oog kreeg, en haar man en twee zoons had geroepen. Sinds die dag was het gebruik, hem te laten kruipen, wanneer men enige tijd wilde denken over een volgende tour.
Justinianus dacht na. Buiten, verwijderd in de al vallende avond, was nog het rumoer van de feesten te horen. Hij stelde zich de tonelen voor, zoals hij ze vroeger zelf had meegenoten; de wedstrijden, de drinkgelagen, het vechten - en tot slot de massale vrijpartij, tot iedereen, kinderen van elf, twaalf jaar inbegrepen, bevredigd en stomdronken op straat lag te slapen, halfnaakt, besmeurd en kleverig. Hij stond op en keek uit het raam. In het westen was een vage brandgloed boven de huizen te zien, en wolken pek-zwarte rook sloegen de hemel in. Hij herinnerde zich ineens, dat Gaius en Octavianus verbrand zouden worden, twee vrome, gevaarlijke en zelfs scherpzinnige priesters, die zijn gezag hadden ondermijnd, in de tempel, en ook door huisbezoek. Justinianus glimlachte, met een zoet geplooide mond.
Achter hem klonk nog steeds het geschuifel en, ongeregeld, de kleine kreetjes van het kruipdier. Hij was het wonderlijkste en meest kostbare speelgoed dat hij ooit bezeten had, dacht Justinianus. Onvervangbaar, speciaal door de inventiviteit op het gebied van nieuwe trucjes, die zijn dolle, Afrikaanse afkomst hem had geschonken. Hij draaide zich om.
‘Keizer!’ riep hij.
Daar beende het mannetje, de ingedeukte borst dwaas vooruit, op het gezicht een uitdrukking van onnoemelijke trots, door het vertrek heen en weer. Hij gebaarde (zoals ikzelf, voortreffelijk! uitstekend! dacht Justinianus) naar denkbeeldige slaven, schreeuwde op schorre toon ‘Messalina?’, maakte obscene gebaartjes, die vanuit dit kleine