13
(omdat zij nu naar school is kan ik dit schrijven, schrijven: niet praten, niet met de mond vertellen.) De moeder weet het nu ook. Misschien van de tweeling, of van Jann die een onwennige, herkeerde afwezigheid heeft bemerkt (tijdens een tocht door de nu koude duinen). Zij hebben het van Jann gedacht, - natuurlijk, logieserwijs - , maar deze heeft nachten gepraat en ontkend en vooral de onverschilligheid van Donna (en zijn boek met de genummerde platen) hebben hem losgemaakt. Hierop is hij weer ingeslapen, teruggevallen in zijn loze leven, dat hij bemint omdat hij bang is, en dat nu dreigde aangetast, weggevreten te worden. Om het mee te mogen doden heeft hij gevochten, - waardoor hij 1 keer leefde. Door de dagenlange spanning (het onderhuidse geluk) heeft Donna (en ook: in haar hoofd wonen toch verschillende vogels) het niet kunnen verzwijgen en toen de moeder weer eindeloos vroeg en smeekte, werden haar ogen groot, heeft ze geschreeuwd, geroepen, alles op hoge toon verteld, - (het dier dat voor de kracht van de schreeuw dagenlang jankt, zijn wonden likt). De moeder is bij mij gekomen en ze kijkt me aan. Ik zie in de spleten van haar lippen korsten neon en op haar omtekende ogen staan tranen (als bolletjes), als zij zijn gevallen komen er wazige zwarte