| |
| |
| |
V
‘Hoe kòm je nou zoo gauw aan die malaria...?’ zei Blom nadenkend en keek peinzend de kale hospitaalkamer rond.
Pieter zweeg. Hij dacht aan Van der Steeg. Aan alle wijze lessen bij de ochtendkoffie. - Die had hem dan ook best kunnen zeggen, dat hij wat kinine moest slikken als voorzorgsmaatregel! - Verwijtend bedacht hij dit, maar hij zei het niet. Zelfs tegen Blom niet. Hij vroeg alleen: ‘Heeft de baas wat gezegd?’
Blom trok even met zijn schouders.
‘Natuurlijk... je weet, hoe de baas is... of nee, dat weet je natuurlijk nog niet. Nou, hij was zuur, als gewoonlijk...’
Pieter's oogen, diep gezonken en blauw omkringd, sperden zich in spanning wat wijder open.
‘Ja maar, zei hij iets over mij? Was hij nijdig, dat ik ziek ben...?’
Blom lachte. ‘Natuurlijk was hij dat. Hij heeft je uitgescholden voor al wat mooi en leelijk is. Snotsinkeh, snertvent, rotassistent, die de onderneming al geld kost, voordat hij nog iets gewerkt heeft! Salaris, medicijn, hospitaalkosten... Waarom ze in Holland niet beter uit hun oogen gekeken hadden en zoo'n rooie spiering als jij uitstuurden inplaats van een flinken gezonden kerel... Och, trek 'r je niks van an, Pot... Je zult nog wel meer en anders te hooren krijgen... Maar... dus je hebt niks noodig? Dan stap ik maar op... als er brieven voor je mochten komen, breng ik ze morgen mee... atjuu...’
‘Dag, meneer Blom, en wel bedankt...’
Hij zei het plichtmatig... Dan lag hij alleen. Hij staarde naar de kale witte muren. - Waarom ze in Holland niet beter uitgekeken hadden... - Een stem van vroeger zei ongeveer dezelfde woorden, spottend, geringschattend: - Wat denkt u wel? Voor Indië hebben we flinke, sterke menschen noodig! De maatschappij kan niet riskeeren...-
Op den leegen muur verscheen het gezicht van Knechtmans.
| |
| |
Het herhaalde een minachtende vraag: - Zóó, bent u daar eindelijk, u bent zeker Pot, hè? - Dan verdween het en Willemse met zijn treiterenden hoon kwam er voor in de plaats: - Jou kunnen ze daar toch niet gebruiken... daar ben je een veel te groote lamzak voor!-
Hij zuchtte, sloot zijn oogen. Minuten gingen voorbij en hij lag daar doodstil, met zijn handen slap en wit naast zich op de dunne deken. Maar dan ineens fronste hij zijn wenkbrauwen en onwillekeurig sloten zich zijn vingers tot vuisten. - En ik wil het en ik zál het kunnen en ik zèt het door en ik slik liever een kilo kinine dan dat ik 't opgeef. En niemand zal zeggen, dat ik een snertassistent ben en niet deug voor dit werk, die ellendeling van een Knechtmans niet en die beroerde Van der Steeg niet en die judas van een Willemse niet en ze zullen nog 's opkijken, wat een werk die rooie spiering van een Pot levert en ze zullen nog 's zien, hoe dat scharminkel van een rooien sufferd ze voorbij stevent en hoofdassistent wordt en baas wordt en misschien nog meer en met een kapitaal terug gaat en een villa koopt en een auto en den grooten meneer uithangt. En stikken en verrekken kunnen jullie allemaal... Pesten zullen jullie me niet... en met die smerige zwarte sallemanders van koelies zal ik 't ook wel klaarspelen!-
Hij was overeind gaan zitten in bed. Schudde de flanellen deken wat op. Oef, warm was dat ding... broeierig zoo'n bed... Op zijn kussen was een transpiratiekring. Hij draaide het om. En dan trok een weeë zwakte door hem heen. Hij liet zich achterover vallen. God, wat was hij moe... Maar hij zou den dokter zeggen, dat hij terug wou, terug móest. - Ik móet naar m'n werk, dokter... ik kán hier niet langer blijven... ik kán niet... ik kán niet...-
Dat bleef de laatste gedachte, klagelijk, hulpeloos. Ik kán niet... Hij had geen kracht meer om te denken... Waarop sloeg dat: ik kán niet... Ook op het terug gaan naar de onderneming? Oók op het wachtende werk? Op alles, wat hij woú en zoú?...
Drie dagen later werd hij uit het hospitaal ontslagen. Hij meldde zich bij den baas.
‘Ik ben terug, meneer...’
Een blik van Knechtmans over zijn nòg magerder gezicht en lichaam, waaromheen het witte pak slobberde:
| |
| |
‘Zóó?! En is 't nou uit met die kunsten? Of heb je d'r nog meer? Wat mankeert je nog meer, behalve malaria?’
‘Niks, meneer’.
‘Nou, ga dan maar naar huis. Blom zal je wel werk geven’.
‘Goeie morgen, meneer...’
‘Mòrge...’
Hij zat tegenover Blom aan tafel. Vol walging tegen de kostjes van Atoen. Taai, smakeloos vleesch. Klonterige, glazige aardappels. Waterige groente. Jus van naar 't blik stinkende boter.
‘Je moet nou goed eten, jô... denk d'r om. Zoo'n malaria pakt aan en als je je nou niet extra voedt, dan heb je 't zóó weer terug. Vergeet niet, hier is je lichaam nummer één. Zonder gezondheid ben je gesjochten. Hier wordt alleen gekeken, wat je waard bent en als je kaduuk gaat, dan kun je opdonderen! Dus vooruit, eten...’
Hij wurgde het eten naar beneden. Nam dan z'n kininepillen. In zijn ooren suisde en toeterde het. Hij voelde klam vocht op zijn voorhoofd losspringen.
‘En nou ga je vanmiddag maffen en je maft maar zoo lang door als je kunt. Morgen beginnen we met het werk...’
‘Ja, maar de baas zei...’
Blom wuifde een luchtige beweging met zijn mollige hand:
‘O, laat de baas in zijn eigen vet gaar stoven...’
‘Ja maar... Van der Steeg...’
‘Oók... Trouwens... laat dat nou maar aan mij over... je doet, wat ik zeg en de rest komt terecht’.
Pieter keek even op in de bolle, blauwe oogen met hun zachten blik. Hij wilde iets zeggen van dank, iets van deze vriendschap, die hem zoo véél waard was... Misschien zelfs had hij op dit moment in één stortvloed kunnen vertellen van wat hij altijd gemist had in zijn leven... juist déze sympathie ...juist deze manier van helpen... Maar hij vond geen woorden. De oude schaamachtigheid, de oude schuwheid drong die weg. En dadelijk was er de achterdochtige onzekerheid: - Wat zou Blom er wel van denken... als zelfs Marietje hem nooit heelemaal had kunnen begrijpen... als zijn eigen vader en moeder en Kees... en ook Lien niet, die hij immers zoo graag bewonderd had en gezegd had... dat ze bij elkaar hoorden... van hetzelfde maaksel waren...-
En misschien was er ook in Blom zelf een schuchterheid,
| |
| |
die de uiting van weekere gevoelens verwierp, ontdook.
‘Kom jô, schiet 'n beetje op, je ziet er nog belabberd uit! Ga naar je kooi...’
En dan kwamen de lange dagen van het werk en ze wilden in het begin geen einde nemen. Vijf uur, in de kille ochtend-donkerte, de eerste tong-tong. Bboemm-bboemm-bboemm... boemboemboemboemboem... Atoen of de boy aan de deur van zijn slaapkamer: - Bangoen toewan... opstaan toewan... - Aankleeden in den killen ochtendschemer. Muskieten. Koffie... Zijn maag verzette zich dikwijls. Zijn maag, vergiftigd met kinine, die in zijn trommelvliezen suisde en zong. Een slok, de rest liet hij staan. Blom's stem: - Ben je klaar, zeg? - Tweede tong-tong. In het schemerduister naar buiten. Donkere, norsche schimmen van naar het werk trekkende koelies, kouwelijk en onwillig, in elkaar gedoken, een schoffel over den schouder of een latexemmer in de hand. De latexloods. Walgelijke stank van coaguleerende rubber en lysol. Hospitaalbriefjes voor zieke koelies. Productie-opgaven voor de fabriek. Dan den aanplant in. Met het opkomen van de zon direct de warmte, groeiend tot versmorende hitte. Loopen. Urenlang. Kilometers ver. Tapsneden sondeeren. Wieders controleeren. Snoeiers controleeren. Afvoerwegen en bermen controleeren. Alle honderden en honderden kleinigheden controleeren, waaruit het werk van honderden koelies bestaat. Ook het leven van die koelies moest gecontroleerd. Of hun kamertjes in de koeliepondok niet vervuilden. Of het afval verbrand werd in de groote verbrandingsovens. Of de vuilnistonnen toegedekt stonden. Of het pondokterrein behoorlijk s hoon gehouden werd. Of er wel voldoende thee gekookt werd voor de koelies. Of de latrines na gebruik wel dichtgedekt waren. Of niet de afvoergoten voor dit doel gebruikt werden. Of...
Ontbijt. Haastig, met Blom's horloge op tafel. Tien minuten, een kwartier. Zuur, klef brood. Ranzige, oliedunne boter. Een spiegelei of worst uit blik. En dan weer loopen, loopen, loopen, controleeren, orders geven, berispingen uitdeelen... En dan kwam Van der Steeg in zijn nieuwe functie van hoofdassistent, volijverig met nog extra opdrachten en kleinzielig gevit. - Wilt u even meegaan naar de groote drainage? Wilt u even meegaan naar de wieders? O, komt u daar net vandaan, dat spijt me, maar ik wou er toch nog even heen. Ik
| |
| |
heb een boom gezien, die onvoldoende gesnoeid is. Ik heb een paar ondiepe tapvlakken gevonden. In veld no. dat en dat liggen een paar rubbercups op de grond...-
Of soms de baas met zijn humeur, dat hij thuis, bij Dinah, zijn huishoudster, niet durfde bot te vieren en daarom op zijn assistenten koelde. - Waarom, godverdomme, stijgt de productie hier niet? Kan hier niet wat dieper getapt worden? Vervloekte rotzooi altijd in deze afdeeling. (Dat zei hij in elke afdeeling). Meneer Blom, waarom staat die vervloekte regenmeter vóór de loods?! Laat u hem onmiddellijk verzetten!! - Pieter voelde zich zenuwachtig worden bij dit zinloos gescheld, maar Blom verloor nooit zijn kalmte. Bij de order van den regenmeter keek hij den baas peinzend aan en zei met zijn lijzige stem: ‘Goed, meneer, als u denkt, dat het achter de loods harder regent, dan er vóór, dan zal ik den meter dadelijk laten verplaatsen, maar... of 't verstándig is, weet ik niet’. Waarop de baas dan even uit het veld geslagen Blom nijdig aankeek, maar zweeg, omdat hij op dat effen, goedmoedige gezicht nooit iets vond om tot gemotiveerde woede over te gaan. Hij werd wat onzeker, mopperde in zichzelf door over de rotzooi van deze afdeeling en verdween.
Met Van der Steeg liep Blom wel gewillig en gehoorzaam mee, den bazigen toon en het superieure ‘u’ lankmoedig aanvaardend, maar tot onnoodigen spoed liet hij zich niet opdrijven. En Van der Steeg moest zijn overijverige vaart wel minderen om niet belachelijk te worden door meters ver vooruit te loopen. Soms probeerde hij dan de situatie om te keeren. - U hebt niet al te veel haast, dunkt me, menéér Blom! - Blom glimlachte vriendelijk op dezen schimpscheut. - Haast is nooit goed, menéér Van der Steeg, kent u het spreekwoord van den al te haastigen spoed...? - Van der Steeg was handig genoeg om op zoo'n sarcastisch-minzaam antwoord zijn opzettelijk machtsvertoon te laten varen. Verschool zich achter een gewild jovialen lach en zei iets van: ‘Idioot jij ook altijd, met je stomme gezegden...’-
Pieter had heimelijk pret om deze schermutselingen, voelde toch, hoe er langzamerhand, vooral van Van der Steeg's kant, een vijandschap begon te smeulen tusschen beide mannen. Daarbij trilde er een nerveuze genieting door hem heen en voelde hij zich als de kleine jongen, die opeens twee groote honden ziet vechten. Gewoonlijk wreekte Van der
| |
| |
Steeg zijn nederlaag op hem. En dadelijk, als Van der Steeg zich tot hem wendde, schoot deze zenuwachtigheid omhoog. Juist Van der Steeg was een van die menschen, waartegen hij het slechtst op kon, voor wier cynisme hij inwendig beefde, dien hij het meeste schuwde en tegelijk het felst haatte. Natuurlijk voelde Van der Steeg dat en vond het heerlijk deze prooi te hebben. - Ga jij maar aan je eigen werk, Blom, ik neem dat sinkeh wel verder mee.-
En dan begon de dressuur. Pieter durfde zijn eigen gang niet volhouden. Hij zou dat ook niet moeten hebben probeeren, want als sinkeh had hij niet de minste rechten. Hij moest dus het tempo van Van der Steeg wel overnemen. Als hij een pas achterbleef, keerde Van der Steeg zich om en vroeg schamper: - Zóó, lóópen hebt u dus zelfs nog niet geleerd? U moet niet denken, dat u meneer Blom kunt na-apen! Stapt u maar gerust een beetje vlugger aan, daar zult u heusch niet van doodgaan. En als u er wel van doodgaat, doet u dat dan op uw eigen kosten en niet op die van de maatschappij’.
Met steken in de zij en moeheidskrampen in zijn beenen, vaak met beukende hoofdpijn van zwakte na zijn pas doorstane ziekte, duizelig van de vele kinine, maar zijn tanden op elkaar bijtend, draafde hij dan mee met Van der Steeg, die sterk en getraind was en voor wien deze groote, vlugge stappen niets beteekenden.
Pieter merkte, dat hij bij voorkeur de gedeelten koos, waar de meeste drainages waren, waar zij dus telkens moesten springen. Om de tien of twintig passen een sloot.
Kan me niet schelen, - dacht Pieter - en al jaag je me dood, ik zál 't volhouwen, al val ik er bij neer. - En dan Van der Steeg's kleineerend informeeren: - En... ne... meneer Pot, begrijpt u al wat van het Maleisch? Weet u bijvoorbeeld al wat tappen is en snoeien? En hebt u al geleerd een tafelmes te onderscheiden van een tapmes? Weet u al wat een tapvlak is? En 't verschil tusschen een spade en een schoffel... hebt u dat ook al geleerd? - ...
Hij stond dan even stil, vóór Pieter, stak een sigaret op, scheen toch te wachten op een antwoord, dat Pieter uitstamelde:
‘J... ja... meneer...’
Met zijn sigaret in zijn mondhoek, zijn eene oog iets dichtgeknepen, bleef Van der Steeg hem dan opnemen: - ‘Zóó, zóó... kom, kom... kijk 's aan... dus... e... u leert tòch
| |
| |
iets...’ - Bij zichzelf dacht Van der Steeg: - Met dien knul hebben ze me nou godbeter 't in één hut gedouwd! Rund! - En hij dacht terug aan de vale regenjas en de havelooze schoenen voor Pieter's couchette. Dan schoot zijn denken een seconde uit naar Lulu. - Hij kon haar wel 's een briefje schrijven, vanavond, als afwisseling op dit verdomd taaie, vervelende werk met die verdomd vervelende sukkels van sinkehs! - Toch zag hij dan het deerniswekkende in Pieter: zijn smalle borst in de doorweekte witte jas, zijn spichtig gezicht met de holle oogen, zijn nervositeit. Met een hoofdruk zei hij kort: ‘Nou gaat u maar naar huis, als u den weg tenminste kunt vinden!’ En terwijl hij de schrale, wat gebogen figuur tusschen de rubberboomen nakeek, dacht hij: - Die begraven we hier nog... enfin, niet veel aan verloren, bloedelooze lafbek!-
Eindeloos, eindeloos leken die eerste weken, die eerste maanden. Elken dag hetzelfde monotone arbeid. Maar hij leerde Maleisch. Hij kreeg wat meer zelfvertrouwen, leerde orders overbrengen aan de mandoers, hield soms alléén toezicht bij een ploeg koelies. Hij raakte gewend aan de vele lichaamsbeweging. Toch bracht elke middag dezelfde vermoeidheid. Soms vroeg Blom: ‘Zullen we nog even naar den heuvel?’ Maar dat sloeg hij altijd af. De rivier. Zonsondergang. Het oerbosch in den avondgloed. Mooi? Wel mogelijk, maar nog den heuvel op... nee, dat kòn hij niet.
‘Ik kán niet, Blom...’
‘Goed, goed...’ suste Blom, ‘doet er niets toe... dat hebben we allemaal gehad, die moeheid in het begin... laten we naar huis gaan, misschien is er post...’
Tegenover Blom hoefde hij zich nooit te schamen. Hij viel neer in een stoel, zijn beenen lang voor zich uitgestrekt, zijn hoed en stok naast zich op den grond. Atoen of de boy kwam wel om ze weg te halen. En dan pas, als hij zat, groeide zijn vermoeidheid ten volle uit. Als een lamgeslagen onmacht woog die neer in zijn armen en beenen, in zijn rug en lendenen. Een vermoeidheid, die te groot was voor rust of slaap. Die niet anders was, dan één groote, lichamelijke gebrokenheid... - Ik kán niet meer... en morgen móet ik weer... en overmorgen... en... God... - Dof en week werd zijn denken, een soort nevelig besef van dagen, die onherroepelijk en altijd
| |
| |
te vroeg aanbraken, grijs en eentonig voorbij gleden naar een afgrond zonder herinnering en éénmaal verleden zouden heeten. Ze hadden geen naam, geen datum, op vier na: tweemaal in de maand de uitbetaling voor de koelies en de daarop volgende vrije dag, de Hari Besar.
‘Zondag?...’ vroeg hij eens en dacht aan het bijbeltje, dat dominé hem als afscheid gegeven had en waaruit hij beloofd had elken Zondag een hoofdstuk te lezen. ‘Is hier geen Zondag?...’
‘Ben je gek!’ had Blom gezegd, ‘je hebt toch de Hari Besar, wat moet je nou met een Zondag?’ Blom's peinzende blik had zijn vragende oogen ontmoet en hij had uitgelegd: ‘Je hebt hier geen Zondag, geen enkelen Christelijken rustdag, geen Paschen, geen Kerstmis, niets. Elke rustdag is verlies voor de maatschappij en we werken toch al met Mohammedanen en Chineezen. En die kerels hebben al zooveel heilige rustdagen, waaraan we van het gouvernement niet mogen tornen, zoodat er niets anders op zit dan onze eigen heilige rustdagen maar op te offeren terwille van de portemonnaie, snap je? Mohammed en Boeddha brengen ons al zooveel verlies, dat we Jezus Christus dat privilege maar ontnomen hebben’.
Pieter had niet goed geweten of Blom spotte of het meende. Dat wist hij wel méér niet, bij Blom. Maar hij voelde, dat deze spot niet hèm trof en daarom piekerde hij er alleen over, hoe hij dat nu doen moest met dat bijbellezen, dat hij toch beloofd had en dat toch iets was, wat de Heere God van hem verwachtte, omdat hij immers van Christelijken huize was. Moeder had in die laatste dagen gezegd: ‘Jonge, er zijn natuurlijk geen kerken daar, waar jij heen gaat. Lees daarom elken Zondag een hoofdstuk in den Bijbel, dan doe je tenminste wat je kunt...’ En nu waren er niet alleen geen kerken, maar ook geen Zondagen...
Af en toe, als hij zich kleedde, kwam dat bijbeltje hem in handen. Hij bladerde er dan wel eens in, dacht daarbij aan moeder en Marietje en hoe ze samen naar de kerk gingen. Hoe ver was dat! En hóe lang geleden, dat hij met ze mee ging!... Hij rekende... Een half jaar was hij hier... was dat mogelijk? Zooveel langer leek het... En dan was er een vaag verlangen in hem naar zoo'n Zondagsstemming. Naar het beieren van de torenklokken... En dan rezen stukken en brokken van het oude stadsbeeld voor hem op... grachten
| |
| |
en bruggen, straten en gevels en de vele kerktorens elk met hun eigen klank en melodie... En tusschen dat alles doken de zachte rondingen op van Marietje's stil gezichtje... En zijn lippen prevelden een paar zinnen, die hij op goed geluk in het bijbeltje opsloeg, maar ze bleven leeg en zonder beteekenis en zonder troost... Het was of zij hoorden tot een zoo andere wereld, dan déze... - Láter misschien, - dacht hij - als hij zijn eigen huis zou hebben, dat kon niet meer lang duren...
Een enkele maal was er een brief van huis. Dan kwamen al die dingen van vroeger opeens wat dichterbij. - Lien verdient wat meer. Marietje komt dikwijls in het huishouden helpen. We hebben vandaag bruine boonen met spek gegeten. Kees heeft een week influenza gehad. De boomen langs de gracht beginnen al leelijk hun blâren te verliezen. Het is al echt herfst. - ... Herfst. Herfst?... Hier had de regentijd ingezet. Bij stralen plensde die elken middag neer. Ze kwamen dikwijls doornat thuis. En dat was hier de eenige verandering...
Op een middag was er een onbekende envelop. De hotelrekening. Stom en met ontzetten schrik staarde hij op het eindgetal: vijfentwintig gulden, zóóveel... Een kamer met badkamer. Twee glazen bier. Twee doozen sigaretten. Drie glazen kwast... Hij was heelemaal terneergeslagen.
‘Wat is er?’ vroeg Blom, ‘toch geen beroerde berichten?’
‘Vijfentwintig gulden hotelrekening...’ stamelde Pieter. Blom schoot in een lach.
‘Nou zeg, als je nooit méér beren zult hebben in je leven... Ben je gek, dat is niets...’
‘Meer dan tien percent van m'n salaris’, rekende Pieter vertwijfeld en hard op, ‘in één dag en één avond... is dat niéts...?!’
‘Och wel nee... smijt dat ding in een hoek... dat betaal je straks, als je wat geld hebt en dan merk je 't niet eens... We gaan zoo meteen naar de club, het wordt tijd, dat je weer 's onder menschen komt, je hebt toch al een aangeboren aanleg voor kongsikang...’
Pieter grinnikte. Van Blom werd hem geen enkel woord ooit een beleediging. Hij legde de envelop onder op de rottantafel en Atoen ruimde die den volgenden dag samen met de krant weg.
| |
| |
De club...
Lugubere houten keet onder een bruin blâren dak, half verscholen achter sombere oliepalmen. Een ruimte als een stal: grijze cementvloer vol gaten en barsten, kale, kleurlooze wanden met dwarse en loodrechte balken. Een schenktafel, een monstrum van een ijskist, een oud biljart, wat kreupele rottanzitjes en in het midden de groote ronde, ‘jonggezellentafel’. Dat alles overschenen door het trieste licht van verwaarloosde, rood-brandende of walmende petroleumlampen.
Elken keer wéér moest Blom er Pieter met geweld heensleepen. - Och, Blom, laat mij nou maar thuis, wat moet ik op die club, ik vin' d'r niks an, ik ken de lui haast niet en ik word zoo beroerd van al dat bier. - Maar Blom hield vol: - Je gaat mee en je leert de lui maar kennen en dan bèn je maar 's beroerd, maar hier verzuren in je eentje, dat is het gevaarlijkste, wat je kunt doen in dit land.-
Maar het gaf niets. Hij kòn zich niet leeren thuisvoelen in dien luidruchtigen jonggezellenkring. Hij ging onder in hun brutale vroolijkheid. Hij kon niet wennen aan hun ruwe jovialiteit, die aan de oppervlakte wel kameraadschap was, noodzakelijk gegroeid uit de omstandigheden, maar waar onderin altijd bleef de strijd voor zichzelf, het voortdurend verdedigen van den vierkanten meter grond, waarop elk stond: - Zóó, Van der Steeg, mooie hoofdassistent met je hoofdassistentsmoel! Met Nieuwjaar moet je je vast 'n bazenbakkes laten aanmeten, jô!... - Van der Steeg met 'n tartend lachje: - Dat 's een idee, zeg! En dan doe ik jou m'n afgedragen hoofdassistentensmoel over, want met die stomme assistententronie van jou maak je nooit promotie! - Algemeen gebulder. Er was appreciatie voor een houw en een slag. Er werd op gedronken: Proost! De kameraadschap was niet geschaad, maar de vierkante meter was verdedigd en behouden.
Maar met Pieter was dat anders. Het blééf, zooals het geweest was, dien eersten avond bij Blom: hij zat weggedoken in den versten stoel, vreemd buitengesloten van dien kring witte gestalten met nu bekende gezichten, zwaaiende armen, harde, rauwe stemmen en meedoogenlooze baldadigheid. Soms richtte zich dat alles tegen hem: - Zeg jij, rooie sprinkhaan, wat zit je daar weer te kniezen? Zou je nou niet 's eindelijk 'n beetje ontdooien, kongsikang! - Hij wist zich direct in een hoek gejaagd, als ze zoo alle aandacht op hem richtten. Schichtig en ontwijkend keek hij in hun lachende gezichten.
| |
| |
Hun daverende lach dreunde in zijn ooren. Verward stotterde hij iets. Wat móest hij ook zeggen, hij wás nu eenmaal niet slagvaardig... Soms waren de aanvallen indirect. - Zeg Blom, heeft die sukkel nou al een snaar? Waarom zorg jij niet, dat ie 'n meid krijgt. Of... hij is toch niet van je weet-wel-hè? Sinkeh's, die zoo lang zonder meid zijn, dat is altijd zoo... hm - hm!!-
Het eenige resultaat, dat ze hadden, was, dat hij vuurrood en onzeker werd, in elkaar dook als een geslagen hond. - Och, vervelende knul! - Ze lieten hem aan zijn lot over. Vernederd, vol ergernis om zichzelf zat hij dan daar in zijn stoel, automatisch het glas leegdrinkend, dat telkens vóór hem werd gezet en zoo gerakend tot een treurige, melancholieke dronkenschap. Zóó groot was hun onverschilligheid voor hem, dat ze hem zonder nadenken opnamen in de rondjes, die ze om beurten gaven. Tot eenmaal een van hen plotseling opstond, wat aangeschoten, en met uitgestrekten arm op hem wees. - Hé, zeg... jij beroerde klaplooper... zou jij er nooit 's over denken wat weg te geven? - Alle oogen naar hem en opeens had hij zich gevoeld tegenover een muur van vijandschap. Hij zocht Blom's blik. - Gééf dan een rondje, jô! - zei Blom, alsof hij hem een zetje in de goede richting wilde geven. - Goed... - stamelde Pieter vuurrood, - natuurlijk... wat willen jullie drinken? - Gejoel barstte los, waarvan hij zich vaag voelde als het gehoond middelpunt. - Bier!! - schreeuwde een stem, - en nou inhalen lui, wat die kongsikang ons te kort heeft gedaan... een flesch de man... boy! bon!!-
Het was bijna een jaar geleden, sinds voor Pieter een bon had gelegen. Toén, in het hotel, was hem dat een openbaring geweest van macht, vrijheid en rijkdom. Nu werd het hem het teeken van willekeur, afpersing en dwang. Gehoorzaam schreef hij: 14 flesschen bier, en onderteekende. En pijnlijk rekende hij voor zichzelf: 14 maal 95 ct...
Op de buggy reden ze samen naar huis. Vóór hen de lange, donkere weg tusschen de rubberboomen. Wrokkend herkauwde en herdacht Pieter den avond. - Als ik dát gezegd had... als ik zóó gedaan had... ik had dát moeten antwoorden... - Dan zonk hij terug in moedelooze neerslachtigheid en zei:
‘Ik ga niet meer naar de club. Nooit meer’.
‘Och waarom niet, Pieter...?’
| |
| |
Blom's vlakke stem prikkelde hem ditmaal. Het verzet, dat hij op de club niet had kunnen uiten, brak nu los in nerveus, geïrriteerd ruziezoeken.
‘Ik ben toch niet gek om me zuur verdiende centen op die zatladders te verknoeien. Ik ben hier gekomen om te werken en te sparen en...’
‘Rijk naar huis te gaan en een groote meneer te worden’, voltooide Blom kalm. Pieter was even uit het veld geslagen.
‘Ja...’ zei hij dan... ‘natuurlijk’. Even zweeg hij, dan vervolgde hij weer met uitdagende verdediging van dat, wat het pijnlijkste in hem schrijnde: ‘Ik heb die kerels toch niet noodig...’
‘Jawel’, zei Blom's stem in het donker, ‘dat is 't juist. Je hebt ze wèl noodig. Anders zou de club niet bestaan, want dan zou er niemand komen. Er bestaat niets zonder noodzaak. Menschen maken nooit iets, omdat ze het willen maken, maar omdat ze het moeten maken. Maar dat weten ze natuurlijk niet altijd... hindert ook niet... Niet dát, wat de mensch wil is het voornaamste, maar dat, wat hij doet ontstaan, want dat heeft een wet buiten den enkelen mensch om’.
Pieter begreep hem niet en dat wist Blom. ‘Ik bedoel, je moet je niet storen aan de lui, maar jij moet op de club komen, je mag niet in jezelf verroesten, je moet léven. Als je een bepaald leven gekozen hebt, dan moet je 't in z'n gehéél nemen. Je kunt nooit een gedeelte nemen, en dan verwachten, dat je de volle uitkomst krijgt. Dat is een som, die niet opgaat, snap je’.
In het donker trok Pieter zijn schouders op. Hij begreep Blom niet. En Blom begreep hem niet. Hij voelde een kring van eenzaamheid om zich heen groeien...
Een paar maanden later...
‘Ga je mee?’ vroeg Blom, ‘ik ga straks naar de club’.
‘Nee’, zei Pieter norsch, ‘ik ga niet. Ik heb hoofdpijn. Ik ben moe’.
Blom keek hem aan. Hij wist, dat Pieter loog. Wat hij in het werk om geen geld ter wereld bekend had, dat loog hij nu met gemakkelijke onverschilligheid.
‘Je noeft heusch niet om de lui weg te blijven. Pesten doen ze álle sinkeh's in het begin. Daar moet je aan wennen...’
Pieter kleurde. Besluiteloos staarde hij over de balustrade
| |
| |
van de voorgalerij in den tuin, over het warrige grasveldje en de verwilderende perken.
‘Begin...’ zei hij ineens en het rood op zijn gezicht werd dieper en pijnlijker, ‘maar ik ben nou een jaar hier. Er zijn jongere sinkeh's dan ik en zelfs die pesten me...’
‘Bijt dan ook, verdomme, eens van je af en zit daar niet altijd alsof je te beroerd bent om te praten! Iedereen vecht hier voor zijn eigen recht’. Er was, voor het eerst, een ongeduldige klank in Blom's stem. Pieter hoorde dien en alle sympathie voor Blom brak met één klap af. Hij voelde zich verworpen en gedwongen zèlf te verwerpen, als laatste redding van zijn gewonde ‘ik’. Hij trok zich terug in zijn diepste zelf en sloot hooghartig alle deuren. Mokkend bleef hij naar buiten staren.
‘Dus...’ vroeg Blom met een laatste poging... ‘je gaat niet mee?’
‘Nee, dank je’.
‘Allright, maar ik heb je gewaarschuwd. Je kunt hier niet avond in, avond uit alléén zitten’.
‘Ik kan het wel’, zei Pieter koppig, ‘ik vind het zelfs prettig. Ik verdom het om m'n geld te verzuipen’.
‘Uitstekend’, zei Blom koel, ‘dan... tot morgen’.
Hij stapte op de buggy.
Over de balustrade gebogen, bleef Pieter hem nakijken. Zag, hoe de buggy den tuin uitreed, langs het grasveldje, den weg op. Met plotseling in hem wegzakkende moedeloosheid liusterde hij naar den vlugge hoeftred van het paardje, hoorde hij, hoe dit geluid al verder, al verder ging. Dan was er het geratel over het eerste vlondertje en even later over het tweede. Heel zwak werd het geluid en verstierf tenslotte. De stilte herstelde zich, zonk over hem heen als een groote, wijde stolp.
Een poos bleef hij daar staan. Hij voelde een vijandigheid tegen Blom, die hem maar zoo gemakkelijk alleen liet. Er was melancholie in den aanschemerenden avond. Hij was gedrukt, voelde zich uitgestooten en onzegbaar eenzaam. Verlaten lag daar de weg. En daarachter stond de rubbertuin. Een woudduif klaagde zijn triesten roep: koerre koerroeóé, rrekoerróé. Stil gleed wat wind door de boomtoppen, die even wiegden met een moede, treurige beweging. Onderdrukt stemgezoem in de bijgebouwen en soms, daar boven uit, een hard scheldwoord van Atoen. Hij zag den avond komen en
| |
| |
binnenkruipen uit den aanplant, den weg over, de voorgalerij in. Het werd binnen donker, maar de boy bracht geen lamp. Nu Blom niet thuis was, werd er geen haast gemaakt met de bediening. Zelfs door Atoen niet. Wat was hij? Alleen maar een vreemde. Niet eens een gast. Niemand. Hij kreeg een hok om te slapen en een portie eten, die hij betaalde. Hij ‘woonde in’. Hij had geen eigen plaats. Niet eens een eigen bed. Het geleende bed van de Roestings. Het beddegoed was zijn eenig eigendom. Dat had Blom door Atoen voor hem laten koopen. Ze had er veel te veel voor gerekend. - Ze zal er wel 'n beetje op verdiend hebben, - zei Blom - maar als je nou bedenkt, dat èlke mensch op de ander verdient... waarom zou je dan verwachten, dat juist zij een uitzondering zou maken?... - Hij had toen willen antwoorden, dat ze niet zijn huishoudster was en maar liever niet op hem moest verdienen. Waarom hád hij dat ook niet geantwoord?... Omdat hij een afschuw had van geharrewar over zulke dingen? Liever slikte hij ze, maar dan was hij inwendig woedend.
Hij werd nu weer woedend bij het denken er aan. ‘Boy!!’ riep hij opeens, zijn stem uitzettend en het was, of álle haat en woede om dezen avond in dien klank verzameld werd: ‘Komt 'r licht of niet?!’
Toen wàs er licht. Wat moest hij nu doen? Den heelen avond in dit leege huis! Hij bladerde in een krant, in een boek. Hij had nu zijn Bijbel kunnen nemen, maar er was een te groote onrust in hem. Hij ging de zitkamer binnen, stond minuten lang met zijn hoofd tegen het gaas gedrukt, starend in de pikzwarte donkerte. En langzaam groeide uit dat donker een oud beeld op: het huis aan de gracht en de schuit op het water. De boomen met hun natte, verregende kruinen en stammen aan den kant. Vrouwen met rinkelende emmers en plassende bezems. De bloemenkoopman met zijn handkar... En daaroverheen lispelde en zoemde deze vreemde nacht zijn onbekende geruchten. Daarboven stond de stilte van een avondlijken hemel, die geen ander licht ontving dan van zijn eigen sterren. En er waren ál de vreemde reuken en geuren...
Bruusk keerde hij zich om en ging aan de schrijftafel zitten. Hij nam papier. Hij zou naar huis schrijven. Maar de brief werd niet, - zooals die nooit werd - wat hij bedoelde. Hij had gewild, dat er achter de woorden een schim zou oprijzen van deze alleenheid en vreemdheid en zijn verlangen naar een mensch, die heelemaal van hem en bij hem zou kunnen zijn.
| |
| |
Maar de woorden waren dood, vertelden alleen van alledaagsche gebeurtenissen... Ontstemd vouwde hij den brief toe en adresseerde dien. Terneergeslagen bleef hij dan zitten. Op het donkere schrijftafelblad lag de witte rechthoek van de envelop. In drie weken zou die thuis zijn... Thuis...
Hij steunde zijn hoofd op zijn handen en zijn gedachten werden traag en stil. Hij voelde alleen de leegte van deze vreemde kamer, in het huis van een ánder... Thuis...? Zou er dan nóóit en nergens op deze wereld een heelemaal eigen thuis voor hem zijn?...
De baas liep met Blom langs de afdeelingsgrens. Dáár op de kruising van twee wegen, die in een rechten hoek de afdeeling omsloten, stond een sinds maanden onbewoond assistentenhuis. Het stond precies op de grens van de onderneming en het oerwoud. Tot aan het huis waren de wegen goed onderhouden, maar dan verliepen ze in twee drassige voetpaden langs het bosch. Daarover kwamen, op vrije dagen, Maleiers uit hun kampongs om vruchten, groente en kippen naar de pondoks te brengen.
Achter het huis was kreupelhout-wildernis, een moerassig terrein, waar ééns het oerwoud gekapt was, maar dat later afgekeurd werd voor beplanting. En direct, nadat de laatste menschenvoet dezen grond verlaten had, waren uit den natten, broeienden bodem, struikgewas, jonge boomen, slingerplanten en hoog opschietend alang-alang-gras weer opgewoekerd, dubbel groeiend in den vollen zonneschijn, die breeduit en stovend van den hemel neerstraalde. Alles woekerde daar om het hardst, planten en dieren, schorpioenen, slangen, duizendpooten, mieren. En ook apen en tijgers vonden er een welkome schuilplaats. En zoo stond dat huis daar, een klein, vierkant houten gebouw op steenen neuten, onder een verkleurend rood zinken dak. Sinds maanden onbewoond, stond het daar, triest en verlaten, met neergerolde zonvoorhangen en gesloten luiken, waarvan er een paar ontbraken, zoodat de holle leegte van de kamers uit de groote, langwerpige openingen naar buiten loerde. Het stond daar in een drassigen tuin, met paden overwoekerd met onkruid, en een grasgazon, waar het gras onder overal heenstrekkende kruipplanten verstikte. Het stond daar, met zijn bijgebouwen in een nest van wild opschietende woestenij, weerloos in regenvlagen en neerbrandenden zonnegloed, de voorzijde naar den rubber- | |
| |
aanplant en de beide rechte, blanke wegen gekeerd, opzij en aan den achterkant beslopen door het oerwoud en de moeras-wildernis.
Knechtmans zag van dit huis niet anders, dan dat er drie luiken ontbraken. Hij wist ook, waardoor die ontbraken. Er drosten soms koelies en ook zij kenden de voordeelen van deze moeraswoekering, waar zij moeilijk opgespoord werden. Het waren deze koelies, die 's nachts de luiken uit hun hengsels lichtten en ze klein hakten en opstookten. Kregelig wendde hij zich naar Blom:
‘Is hier geen nachtwaker?’
Blom's bolle oogen staarden nadenkend in Knechtmans' ontstemden blik.
‘Nachtwaker...?’ herhaalde hij wat lijzig... ‘Och jawel, maar u weet het... als je niet bij zoo'n vent waakt, dan waakt hij ook niet...’ Blom deed een paar stappen naar de bijgebouwen, naar een deur van een der bediendenkamers, die met een ijzerdraadje, om een spijker gewonden, was toegemaakt. Hij wond het ijzerdraadje los en stootte met zijn stok de deur open. Een klein kamertje, een leemen vloer, stoffige, smerige wanden. Een houten slaapbank met een vettig matje. Op een balk een blikken olielampje, dat een breede, zwarte streep op den muur gewalmd had. Er lagen wat pisangblâren met rijstresten.
‘Hij woont hier wel...’ zei Blom... ‘maar u weet het... ze vinden het geen baantje om hier in hun eentje te zitten...’
‘Vinden het geen baantje, vinden het geen... ze hebben niks te vinden, meneer Blom. Ze zijn koelies. Ze zijn contractanten. Wat hebben die te vinden? Ze hebben te doen en daarmee, godverdomme, uit’.
Blom staarde voor zich heen in het koeliekamertje. Eindelijk zei hij langzaam:
‘Met contractteekenen worden het nog geen heremieten...’
Knechtmans keek Blom nijdig aan. Hij vond het een vervloekt vervelende gewoonte van Blom om altijd woorden te gebruiken, die hij niet kende.
‘Het kan me geen vervloekte sodemieter schelen’, viel hij uit, ‘wat ze wel of niet worden. Ik weet alleen, dat ze contractanten worden en orders op te volgen hebben... En ik weet ook, dat ik assistenten heb, om ze daartoe te dwingen en als ik assistenten heb, die niets over hun koelies te zeggen
| |
| |
hebben, dan kan ik die niet gebruiken. Hebt u dat begrepen?...’
Blom had zijn beide mollige handen op zijn heupen gezet. Zijn hoed was wat achterover geschoven. Hij knikte nadenkend, maar onverstoorbaar.
‘Wat denkt u, meneer Knechtmans, als ik nou 's verhuisde in dit huis? Dan kan ik hier dag en nacht zijn om toe te zien, dat Pasman niet naar de pondok loopt, maar op het huis past. Ik garandeer u dan, dat er geen luiken meer gestolen worden, want dan heb ik ze noodig, ziet u...’ Hij eindigde met zijn zachten glimlach en hief zijn blauwe kinderoogen naar Knechtmans' rood, opgezet gezicht. Knechtmans werd weer onzeker. Was die vent nou zoo verdomd stom en idioot, of deed die maar zoo? Bij de eerste de beste gelegenheid moest hij dien zien te loozen... Hij keerde zich met een ruk om.
‘Laat u dat snotsinkeh hierheen verhuizen en blijft u maar in uw eigen huis. Ik zal de timmerman opdracht geven de ontbrekende luiken te vervangen. Dat is overmorgen klaar. Overmorgen verhuist Pot hier heen. En geeft u hem dan een ploeg wieders en de snoeiers. Dan heeft hij zijn eigen werk. Dat samen wandelen in de kebon heb ik niet noodig. Verdomde rotzooi altijd in deze afdeeling...’
Blom volgde den baas op een pas afstand. Hij keek nog even om naar het huis. En hij dacht aan Pieter. Hij dacht er aan, hoe die hier wonen zou... Stomme, bokkige Pieter in dit stille, godverlaten huis aan den uitersten rand van de afdeeling, aan de rechte, rechte wegen, waarover haast nooit een sterveling liep, naast het suizende, zoemende oerbosch, in de dampen van moeras en wildernis... En dan keek hij weer voor zich, op den breeden rug van Knechtmans, op den vleeschrooden nek, die boven het witte boordje uitbolde. En voor het eerst trok er door zijn onschokbare, flegmatische lankmoedigheid een spontane afkeer... Hij voelde, dat hij dien rug en dien nek haten kon. Hij voelde, dat hij die heele ongevoeligheid haten kon, die alleen rekende met materieele schadeposten. Hij dacht: - ik moet dat stomme rund van een sinkeh zoo gauw mogelijk een goeie snaar bezorgen als hij daar in z'n eentje in dat beroerde eenzame huis zit. Ik moet zien, dat ik Asminah voor hem krijg. Asminah is een beste meid. Een meid voor sinkeh's. Voor zulke stomme ongelukken als dit Pot. En Asminah verdient ook een goede toewan...-
| |
| |
Knechtmans was plotseling stil blijven staan en Blom liep bijna tegen hem op.
‘Heeft dat sinkeh meubels?’ vroeg de baas, klaar om uit te vallen in een stroom van vervloekingen en verwenschingen aan het adres van het sinkeh als het soms geen meubels mocht hebben; als hij dus niet direct in het huis kon trekken, waarvan luiken gestolen werden en waardoor de onderneming benadeeld zou worden. Maar Blom's glimlach streek kalmeerend over dezen klaarliggenden aanval heen.
‘Hij heeft meubels... hij kan dadelijk verhuizen...’
Voor Blom uit liep weer de breede witte rug. En in Blom's gedachten rezen dubbele schrijftafels en kasten en rottanzitjes op. Hij was blij, dat hij indertijd uit verstrooidheid dien tweeden inboedel had gekocht. En hoewel hij nooit over een kerk of een bijbel dacht, had hij zijn eigen godsdienstige philosophie: de lieve God laat toch zelfs de grootste dwaasheid niet voor niets geschieden... Het korte moment van haat was in hem gezakt. Zijn dikke lippen tuitend tot een zacht gefluit, zoo zacht, dat de baas het niet hooren kon, was hij weer verzoend met de wereld en de menschheid. Hij keek naar den rug vóór hem, waarop de doorweekte jas begon vast te plakken en hij dacht: - Mag Joost weten, waarvoor zóó een goed is... maar ergens zal hij wel goed voor zijn... en z'n soesah zal die ook wel hebben... iedereen heeft z'n soesah... en iedereen heeft z'n beroerde eigenschappen... en nou krijgt Pot tenminste z'n eigen huis en z'n snaar en z'n meubels en dan moet hij maar verder zien, hoe hij er komt... ieder voor zich...
|
|