donna in huis. Waar waren de Vorst en Esopae, en vooral Jerik en Moelia? Het was stil en onrustig. Voortdurend leefde het beeld van de bewegende pauweoog in mijn lijf. Niet dat ik haar nooit kuste (met de mond of met de handen) of raakte, maar de - uiterst dichtbije - beweging. Het was avond, we keken naar de televisie (zogenaamd). In haar was duidelijk een wachten, - van dierlijk. Zij kende het nu en wist, maar in haar stilte was de angst voor eenzijdigheid, voor het toebehoren aan, het afhankelijk zijn van iemand door de daad en de ontkenning hiervan door het verstoren van die daad. Mijn hand voelde haar en kuste haar mond, - en dacht niet meer. Donna voelde aan mijn ogen, in mij begon de zee en zij vertelde dat Jann nu, de laatste dagen, voorzichtig was: hij had een boek gelezen en hij wist wat deze dagen betekenden. En ik werd machtig en koning, keizer (vooral keizer) van een bijzonder zwarte negerin. Toen stond ik plotseling op (toen zij een moment onwennig was, schrok, luisterde) en ging naast haar zitten en zei niets meer tot wij naar de kamer gingen waar wij Jann bedrogen, waar wij dansten een langzame wals.