Schoolland
(1926)–Theo Thijssen–
[pagina 37]
| |
vakantie, dan pakken we stevig aan. De speech over de taalschriften heb ik helemaal vergeten te houden. Tekenen heb ik ‘vrij’ laten doen, dat deerniswaardige onbenullige geknoei, ik heb er in de ruimte m'n buik van vol; maar ik ga pas nà de vakantie ernst met het vak maken. Dan ga ik ook zien, voor Natuurkunde iets beters te bedenken dan dat malle gehannes met gewichten, dat ik tot heden voor Natuurkunde verkocht, of de generale repetitie van de zuivelbereiding, waar ik me ook al 'n keer of wat mee verveeld heb. Trouwens, de klas begint ook lijntrekkerig te doen. Alleen voor één bezigheid is er nog een zekere geestdrift: in het aanloop-kwartiertje vóór schooltijd zitten ze allemaal op de lei de omgekeerde tafels te maken, die ik uitgevonden heb voor Fok en Co. Dat lijkt wel 'n besmettelike ziekte geworden. Ze schijnen niet te kunnen velen, dat ik deze geleerdheid reserveer voor m'n aparte uurtjes met de drie achterblijvers. En 't fatale is, dat ze mij daarmee zo dwars zitten. Want nu konstateer ik èn bij Fokkie Goosens èn bij Leentje Roos weer zekere onmacht om deze dingen te onthouden. Vanmiddag nog. Kootje Kuiper was kranig, met die heb ik het gewonnen, maar de twee anderen.... Die hebben me toch met 'n angst naar dat getal 63 zitten staren, dat ik er wanhopig van werd! En niet dan na herhaalde vriendelike aanmoediging: ‘Kom, gisteren wist je het zo goed,’ heeft eindelik Leentje Roos de mond geopend en gezegd: 6 keer 8. En toen ik daarop Fokkie smekend aankeek, heeft die met irriterende verzekerdheid geroepen: ‘of 8 keer 6’. Ik heb ze maar weggestuurd. Na de vakantie zal ik met hen weer andere vormen moeten zoeken voor dat tafels-leren. En die dan geheimhouden voor de rest van de klas. Want anders maakt de klas zich ook weer van de nieuwe vormen meester - en Fokkie en Leentje worden wéér de stakkerds.
'k Heb ook van de week nog geprobeerd het misverstand met juffrouw Veldman uit de wereld te helpen. Maar ze viel me dadelik in de rede door te zeggen: ‘Och wat, laten we | |
[pagina 38]
| |
d'r maar niet meer over zaniken. De meisjes kómen niet meer toch.’ ‘Maar heus, ik had er niets tegen. Je hebt dat verkeerd begrepen, de kinderen hebben je nonsens verteld.’ ‘Ik houd me aan wat je zèlf gezegd hebt.’ ‘Dat was óók nonsens natuurlik. Ik maakte me driftig....’ ‘Nou, ik misschien ook. Laten we d'r maar niet meer over zaniken. Ze lopen tegenwoordig regelrecht naar boven, hoor. 't Was die eerste dagen zo'n soort malle bevlieging van ze, hè.’ Zo liep ongeveer het gesprek; want precies weet ik het niet meer. Ik geloof eigenlik, dat die hele scène, met die romantiese ondergrond waar ik aan dacht, 'n aardig voorbeeld is van het gewichtig màken van dingen door ze in een dagboek te beschrijven. Het werkelike leven is een veel oppervlakkiger gedoe dan men zichzelf bekennen wil. Neem nou die klas die ik gehad heb. Als ik me nu toch herinner, dat ik werkelik een beetje beroerd d'r van was, dat ze weggingen; dat ik mezelf eigenlik verweet, dat afscheid zo koud en koel te hebben gemaakt! En heel gemoedelik leven we maar weer verder, en zien mekaar niet meer. Hoe ze 't maken, of ze een baantje hebben, of ze het in die vervolgklas nogal stellen kunnen, mij gaat het niet meer aan. Niet één heb ik er deze veertien dagen teruggezien. Dat is niet eens: uitslijten; dat is doodgewoon ophouden, precies op datum, zóveelste Junie 's morgens om tien uur-zoveel. Neem nou Garres de Veer. Och, och, wat was het gewichtig, die verzuimerij, en die angst van dat jong, och wat was het een interessante zielkundige historie. Fuut, weg, 't blijkt romantiek, bedenksel, opschroeverij, ik weet niet eens of dit interessante jongmens vanmiddag school was, ik herinner me niet, hem gezien te hebben tenminste. Wat heeft mij gemankeerd, dat ik dit dagboek begonnen ben? Over heel de wereld staan duizenden schoolmeesters dag aan dag al die verheffendheden te bedrijven van tafels aan de kinderen te leren en leesbeurten te geven en zitten zij | |
[pagina 39]
| |
streepjes onder taalfouten zetten. Waarom zou dáár nu iets achter zitten, dat het gewetensvol optekenen waard was? Opschroeverij voor het ogenblik dat men er over schrijft - na 'n dag of wat blijkt het allemaal dezelfde grijze toonloze gewoonheid. Het rolt allemaal wel, zónder dat men er verhaaltjes over opschrijft. M'n vrouw vindt het natuurlik al krankzinnig, dat ik de laatste avond voor de vakantie zo toegewijd aan m'n schrijfbureau zit - ze moest 'es weten wàt ik eigenlik zit te doen! Een dagboek - niet om in te vertellen van haar en onze kleine meid, van de vier weken vakantie, die we met ons drieën buiten bij de oudelui gaan doorbrengen - neen, een dagboek over schoolgedoe. Hoe ben ik zo dwaas gekomen - om niet m'n eigenlike leven te maken tot een onderwerp van nabetrachting, maar mijn beroepsgeharrewar met al die vreemde kinderen en toevallige kollega's, waar ik na 'n dag of wat het ‘belangrijke’ niet meer van voel? Ik zal de voorbijgaande dwaasheid van dit geschrijf maar wegsluiten in 'n apart laatje van m'n bureau. Misschien was verscheuren en weggooien nog verstandiger, want na de vakantie verder te gaan.... 't zal al hard genoeg zijn, dan weer naar school te moeten. |
|