| |
| |
| |
Tonny is beter dan Henk
Gedachten over kunst
Het was op een mooie zondagmiddag omstreeks twee uur, dat de jonge Lesley van der Noot - hij was een jaar of dertig, getrouwd en had een zoontje - aanbelde bij het huis van de vijftigjarige Abraham van der Noot, zijn oom, terwijl hij dacht: het moet gebeuren, dus gebeurt het ook. De geheime - althans voor oom Abraham geheime - bijgedachte was, dat hij, Lesley, van dit bezoek wellicht in de verre toekomst financieel beter zou kunnen worden, en zo is wel duidelijk dat dit geen onverdeeld aangename en integere middag zou worden.
De jonge, aantrekkelijke huishoudster deed al spoedig open, en begon dadelijk enorm te mopperen: ‘Zo, dag meneer van der Noot! Komt U binnen! Wat brengt U een mooi weertje mee! Heeft U dat besteld? Doet U de jas uit! Uw oom...’
Hij stapte met een vriendelijke glimlach de hal binnen, dacht een ogenblik - toen ze achter zijn rug de deur sloot - dat ze absoluut naakt was (onzin natuurlijk) en moest als altijd een zeer sterke neiging onderdrukken iets opzienbarends te vernielen, en dan keihard lachend maar weer weggaan, en innig tevreden. Hij trok zijn jas uit, pakte een knaapje, gaf hem het kledingstuk en het manneke holde weg naar de garderobe aan het andere einde van de gang.
| |
| |
Intussen zei de huishoudster: ‘Ik zal U even aandienen’, en verdween, zodat Lesley alleen bleef. Hij keek rustig om zich heen, naar de vertrouwde voorwerpen: uitstekende jachtprenten, een hertengewei, een opgezette egel (die op de kop een knopje had, en wanneer je daar op drukte zong een geheim mechaniekje ‘Ueber allen Gipfeln ist Ruh, in allen Wipfeln spürest du’, waarna het stilviel. Oom Abraham zei dan meestal ‘kaum einen Hauch’, tot verbazing van zijn gasten), een piedestal waarop een vaas met stoffige pluimen, een middeleeuwse kist, een marmeren zuil - allemaal lieve dingen, die Lesley aan zijn jeugd deden denken.
Met uitgestrekte armen kwam de nog vitale man op hem af. In tegenstelling tot Lesley, was oom Abraham rood in het gezicht, en hij verbreidde een geur van baardwatertjes en alcohol. ‘Beste Lesley’, mompelde hij, pakte zijn neef met zachte overredingskracht bij de arm en duwde hem de kamer binnen. ‘Goedenmiddag, oom’, zei Lesley. Hij ging in de hem aangewezen stoel zitten en keek eens rustig rond. Jaren geleden had zijn oom, ook bij een dergelijk bezoek, toen hij nog maar net zat, opgewonden gezegd: ‘Zal ik jou eens vertellen wat mijn laatste aanwinst is? Een hele oude neger! Prachtig! Vorige week gekocht! Hij zit hiernaast, in het logeerkamertje. Zijn ketting is net lang genoeg dat hij, als ik hem fluit, tot bij mijn stoel kan schuifelen, met sigaren, brandy, en alles waar ik trek in heb. Honderdveertien jaar is ie al, hij kostte toch nog bijna veertig gulden, maar dan kreeg ik er wel zijn blauwfluwelen pak bij, met gouden tressen, en zijn tennisschoenen. Ik zal hem eens fluiten.’ Oom Abraham floot, en er gebeurde niets. ‘Zeker weggelopen’, murmelde hij, schonk voor beiden een glas whisky in en begon het gesprek. Telkens verwachtte Lesley nu, dat
| |
| |
zijn oom alles opnieuw zou vertellen, of dat er op een goed moment waarachtig een neger zou binnen krabbelen.
‘Een whisky?’
‘Graag’.
Oom Abraham schonk. ‘Ik heb een reproductie van Vincent gekocht’, zei hij.
‘Dat is fijn’, zei Lesley goed gemutst. ‘Is het een van de bekende?’
‘Ik weet niet wat jij bekend noemt!’ zei oom Abraham. ‘Maar ik zal je niet lang in het ongewisse laten: het is het bekende strand met schepen in Saintes Marie uit 1888’.
Ze klonken elkaar toe.
‘Vincent's mislukkingen waren het middel, zijn vermogen tot zelfverloochening te versterken en zich los te maken van alle persoonlijke ijdelheid’, zei Lesley na enig nadenken.
Oom Abraham knikte. ‘Zijn leven, zoals we dat nu in zijn geheel kunnen overzien, heeft veel van een legkaart, waarvan elk fragment vormeloos is, met bizarre contouren, onbegrijpelijk, maar dat plotseling ten volle zin en waarde krijgt, zodra het is ingevoegd in het totaal der andere fragmenten die, elk op zichzelf, ook onbegrijpelijk waren’, antwoordde hij. Hij nam een stevige slok. Lesley voelde zich behagelijk als de pest. Als oom Abraham op zijn kunststoel zat, kon men van een goed humeur verzekerd zijn.
‘Er zijn wel eens mensen’, zei hij, ‘die de invloed van Theo onderschatten. Volgens mij kun je die niet hoog genoeg aanslaan. Niet hoog genoeg.’
‘Ja. De bij hem gevonden warmte heeft Vincent van de wanhoop gered, en hem voorbereid op zijn ontplooiing, zijn bevrijding die hij zo nodig had.’
| |
| |
Ze zwegen een tijdje. Het was warm in de ruime kamer. Lesley dacht na, en keek af en toe glimlachend naar zijn oom, die hem waakzaam gade sloeg.
‘Vincent voelde grote deernis met de mensen.’
‘Dat was de andere kant van zijn apostelschap: de mogelijkheid, zijn somber lied te zingen en met zijn heftige maar niet hoogdravende middelen van de menselijke ellende te getuigen.’
De telefoon ging. Gespannen zaten beide mannen te luisteren naar het regelmatige rinkelen, tot het ophield. Even later trad de huishoudster binnen. ‘Telefoon voor meneer Lesley’, zei ze met haar liefste glimlach. Lesley verrees uit zijn stoel, terwijl hij bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok. Hij boog in de richting van oom Abraham, die ontevreden knikte, en ging naar de zijkamer. Hij nam de hoorn op, en zei: ‘Van der Noot hier.’
‘Eén nul’, zei de stem van zijn vrouw.
‘Wat?’ vroeg hij, terwijl hij zich zenuwachtig voelde worden.
‘Voor België. Daarnet. Die jonge van Himst maakte hem. In de achttiende minuut.’
‘Mmmm, mmm’, zei hij. ‘Nu, dank je wel. Dag, tot straks dan, hè? Daag.’ Hij legde de telefoon neer en voelde een diepe moedeloosheid. Verdomde stommerds, zei hij zacht. Hij liep traag terug naar de kamer, waar oom Abraham met de fles in de hand zat.
‘Toch niets met de kleine?’ vroeg deze.
‘Nee, oom’, riep hij met geforceerde kalmte. ‘Absoluut niets aan de hand! Een zakelijk puntje, waarover Lily het goed vond me even te bellen. Mijn chef had haar net aan de telefoon.’
‘Gaat het goed op de zaak?’ vroeg oom Abraham. Hij schonk beide glazen nog eens vol.
| |
| |
‘Och’, zei Lesley. (Nu oppassen. Niet te somber, zodat het zeuren wordt. Net iets van timide onlust, net iets van gedempt brommen; als een brandnetel, die niet te hard prikt, maar op de huid toch een zeker gevoel van onbehagen achterlaat). ‘Het gaat wel.’
‘Ze hebben geen prettige sfeer, bij jullie’, zei oom Abraham afkeurend. ‘Ze weten de ruimte geen functie te geven in het arbeidsproces.’
‘De kamers zijn nogal klein’, gaf Lesley toe.
‘En verkeerd ingericht. Wat jullie nodig hebt is goede reproducties aan de muur. Elk kunstwerk is kind van zijn tijd, en vaak is het de moeder van onze gevoelens.’
‘Dat zou zeker stimuleren.’
‘Natuurlijk.’ Oom Abraham schonk in. Ze dronken allebei snel. ‘Wat jullie missen is reproducties.’
‘Er zijn er wel. Allemaal abstracte.’
‘Ha!’ riep oom Abraham. ‘Dat is het juist. De voorstellingsloze kunst is voor wie een eerlijk oog van beschouwen heeft ten hoogste een zaak van verdwazing, doch in de ergste vorm een kwestie van gepreconcipieerd boerenbedrog. Tulpenhandel. Museumpolitiek.’
‘Maar dat is niet helemaal waar.’ (Voorzichtig. Straks gelijk geven, maar niet dan nadat ik wat argumenten heb gebruikt die hij dan zal kunnen ontzenuwen, en zo hier en in het hiernamaals gelukkig worden). ‘Neemt u nou de muziek eens. Dat is toch ook abstract?’
‘Dat is iets anders’, morde zijn oom, zakte onderuit in zijn stoel en ging Lesley kwaad liggen aankijken. Deze nam een makkelijke houding aan, stak een sigaret op en vervolgde: ‘De kunstenaar, voor wie nabootsing van de natuur, hoe kunstzinnig ook, geen doel op zichzelf is, de kunstenaar die creatief is en aan zijn innerlijke wereld gestalte wil en moet geven, ziet met afgunst hoe gemak- | |
| |
kelijk en vanzelfsprekend zijn bedoelingen in de meest immateriële kunst van vandaag, in de muziek, verwezenlijkt kunnen worden.’
‘Dat is iets anders. Dat is geen schilderkunst. De muziek heeft de factor tijd, de uitbreiding in de tijd ter beschikking.’
‘Ja. Maar de schilderkunst kan, hoewel haar dit voordeel ontbreekt, in één enkel ogenblik de gehele inhoud van het werk aan de toeschouwer openbaren, een eigenschap die de muziek weer niet heeft.’
Opnieuw ging de telefoon. Lesley rilde ineens. Ze hadden Henk Groot nooit moeten opstellen.
‘Voor U weer’, zei de huishoudster binnenkomend. Ze wierp oom Abraham een vragende blik toe toen Lesley de kamer verliet.
‘Een een’, zei zijn vrouw. (Een golf van plezier). ‘Ja?’ vroeg hij. ‘Tonny. Kreeg de bal op het middenveld, was ineens weg, passeerde drie Belgen, en d'r in. Pagano, tegen wie de K.N.V.B. wellicht maatregelen nemen zal in verband met zijn interlandreportages, stond zowat te schreeuwen van opwinding. Het is nu rust.’
‘Mieters’, zei hij. ‘Bedankt, zeg. Dag.’ Hij keek achter zich en de deur was dicht. Van der Linden, Tonny van der Linden mompelde hij, en ging weer terug naar de kamer. Daar zat oom. Zou de huishoudster zich ergens verborgen hebben? Ongerust keek hij om zich heen. Waarschijnlijk kon zij zich opvouwen als een slangenmens, en hurkte nu achter de boekenkast; straks zou ze opspringen, en met iets zwaaien: vlaggetjes, een lont, een voorouderbeeldje uit het Sepikgebied.
‘Abstracte kunst! Laten ze liever iets klassieks nemen! Dat heeft tenminste verheffing in zich! Van Gogh, daar is niet iedereen voor in de stemming. Iets van de oudheid!’
| |
| |
‘Op de kamer van de directeur,’ zei Lesley, ‘hangt een reproductie van een Egyptische vorst.’
‘Juist! Die koningen, daar trekt zo'n directeur zich aan op. Dezelfde eigenschappen en maatstaven die spreken uit de daden van de koningen en uit de woorden van hun berichtgeving en hun wijze lessen, treden ons uit hun portretten tegemoet als expressie van een hoge, gerijpte en beproefde menselijkheid (pl. VI a en b)’.
De rust zou nu wel voorbij zijn. Zat hij maar bij zijn vrouw, voor de radio. Of, nog beter, op de tribune in de kuip. Maar nee, oom Abraham moest zo nodig de zondagmiddag uitkiezen voor het bezoek.
‘Ja’, zei hij, zich vermannend.
‘Of iets van Mondriaan, als het dan per se modern moet zijn. Zo'n schilderij kan degene die er gevoelig voor is tot inkeer brengen. Het wordt bij het hervinden, als men er telkens naar opkijkt, meer en meer een levende geestelijke beleving.’
‘Dat is toch ook abstract?’ zei Lesley, oom Abraham zijn glas voorhoudend.
‘Mondriaan abstract?’ Terwijl hij inschonk barstte hij in een smakelijk gelach uit. ‘De oude fout. Natuurlijk is Mondriaan niet abstract. Als je er gevoelig voor bent.’
Lesley zweeg. Een grote somberheid begon bezit van hem te nemen. Het was nog altijd warm, de huishoudster zat nog verscholen, en achter het behang kon men de knapen horen rennen. Hij keek strak naar de Botticelli die boven de boekenkast hing, zo strak dat het paneel straks waarschijnlijk zou voorover hellen, losraken, en dan viel het op de grond, sterk craquelerend.
‘...zomin als zeg maar een Cézanne. Of zeg maar een Aert van der Neer. Net zo min. Ook niet.’
(Wat had oom Abraham gezegd, voor ‘zomin’? Waar- | |
| |
schijnlijk: Mondriaan is niet abstract. Wie weet was dat waar. Hij merkte, dat hij voor het idee begon te voelen. Het was niet zo gek, in feite. Het was aannemelijk, al zou men er aan moeten wennen).
‘Maar dat hebben ze niet, bij jullie op kantoor. Wat hangt daar? Abstract! Kandinsky zeker! Of Kokoschka!’
Lesley dronk snel. Even later was het twee-een: zijn vrouw belde op, en vertelde dat het een voorzet van Tonny was geweest. Eigenlijk was het voorbereidende werk al in de achterhoede gedaan; Klaassens had de bal opgebracht, en met een listig passje Moulijn aan het werk gezet. Die omspeelde de Belgische stopper, gaf door aan Tonny, die zich met een weergaloze schijnbeweging vrij maakte, en een voorzet gaf op de blonde kuif van Henk Groot, die maar voor het inkoppen had. Lesley keerde terug in de kamer. Een stemming van vredigheid en grote kalmte had zich van hem meester gemaakt. Hij keek uit het raam terwijl hij ging zitten en zag een groenwit geklede wandelclub voorbij trekken.
‘Al dat getelefoneer!’ mopperde oom Abraham.
‘De chef belt steeds mijn vrouw, om mijn advies te vragen’, zei Lesley.
‘Over de muurversiering?’ vroeg oom Abraham gretig.
(Ja zeggen. Een theorie opstellen, alle van Goghs en Botticellis ter wereld in ons kantoor, en Mondriaan ook; zeggen: wat zoudt u me raden, oom Abraham? Dan opspringen, en luidkeels snikken; klederen verscheuren, as op het hoofd, en de straat op, droevig klagend, klagelijk snikkend, zenuwachtig trekkend met het been. Daar zou de oude baas van opkijken).
Zo verstreek de middag. Het werd drie één door Tonny van der Linden, drie twee toen weer de behendige van Himst de bal uit een onmogelijke hoek achter Pieters
| |
| |
Graafland plaatste, en vlak voor het eindsignaal van de goed leidende scheidsrechter wist de opgedrongen Tonny de Belgische keeper na een voorzet van Sjaak Swart met een omhaal te verslaan. Oom Abraham sprak honderduit en Lesley, die zich volmaakt gelukkig en een beetje dronken voelde, luisterde doezelig toe, niet nalatende af en toe een vraag te stellen of een opmerking te plaatsen. Ondertussen dacht hij soms met trots aan de sluwe voorhoede, die de Rode Duivels viermaal had verschalkt.
‘Neem de architectuur bijvoorbeeld!’ riep oom Abraham. ‘Dat is de moederkunst, want zij is een sociale kunst, nauw verband houdend met het leven van de mens waaraan zij dienstbaar is, en geenszins een academische beoefening van toegepast ornament! Van Da Vinci tot Gropius en Frank Lloyd Wright...’
‘Wat denkt u dan van Piet Keizer?’ vroeg Lesley.
‘Piet dè Keyser’, verbeterde oom Abraham. ‘Maar daar weten we bijna niets van! Hij voltooide een beetje werk van zijn vader, en...’
‘En Swart dan?’ meende Lesley.
‘Swart? Pieter dè Swart! Wat spreek je slordig! Zeker, in zijn tijd een groot man; het Haagse Paleis aan de Lange Voorhout, de K.B., het blijven knappe gebouwen...’
‘En Van der Linden?’ vroeg Lesley dromerig.
‘Die ken ik niet’, zei oom kortaf. Het beviel hem niet, dat zijn kennis faalde; dat nu een goed gesprek zo eindigde!
‘Wie is dat?’ vroeg hij knorrig. Maar Lesley zweeg, stond op, en reikte oom de hand. ‘Het wordt mijn tijd weer eens’, zei hij.
‘Ja’, zei oom Abraham.
Lesley trok zijn jas aan. De huishoudster was nog spoorloos, en bevond zich misschien (dacht hij vaag) bij de knaapjes.
| |
| |
Even later liep hij rustig buiten, in de stervende zondagmiddag. In de verte kwam al wat rood boven de horizon.
‘Tonny’, zei hij, ‘is beter dan Henk.’
Geraadpleegde literatuur: |
Raymond Cogniat, Van Gogh, Uitg. A.W. Sijthoff, Leiden, 1962, vertaling Johan W. Schotman. |
Wassily Kandinsky, Het abstrakte in de kunst, Uitg. Het Spectrum, Utrecht, 1962, vert. Ch. Wentinck. |
Eberhard Otto, Geschiedenis van Egypte, Uitg. Het Spectrum, Utrecht, 1962, vert. Titia Jelgersma. |
L.J.F. Wijsenbeek, J.J.P. Oud, Mondriaan, Uitg. W. de Haan, Zeist, 1962. |
J.M. Richards, Moderne architectuur, Uitg. W. de Haan, Zeist, 1962, vert. J. van Nieuwenhuizen. |
|
|