| |
| |
| |
| |
| |
| |
De jas
Tegen de avond begon het te regenen. De aap, op zijn wiebelende stok aan het raam, keek suf naar de druppels. Af en toe beet hij naar het glas. Het was duister in de kamer. Hoboken lag met halfdichte ogen in zijn stoel, duttend. Het was nog geen tijd.
Toen hij de krissen, boven het dajak-schild gekruist, helemaal niet meer zien kon, kwam hij langzaam overeind, stak een lucifer aan en daarmee de olielamp. In de rose, porceleinen kap vlogen rookpluimen door het licht. Hij draaide de pit lager en keek naar Wisaksono.
‘Op!’ riep hij.
De aap vloog op zijn schouder. Hij kreunde een beetje, en wreef zijn grauwe wangen langs Hobokens hals, terwijl zijn lange staart over de rug van de meester bewoog, als een slimme vangarm. Hoboken liep langzaam naar de keuken en pakte de etensbus. Wisaksono gaf een krachtige gil, nam de bus over en vloog op de kast. Hoboken ging terug naar de kamer, waar nu de degens, krissen, schilden op batikdoeken weer te zien waren in de okerkleurige schemering van het petroleumlicht. De muren hingen vol.
Hij keek rond, dacht aan electrisch licht waar ze naar hadden verlangd en dat hij nu niet meer verdragen kon of verdragen wilde, uit verzet tegen Holland of liever: uit
| |
| |
verzet tegen niet-meer-in-het-bos - Holland op zichzelf was niet erg, maar... Hij pakte de slaoliefles, waarin hij de jenever had. Zo was het vroeger geweest in het bos. Jenever in de slaoliefles. Herberhold placht, als hij op bezoek was, te zeggen ‘daar zijn we zeker een uur eerder van in de olie’ - hoewel hijzelf zijn jenever in een whiskyfles bewaarde, wat toch nog walgelijker was.
Wisaksono drentelde de kamer in. Hoboken keek het dier na, dat dandy-achtig en vrij besluiteloos langs de meubels schoof, knorrend, zoals vaak na het voer. Het sprong in de leren fauteuil tegenover zijn baas en rolde zijn staart als een blaastoeter op. Ze keken een poosje naar elkaar.
Bierman kwam vroeger dan anders. Zijn jas droop van de regen, en er hing een geur omheen die niet van Nederland was.
‘Die jas stinkt naar het bos’, zei Hoboken.
‘Als het regent, ja. Altijd.’
‘Idioot.’
‘Gek, hè? Lekkere lucht... Ik word altijd kiedewiet als die jas nat is en als ik het ruik.’
Hoboken drukte zijn gezicht in de druipende jas en keek Bierman aan. ‘Het is sterk’, zei hij. Zijn hoofd suisde, en het was of het bos weer om hem heen lag, ruisend, fluitend, stinkend. Hij dacht aan de avonden, alleen, met Herberhold, met Bierman later. De boys vulden de slaoliefles en bakten viskoek. Het bos zuchtte en stonk. Maanachtige nevels en almaar geur, alsof het bos naderde, groter werd, een buik werd om hem heen. Bladeren, de kreten van nachtvogels, de geur van de olielamp en van het bos.
In de kamer schreeuwde Wisaksono. Hoboken werd
| |
| |
wakker, als uit een verdoving, en duwde Bierman het portaal uit naar binnen. De aap vloog op zijn stok en wiegde heftig op en neer. Hoboken drukte Bierman in de stoel van bruin en glimmend leer en schonk twee glazen vol.
‘Skôl’, zei hij.
‘Van de frisse.’
Ze dronken. De regen tikte overal op het huis. De olielamp knapte af en toe, de aap jankte en reutelde, vloog van stok naar de schouders van Hoboken en terug. Er zouden tokeh's kunnen verschijnen, de schimmen van tokeh's met de echo van hun ratelend geluid, schorpioenen, muggen en de schim van geur.
Hoboken pakte de kaarten.
‘Hoelang ben jij nu al weer hier?’ vroeg Bierman, een vraag die hij al tientallen keren gesteld had, om na te kunnen denken, aanleiding te vinden voor het openlijk heimwee naar vroeger.
‘Zes jaar’, zei Hoboken, die de datum nauwkeurig wist. Hij keek Bierman aan: binnenkort zou de vraag komen, hoe hij het vond, Holland... Vraag het ook maar ook, dacht hij ontevreden. Maar er was waarschijnlijk meer drank voor nodig.
Hij deelde de kaarten en schonk jenever bij. Wisaksono sprong snuivend op de tafel en keek zijn baas aan.
‘Twintig’, zei Bierman.
‘Dertig.’
Op zes gulden vielen Hobokens azen onder een kleine full-house van Bierman. Ze speelden een uur.
‘Hoe bevalt het jou eigenlijk, hier?’ vroeg Bierman, vrij plotseling. Hij maakte een snorkend geluid, dat vroeger nogal populair was geweest, Herberhold kreeg er soms een halve lachstuip van en vooral de jongens konden het
| |
| |
niet genoeg horen. ‘Toean Snork’, heette Bierman, als het wat later op de avond was geworden. Hoboken liet ze soms wel 'ns een fles, die ze hurkend achter in de galerij opdronken. Bierman verdeelde zijn geluid zo goed over de avond, dat zijn succes iedere keer groter werd. Eddy, de kleine javaan van wie Hoboken de aap Wisaksono gekregen had, als afscheid, placht Bierman aan te kijken met weinig minder dan liefde in zijn zwarte, ovale ogen - ‘liefde voor een snork’, zei Herberhold.
‘O, ik weet niet..’ zei Hoboken vaag. Ik weet het inderdaad niet, dacht hij. Soms, soms...
‘Ik vind het rotten’, zei Bierman heftig. Hij greep naar de oliefles. ‘Ik ging morgen terug, als 't kon.’
‘Het kan’, zei Hoboken.
‘Waanzin.’
‘Natuurlijk waanzin. Maar het kan - ik bedoel, als je absoluut wil, als...’
‘Ik ga hier kapot’, zei Bierman. Hij pakte de kaarten van de tafel, streek door zijn haar, liet zijn ogen dwalen door de kamer. ‘Als ik hier die verdomde - die lucht van die olielamp ruik en jenever drink uit die fles van jou, en je smoel... en dat verrotte piepen van die aap...’
‘Lekkerrr sentiment -’ ratelde Hoboken. Hij dronk haastig zijn glas leeg, vulde het, dronk weer. De kamer zweefde door de geur heen, werd geur, veranderde krakend en met houten geluiden in het bos. De pest, dit soort avonden, dacht hij. Goed dat Herberhold al gek was, hij zou dit niet hebben kunnen verdragen. Zou tekeningen zijn gaan maken, met houtskool op het behang, op het plafond als hij er bij kon... van hantoe's, en van melancholische Europeanen in twee stukken, van voorhoofd tot kruis gespleten.
‘Heb ik je - zullen we de tekeningen van Herberhold
| |
| |
nog eens bekijken?’ Hij had er ineens behoefte aan, om zich veilig te stellen misschien. Zo was het tenminste nog niet, met Bierman en hem.
‘Kom maar op’, zei Bierman nijdig.
Hoboken scharrelde overeind, en dadelijk sprong de aap op zijn schouders, bevend en zich wrijvend langs de zijkant van zijn hoofd. Samen liepen ze naar de kast; hij pakte de kartonnen map en spreidde de zes prenten van Herberhold uit op de tafel. Bierman kwam naast hem staan. Wisaksono gorgelde stilletjes en bewoog als een kind op de schommel.
‘Ik vind nog altijd, dat we het hadden kunnen weten’, zei Hoboken.
‘Jezus, ja, achteraf... Maar hij was niks gekker dan wij, if we were any...’
‘En dat dan?’
Het was een lompe schets van Wisaksono. Hoboken herinnerde zich nog precies de avond waarop het was gemaakt: ruim twee maanden voor de echte, eerste aanval. De smalle aap had in zijn rechterpoot een kris waarop, als een gesnelde kop, een zelfportret van Herberhold: uitvoerig, vrij knap gedaan, met schaduwen grijs geveegd in de zwarte houtskool. Bovendien lachte het gezicht, om alles nog pathetischer te maken, en druppels bloed uit de hals kwamen nauwkeurig terecht in een jeneverglas dat weer onbeholpen getekend was. Zijn zelfportret had hij trouwens altijd beter kunnen dromen dan de vorm van een glas.
Op de linkerpoot (dat betekende iets, herinnerde Hoboken zich, links... maar het verdween weer uit zijn gedachten) balanceerde een kerktoren; de wijzerplaat van de klok had geen cijfers maar enkele tekens van de dierenriem. Achtergrond was bos, bos, holen en grotten van bos.
| |
| |
De aap sprong terug naar zijn stok en hijgde. Zijn staart sloeg tegen het raam. Buiten regende het nog, ruisend en grommend op het huis.
‘Nog maar iets’, zei Bierman. Hij schoof zijn glas vooruit. Hoboken schonk, en begon de tekeningen weer in de map te doen. Ze zonken volkomen synchroon in de diepe stoelen en grinnekten dom.
‘Wie weet, als wij er nog gebleven waren...’
‘Zat ik er maar’, zei Bierman. ‘Ik ga naar huis. Of kan ik hier slapen? Ik wil met de fles naar bed...’
‘Je kunt wel hier slapen. Maar ik heb geen dekens.’
‘Slaap ik onder m'n jas. Verdomd, die regen...’
Hoboken haalde zijn schouders op. Hij was loom en warm, en de kamer bewoog een beetje. De jeneversmaak was zacht op zijn tong. Zijn gedachten dwaalden ordeloos van herinnering naar herinnering. Er was niets aan te doen, nergens was iets aan te doen, en er was eigenlijk niets aan de hand, de zee klotst voort... ineens opschrikkend zonder te weten waarvan, merkte hij dat Bierman in zijn stoel in slaap gevallen was.
Hij stond op. Liggen laten maar, dacht hij. Toedekken, hoogstens... lekkerrr toedekken. Hij rook aan de jas, en plooide hem over Bierman heen. Die bewoog even, zei iets onverstaanbaars uit een droom en sliep verder. Hoboken ging weer zitten, dronk een slok jenever en speelde, de ogen half gesloten, lusteloos met de mooiste, scherpste kris die hij had meegebracht.
‘Verdomme’, zei hij zacht, ‘die jas stinkt naar het bos.’
Door de warmte in de kamer steeg er iets als nevel uit de jas. Geurige regen, die verdampte als een spook boven moerassige grond. Wisaksono wipte kakelend en snuivend op en neer op zijn stok. Hoboken liet de kris draaien, klemde de greep in zijn hand tot zijn knokkels wittig
| |
| |
geel waren, strak trommelvel. Het bos. Het bos. Het beest rook het ook, natuurlijk. Waarom was Bierman gebleven?
Plotseling deed de aap een razendsnelle sprong, naar zijn knieën waar Hoboken de kris niet snel genoeg kon weg trekken. Het smalle, bruinzwarte lijf scheurde open met een dwaas, krakend geluidje. Met een schreeuw van schrik liet Hoboken de handgreep los, en Wisaksono tuimelde over zijn knieën op de grond. Hij gilde schel, maar kort. Bierman werd er wakker van en geeuwde.
‘Stil maar, stil maar, stil maar, Herberhold’, zei hij mat. Hij hikte driemaal, snel achter elkaar.
|
|