Schoolland
(1926)–Theo Thijssen–
[pagina 212]
| |
vrouw heeft me nu verteld van Konings merkwaardige bezoek in Mei, toen ik dagen buitenwesten lag. Hij kwam informeren, of er geen hulp moest zijn, hij heeft toen gezorgd voor die verpleegster, die ik op een morgen naast m'n bed ontdekte; en.... hij heeft ons vijftig gulden geleend! Ik ben er even stil van geworden. Het meest heeft me getroffen, dat Koning daárin gesláagd is: mijn vrouw dat geld te doen aannemen. Wat moet-ie dàt beleidvol en menskundig hebben ingekleed. Wat moet-ie op dat moment een prachtkerel zijn geweest van handigheid, dat-ie mijn vrouw d'r van overtuigd heeft, dat dit niet ‘gek’ was. ‘Het was vreselik attent van 'em,’ zei m'n vrouw, ‘ik vond het eerst niet prettig, ik zei dat ik jou vader en moeder wel schrijven zou, maar hij legde me 't zó uit: er kon dàdelik 't een of ander nodig zijn, en dan kon ik lelik verlegen zitten; hij vertelde hoe hij 'es indertijd bij de buren had moeten lenen, toen-ie 's nachts de dokter moest halen met een rijtuig, dat was ook geen lolletje. Hij zei: het kan best gebeuren dat je 't niet hoeft aan te spreken, maar leg het geld dan in je kast, dat is in ieder geval geruster idee, voor mij ook. En hij heeft gelijk gekregen: 'k heb het jà moeten aanbreken, de dag d'r óp al.’ En toen kreeg ik zo langzamerhand het drama in z'n volle omvang te horen: de oude lui hadden óók moeten bijspringen, twee keer met vijf-en-twintig gulden. ‘Och, hoe gaat 't in zulke dagen,’ zei m'n vrouw met iets als zelfverwijt, ‘je leeft feitelik d'r maar op los, dìt moet en dàt moet, het geld glipt je onder je handen door zonder dat je weet waar 't blijft.’ |
|