Schoolland
(1926)–Theo Thijssen–
[pagina 213]
| |
't examen-loffelik-ontslag is het hele stel op z'n Zondags, jurken en haarstrikken die 'k nog nooit gezien heb; maar àndere dagen, als ze alleen-maar d'r-lui meester hebben, dan komt het er niet op aan. Voor mij is d'r-lui oue goed wel goedgenoeg, voor zo'n paar vreemden zorgen ze wel dat ze netjes zijn.’ ‘Ja,’ zei ik hardop, en daarna meteen apart tegen hèm alleen: ‘maar eh.... zeg, m'n vrouw heeft me gisteren verteld van.... die vijftig pop.... wist ik nog niks van.... ik wou je even komen zeggen, da 'k het allemachtig hartelik vind.... eh.... en zo gauw als we kunnen....’ ‘Kerel ik schrok al van je ernstige gezicht,’ viel hij me in de rede, ‘nou daar praten we later wel 'es over, 't was niks biezonders hoor. Zo, heeft je vrouw het je nou al verteld, da's eigenlik tégen de afspraak.’ En toen hardop: ‘Maar hoe vin-je ze d'r uitzien, dat stel hier?’ Hij maakte het me gewoon onmogelik om verder te praten zoals m'n plan was geweest - hij betrok me in z'n plagerij van de klas: ‘Ik wou dat ik zó dat stel op 'n plaatje had.’ ‘Hè, hè,’ riepen 'n paar meisjes, en één vloog d'r in: ‘Nou, wie wéét....’ ‘St-st!’ werd er gewaarschuwd, en Koning riep dadelik: ‘O, is er een geheim? Is er iets dat ik niet weten mag?’ Het is elk jaar hetzelfde, met elke klas die weggaat: ze laten zich fotograferen; maar elk jaar is geheimzinnigheid daarbij alleréérste vereiste.... Midden in het gejoel kwam Kraak binnen. ‘O zat je hier,’ zei hij tegen mij, ‘dat komt, in je klas zag ik je niet.’ Ik maakte een gebaar van dadelik met hem mee te willen gaan, en vroeg: ‘Wat er wat? Breken ze de boel misschien af?’ Want absoluut-gerust ben je toch nooit, als je je klas alleen gelaten hebt. Vooral in dat aanloop-kwartiertje ‘vóór schooltijd’ niet, als eigenlik de school nog niet begonnen is. D'r | |
[pagina 214]
| |
hebben maar een paar jongens ruzie te krijgen, en de omstandigheid dat je niet in 't lokaal bent, remt ze niet, en de heren gaan tot dadelikheden over.... Maar Kraak stelde me gerust: ‘Nee, niks hoor, maar ik ging eigenlik even bij je naar binnen om over de verhoging te praten.’ Al sprekende stapten wij toch maar de gang op en naar mijn klas. ‘Je was geloof ik niet van plan, d'r véél te laten zitten,’ zei Kraak. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik wou 't hele stel maar meenemen, negen-en-dertig, dus ik kan d'r van jou hoogstens drie bij hebben, dan zit ik vol.’ ‘Precies,’ zei Kraak, ‘nou om je de waarheid te zeggen, ik wou óók maar alles meenemen, alleen, Louis van Rijn moest jij nemen. Dat zal ik je uitleggen....’ ‘Och nee, waarom,’ wou ik dadelik afsnijden, ‘uitleggen, wat is daar nou aan uit te leggen? Wat jij niet mee kan nemen, laat je toch zitten?’ Ik zei het zo echt gemoedelik - maar ondertussen dacht ik: behalve als het er meer dan drie zijn; dàn zouden we d'r toch nog 'es over moeten praten, of ik nou kinderen van mij zou moeten laten zitten om plaats te maken voor wat jij laat zitten.... Maar bij zo'n oue rot als Kraak is het in zo'n geval eigenlik nonsens om te verwachten, dat hij zo ver niet doordenkt. Kraak heeft tot principe, je nooit toe te staan te denken dat je hem ook maar even voor 't lapje kunt houden. En hij zei dan ook prompt: ‘Ja hoor 'es, dat zeg je nou zo royaal, maar als ik met 'n stuk of zes zittenblijvers kwam aanzetten, dan zou je natuurlik wel anders piepen, dan wáren we d'r nog niet.’ ‘Nou wat,’ hield ik vol, ‘dan was 't heel eenvoudig: drie nam ik er, en de rest moest naar een andere school, waar wèl plaats voor ze was.’ Kraak grijnsde 'n beetje; toen zei hij: | |
[pagina 215]
| |
‘Nou ja, enfin, daar is nou hier op 't ogenblik geen kwestie van, van die moeilikheid: je krijgt van mij d'r maar één, Louis van Rijn, en dat is eigenlik nog een heel apart geval. Je kènt 'em misschien, Louis? Maar misschien ook niet, hij is al weer weken lang weg, in een vakantie-kolonie, en vóór die tijd was-ie 't laatste jaar, misschien al langer nog, de helft van de tijd thuis. 't Is die kleine bleke, hij heeft feitelik een hoge rug ook, 't is een stakkerdje als je 'm ziet.’ ‘O ja, nou ken ik hem,’ zei ik. En ik was even verwonderd, zo als hij slechts langs een omweg Louis van Rijn's gebrek aanduidde; want Louis van Rijn hééft niet ‘feitelik een hoge rug’; hij heeft gedecideerd heel erg een volslagen bochel! ‘Nou,’ ging Kraak door, ‘en nou zijn z'n hersens in orde, daar mankeert niks aan; àls-ie 'n maand of wat geregeld school komt, dan spijkert hij weer aardig bij. Zie je, als 't een gewone gezonde jongen was, dan zei ik nóg: ik neem hem mee, als-ie terug is van buiten speelt-ie maar wat poot-an, dan komt-ie wel weer gelijk. Maar nou ben ik 'es naar die dokter geweest....’ Ik keek even vreemd: die ouderwetse Kraak op bezoek bij de dokter van z'n leerlingen, ik had het niet gedacht. Ik met mijn ‘nieuwere’ opvatting, ik ben nog nooit bij 'n dokter van een leerling geweest, dat is nog nooit voorgekomen.... ‘Naar Louis-tje z'n dokter, zie je,’ ging Kraak verder. ‘En die heb ik gevraagd: kan dat, kan ik het jong telkens als-ie op school komt 'n beetje extra laten aanpakken. Nou, die dokter zei: als hij z'n zin kreeg, ging die jongen helemáál niet meer naar school. Maar ja, hij moet toch zo'n beetje lezen en schrijven leren, hè, dus laat-ie het dan een beetje meer kalmpjes aan doen.... Enfin, 't kwam hier op neer, dat ik begreep, dat het voor de jongen beter is, als-ie nu blijft zitten. Dan kan het bij jou weer wat verzuimen lijden, en scharrelt-ie dan misschien toch 't school nog door. Stom is-ie niet, hij is eerder glad, maar dat voortdurende moeten verzuimen nekt-'em | |
[pagina 216]
| |
natuurlik. Alleen zou 'k het beroerd vinden, als jij hem 't volgend jaar metéén weer liet zitten. Dàn zou 'k hem net zo lief houden....’ Ik stond half verstrooid te luisteren; want ik voelde dat Kraak toch niet er toe komen kon om precies te zeggen wat hij bedoelde - en ik had al lang begrepen, volkomen begrepen wat hij eigenlik wou. En ik zei dan ook: ‘Och, kijk 'es. Hij is natuurlik nu al 'n stuk te oud?’ ‘Natuurlik. Ik heb hem van v.d. Lee gekregen, die heeft hem twee jaar geleden as-de-bliksem laten zitten, toen d'r maar wàt aan mankeerde; en ik had eigenlik gehoopt, 'em wel mee te slepen, maar waarachtig 't gaat niet, vooral nou die dokter zo waarschuwt....’ ‘Nou maar, jij hebt het twee jaar geprobeerd, ik hou 'em ook minstens twee jaar, hoor. En dan is 't voor dat laatste jaar ook niet meer de moeite waard, denk ik zo, dus....’ Kraak knikte, en sprak, wéék voor zijn doen: ‘Kijk Staal, 't zit feitelik zo: 't kan best zijn, dat de stakkerd al dood is over 'n paar jaar. Als ik dat vooruit wist, dan hield ik hem. Maar als-ie leven blijft, dan is het toch óók weer zonde, als-ie van alles mist. Laat-ie nou bij voorbeeld 'es, je kan dat met kinderen nooit weten, laat-ie nou 'es zo langzamerhand wat steviger worden, dan kan het nog aardig met hem in orde komen, nietwaar. 'k Heb er al een tijd over lopen piekeren, en ik pieker d'r nog over. 't Scheelt zo veel, zie je, hoe jij het opneemt.’ Het was eigenlik zielig, zo smekerig die oue sterke stekelige Kraak daar tegen mij stond te pleiten, en ik wist dan ook niet beter te doen, dan te zeggen: ‘Nou, da's dan afgesproken, ik krijg Louis van Rijn, maar 'em dan nóg 'es laten zitten is onzin in dit geval. Nietwaar?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘en dan ga ik het zelf die moeder uitleggen, want dàt komt d'r óók nog bij: die denkt elke keer dat-ie weer 'es voor 'n dag of wat verschijnt, dat-ie dan wel even gauw de hele rommel inhaalt. En die dokter heeft het | |
[pagina 217]
| |
me zo duidelik mogelik gezegd: “aanstrengen” mag je 'm niet.’ De bel was al gegaan, en Kraak stapte weg.
Vanmiddag zijn we na vieren even bij elkaar gekomen in het kamertje, en we hebben afgesproken, dat we Maandag ‘verhoging’ houden. Koning z'n klas neemt morgenochtend afscheid, v.d. Lee trekt Maandagochtend meteen in Koning z'n lokaal, en in de loop van de morgen verhuizen we de een na de ander. 't Was in een wip geregeld, en Reinier vroeg: ‘Vertellen jullie me nou 'es, wat deed Van Arem nou indertijd met die verhoging?’ Toen heeft Koning wat herinneringen opgehaald aan die leuke komedie: 'n Paar dagen te voren kwam v. Arem de klassen rond, en vroeg geheimzinnig: ‘Krijg ik straks even 't lijstje van de zittenblijvers?’ Dan schreven we onze zittenblijvers op 'n lijstje, en v. Arem schreef ze in 't kamertje over op 'n groot vel papier. En dan kwam-ie op de dag van de verhoging met dat papier je klas binnen, en vroeg: ‘Meneer, weten ze 't al, wie overgaan en wie niet overgaan?’ Je zei dan: ‘Ja meneer, ze weten het al.’ ‘Prachtig,’ sprak hij dan, ‘dus dat zijn dan in deze klas....’ en hij las de namen plechtig op - en vroeg: ‘Klopt het, meneer?’ Je zei dat het klopte, en hij ging zo'n beetje midden voor de klas staan met een gezicht alof-ie speechen ging. Maar de speech bestond alleen uit: ‘Dan feliciteer ik degenen die verhoogd worden, en de anderen weten zelf wel, wat er aan gemankeerd heeft, en ze moeten dus extra d'r lui best doen. Meneer, als u hier 't lokaal verlaat, stuurt u dan hiernáást de boodschap dat ze komen kunnen?’ En dat was dan het ‘verhogen door meneer Van Arem.’ ‘Dus gewóón poppenkast,’ zei Reinier. ‘Ja,’ begon toen Koning weer, ‘maar ik heb het ook nog ànders meegemaakt. Wat we de laatste jaren hadden, was een overblijfsel. Daarvóór was het altijd zo, dat de kinderen | |
[pagina 218]
| |
nog niets wisten, als meneer plechtig met de lijst binnenkwam; dat hoorde zo. Maar zo langzamerhand is dat uitgesleten, trouwens, v. Arem zelf was het al overkomen, dat-ie bij dat van te voren vragen de geheimzinnigheid vergat, en hardop officiëel vroeg: “Meneer, krijg ik in de loop van de dag het lijstje van de zittenblijvers van u?” Nou, en dan hoef je niet te vragen, wie in het oog van de kinderen besliste over het verhogen. Wij natuurlik; zoals het trouwens ook wàs.’ Kraak beweerde dat v. Arem nog niet de beroerdste was geweest. Hij had ze wel anders meegemaakt. Hij had één patroon (Kraak gebruikt werkelik dat woord) gehad, die ‘wachtte een maand van te voren voorstellen in omtrent het zitten blijven der leerlingen’ zoals hij het bij rondschrijven betitelde. Trouwens, die rondschrijvens-ziekte was vroeger algemeen, zei Kraak.... En dan kwam-ie soms gewichtig ‘overleggen’ met je. Je liet er altijd te weinig zitten naar zijn zin. Nou, en dat wist je van te voren, en daar hield je rekening mee: je begon met d'r maar vier van de zes op te geven, en die twee liet je hem dan als sukses van 't overleg, hè. Nog vroeger had Kraak nóg andere manieren meegemaakt: de onderwijzers moesten een ranglijst van hun klas inleveren, en het hoofd zocht dan voor de hele school de zittenblijvers uit. Op de dag dat-ie ‘verhogen’ kwam was je als onderwijzer net zo nieuwsgierig als de kinderen, hoe 't zou zijn uitgevallen. ‘Maar had die man dan nooit 'es zo 'n vermoeden, dat-ie wel 'es onrechtvaardig kon zijn?’ vroeg mevrouw Troost, en juffrouw Veldman vervolgde meteen: ‘En duwde jij hem dat dan niet onder z'n neus?’ Kraak lachte. ‘Nou, ik hèb er wel eens herrie over gehad. Maar, zie je, de man had tot principe, dat eigenlik je hele klas te stom was om verhoogd te worden.... en daar stuitte je knapste redenering op af.’ ‘Hij had het mij anders niet moeten lappen,’ zei v.d. Lee plotseling scherp. | |
[pagina 219]
| |
‘Kerel,’ sprak Kraak veel gemoedeliker dan ik verwachtte, ‘kerel zeg dat niet. In die dagen, let wel hoor, in diè dagen, lieten we ons zovéél lappen. Die ouwe heer Smoor waar ik nu van vertel, was nóg netjes, dat-ie óns die ranglijst liet maken. D'r waren d'r zat, die dat óók nog zelf deden, die hielden “examen”, en het enige dat we mochten doen was de rommel nakijken en de fouten tellen.’ v.d. Lee haalde z'n schouders op, en nu werd Kraak eventjes nijdig: ‘Ja, jij zou de held gespeeld hebben in die dagen, de wereld heeft het niet getroffen met jou, dat je zo laat geboren bent.’ Het werd 'n ogenblik stil in 't kamertje. Toen zei Reinier: ‘Enfin, de lijstjes van de zittenblijvers wou ik toch ook wel hebben, mensen. Voor de administratie, hoor. Het plechtige oplezen moeten jullie zelf maar doen, ik hou niet van poppenkast.’ En zo zijn we dan naar huis gestapt. |
|