Castel Pelesch
(ca. 1890-1900 )–Carmen Sylva–
[pagina 143]
| |
De Tschachlau.In Moldavië bevindt zich een zeer hooge berg, de Tschachlau genaamd; hoewel in werkelijkheid niet zoo hoog als de Bucegi, geeft hij den indruk nog hooger te zijn, wijl hij zonder voorgebergte recht uit het dal oprijst, en zijn met sneeuw gekroonden top als een gedenkteeken van rumeenschen heldenmoed in de zon laat schitteren. Op zekeren vroegen morgen besteeg een beroemd oud berenjager met lichten tred den berg. Mosch GloantzaGa naar voetnoot1) stond wijd en zijd als een kloek jager bekend; men verhaalde van hem dat hij zelfs 's winters, met een brandende kaars aan den loop van zijn geweer, het hol van den beer betrad en hem op deze wijze doodschoot. Mosch Gloantza, kon ook mooi vertellen, en de jonge lieden, wien hij vaak met zijn verhalen den tijd verkortte, mochten hem allen gaarne lijden. Thans kwam hij in een dichten nevel, dien hij echter | |
[pagina 144]
| |
weldra achter zich liet, en daarboven wierp de morgenzon hare stralen over een smal bergvlak en bescheen het liefelijkste tafereel dat men zich denken kon. Een groep jonge meisjes was daar om een Mariabeeld verzameld, allen druk bezig het met bloemen en kransen te versieren, terwijl de witte zwevende nevel haar als een wolk van de aarde scheidde. Toen Mosch Gloantza het bergvlak bereikte, doorkliefde een bliksemstraal den nevel aan zijne voeten en dreunde de donder als een aardbeving in de diepte. ‘Aha! Mosch Gloantza!’ klonk het hem vroolijk te gemoet. ‘Welkom hier boven! Wij brengen bloemen aan de Heilige Moeder Gods, omdat zij hier altijd wolken heeft, en zie, nu heeft zij ons al regen gezonden! Maar kom, vertel nu eens wat, vertel ons iets moois!’ De oude man schoof zijn pelsmuts naar achteren en trok de borstelige wenkbrauwen op. ‘Wat zal ik u vertellen?’ ‘Van oude, oude tijden!’ riepen de meisjes en zij deden hem op een rotsblok nederzitten en verzamelden zich in een kring om hem heen. Sommigen vlijden zich op den grond aan zijne voeten, anderen bleven voor hem staan, terwijl enkelen op een vooruitspringende rots boven zijn hoofd verschenen en zich daar nederlegden om beter te hooren. ‘Weet gij,’ begon hij, ‘wie den Tschachlau gemaakt heeft?’ ‘Neen... Ja!.. Zeker!..’ klonk het in de rondte; ‘de goede God natuurlijk.’ ‘Misgeraden!’ riep de oude, ‘de goede God heeft de | |
[pagina 145]
| |
zon gemaakt en het koren en de andere bergen en rivieren... maar den Tschachlau, dien hebben de Rumenen gemaakt!’ ‘De Rumenen?’ riepen de meisjes als uit eenen mond. ‘Lang lang geleden, geen mensch weet hoe lang, woedde hier een hevige oorlog. De vijanden die tot aan de Dniester het land binnendrongen en moordend en plunderend voorwaarts rukten, geleken meer op wilde dieren dan op menschen. Zij waren klein van gestalte, hadden platte gezichten, zoo geel als citroenen, en hun oogen waren zoo klein, dat men die zelfs niet zien kon. Zij waren als aan hunne paarden vastgegroeid en verspreidden zich als een zwerm sprinkhanen over het land. Overal, waar zij zich vertoonden, was alles in een ommezien verwoest en bleef er niets dan de kale aarde over. De tijding hunner nadering had een ieder met schrik en angst vervuld, maar toch waren de Rumenen vast besloten hun grond tot het uiterste te verdedigen. Zij verbonden zich met een ander volk, een blank, rijzig, blauwoogig ras met lang, geel haar, en aldus vereenigd trokken zij naar de Dniester op, ten einde de afschuwelijke horden het oversteken der rivier te beletten. De strijd was lang en hevig en het water van de Dniester rood van bloed en met lijken als bezaaid, maar die wezens zonder oogen lieten zich door niets afschrikken. Hoeveel men er ook doodde, steeds kwamen er meer bij, altijd drie voor één die gevallen was. Zij hadden vergiftige pijlen, die nooit hun doel misten, en wanneer zij ze allen hadden afgeschoten, | |
[pagina 146]
| |
renden zij weg om aanstonds weder met lansen op ons los te stormen. Eindelijk vormden de lijken in de Dniester een brug, waarover de kleine paarden zich een weg baanden, zoodat de Ramenen zich achter de Pruth, een anderen stroom, moesten terugtrekken, om zich aldaar op nieuw te verdedigen. De slag duurde acht dagen lang; bloedrood ging de zon op, bloedrood ging zij onder en bloedrood waren de velden en wateren geverwd. Eindelijk sprak de vorst der geelharige mannen: ‘Wij moeten nogmaals wijken, doch waar kunnen wij een bolwerk tegen deze duivels vinden?’ ‘Wij hebben nog een schoon land!’ riepen de Rumenen hem den weg aanwijzend. ‘Luistert, mijne dapperen!’ sprak thans hun wijze vorst. ‘Dat een ieder van u een handvol aarde neme en die voor zich uitwerpe!’ Zij deden wat hun gezegd was, en daar zij zoo talrijk waren, hadden zij weldra een hoogen berg opgeworpen dien zij Tschachlau, en de geelharige mannen Kaukland noemden. Nog voordat de vijand kwam aanrukken, verhief zich de berg tot aan de wolken en weldra hadden de legerscharen zich op die onmetelijke hoogte tot den slag geordend. Hier waren zij de sterksten en konden zij elken aanval zegevierend afslaan. De duivels beneden evenwel besloten hen te doen verhongeren en omsingelden den berg, zoodat geen hunner meer naar beneden kon. Weldra waren alle levensmiddelen uitgeput, en met holle oogen tuurden de belegerden naar de vijandelijke scharen in het dal, die zich op hun akkers en weiden vetmestten, na eerst | |
[pagina 147]
| |
alle vrouwen en kinderen te hebben gedood en alle woningen in brand te hebben gestoken. Het hevigst kwelde hen de dorst. Daar de berg geheel kaal en zonder boomen was, kon er ook geen bron wezen, en elke kruik die uit het dal werd gehaald, kostte verscheidene menschen het leven. In dien uitersten nood gingen de vorsten reeds met elkander te rade, of het niet nog beter was een uitval te doen en in den strijd te sneuvelen, dan den vreeselijken hongerdood te sterven. Daar trad een jeugdige herder naar voren, een schoone jongeling met lange, zwarte lokken en oogen zoo zwart als kolen. ‘Dag en nacht heb ik zitten peinzen,’ sprak hij, ‘hoe wij den ondergang van die duivels daar beneden kunnen bewerken; want voor mijn oogen hebben zij mijn geliefde met hun lansen doorstoken, haar daarna op een boom genageld, hunne paarden er aan gespannen en haar zoo voortgesleept, totdat een bloedige streep den weg afteekende en er van het arme kind niets meer overbleef dan een lange haarbos, die zich vast om den boom had gewonden. Maar thans weet ik hoe mijn wraak aan hen te koelen, al zal ik daarbij zelf den jammerlijksten dood moeten sterven. Den door ons opgeworpen berg ben ik geheel rondgegaan en vond een plek gronds, die ondergraven en naar beneden gewenteld kan worden. Ik zal u de plaats toonen. Wanneer gij diep genoeg gegraven hebt, zal ik naar beneden gaan om die duivels daar te zeggen, dat ik hun den weg wil aanwijzen langs welken zij den berg kunnen bestormen, en wanneer ik dan op den alpenhoorn blaas, laat gij | |
[pagina 148]
| |
den berg naar beneden plotten, maar niet eerder. Eerst moeten er genoeg bij elkander zijn, opdat gij over de lijken en het puin heen u een weg kunt banen!’ ‘Hoe heet gij toch, gij dappere?’ vroegen de vorsten. ‘Ik heet Bujor.’ ‘Weet gij wel, Bujor, wat u te wachten staat wanneer zij uw bedrog ontdekken?’ ‘Ik weet het,’ sprak de jonge man somber. ‘Ik zag hoe zij een onschuldige behandelden; wat zullen zij dus niet een schuldige doen!’ ‘En zijt gij niet bevreesd?’ ‘Waarvoor zou ik bevreesd zijn? Het leven is mij tot last sedert ik mijne geliefde voor mijn oogen heb zien sterven! De dood kan mij niet afschrikken!’ Dag en nacht groeven zij nu een diepe gleuf in den berg en droegen zooveel steenen bij elkander als zij slechts konden vinden - een zware arbeid voor lieden, die door honger en dorst waren uitgeput. Maar eindelijk toch was de aarde los genoeg om bij den eersten stoot neder te storten en Bujor nam afscheid van hen, maakte het teeken des kruises en daalde den berg af. Beneden gekomen, verzocht hij den wachten hem voor den vorst te brengen, zeggende dat de belegerden bijna van honger omkwamen en hij velen van een zekeren dood wilde redden. Toen hij voor den gevreesden aanvoerder stond, sloeg zijn hart hoorbaar, want deze was inderdaad vreeselijk om te aanschouwen. Stel u het afschuwelijkste monster van boosheid en wreedheid voor, dat men zich denken | |
[pagina 149]
| |
kan, en dan nog is dit alles niets vergeleken bij den aanblik van den vorst. Hij grijnsde en lekte zich de lippen, toen Bujor zeide hem een plek te zullen aanwijzen, die geheel onbewaakt was en waar hij dus zeer gemakkelijk den berg zou kunnen bestormen.’ ‘Wanneer gij mij echter op een dwaalspoor leidt,’ sprak de vorst, ‘zal ik u zoo doen sterven, dat de dood u een zoete verkwikking zal toeschijnen.’ ‘Zoo zij het,’ sprak Bujor ernstig, en vroeg om een teug water. Een stikdonkere nacht, zonder maan of sterren, was aangebroken en in alle stilte rukten de vijandelijke scharen voorwaarts; de hoeven der paarden waren met stroo omwonden ten einde onhoorbaar den berg te kunnen naderen. Bujor liep tusschen twee ruiters, die hun smalle, loerende oogen steeds op hem gevestigd hielden. Hij ging zeer langzaam, opdat, wanneer hij het afgesproken teeken gaf, een groot aantal zich aan den voet van den berg zou bevinden; hij wist de juiste plek waar de alpenhoorn verborgen was en met een bonzend hart liep hij voort. Wanneer het hem eens niet gelukte zijn hoorn, zonder dat de duivels dit bemerkten, aan de lippen te brengen, wat dan?... Hij zag de zwarte massa zich voortbewegen en zich dichter om hem heen dringen; thans begonnen zij te stijgen, en hier lag de alpenhoorn verborgen. Bujor greep hem met vaste hand, zag nog eenmaal naar zijn vijanden om, maakte het teeken des kruises en blies uit alle macht. Op hetzelfde oogenblik werden | |
[pagina 150]
| |
hem de tanden in den mond verbrijzeld en sloeg men hem een strik om den hals. Maar alvorens hij het bewustzijn verloor, zag hij den berg wankelen, hoorde een gedreun als had de aarde zich geopend, daarna een algemeen angstgeschrei en tezelfdertijd lag hij te midden van duizenden zijner vijanden begraven. De Rumenen echter stormden over aarde en steenen en lijken van menschen en paarden voort naar het dal; de verwarring in de nachtelijke duisternis was zóó groot, dat nog jaren daarna de grond met schedels en beenderen als bezaaid was. Maar de vijand moest wijken en de Rumenen baanden zich een weg tot het gebergte, waar zij een veilige schuilplaats vonden. De duivels staakten nu hun vervolging, en begaven zich naar andere landen om die te verdelgen en te verwoesten. Bujor was evenwel niet dood; een groote steen had, in plaats van hem te verpletteren, hem tegen den aardval beveiligd, zoodat hij genoeg lucht had om te blijven ademen. Toen hij na verscheidene uren tot bewustzijn kwam, voelde hij den strik aan zijn hals en dien willende losmaken, stuitte hij op een koude verstijfde hand die het touw vasthield en niet geopend kon worden. Hij wilde nu beproeven den strik met zijn tanden door te bijten, toen hij bemerkte dat hij geen tanden meer had; en telkens wanneer hij zich bewoog, rolde er losse aarde naar beneden, zoodat de ruimte, waarin hij ademde, steeds kleiner werd. Langzaam en voorzichtig kroop hij nu naar de doode hand, maakte den strik losser en | |
[pagina 151]
| |
trok toen zijn hoofd er uit. Thans kon hij zich vrijer bewegen. Met de grootste behoedzaamheid begon hij nu als een mol de aarde weg te krabben; doch vaak was zijn arbeid te vergeefs. Telkens wanneer hij meende lucht te hebben, stiet hij op een doode die in den weg lag en niet weggeruimd kon worden. Huiverend van ontzetting bemerkte hij, dat hij soms, in plaats van in de aarde, in het gelaat in de oogen of in den mond van een doode greep, en enkele malen hoorde hij een zwak steunen, dat nog een vonk van leven verried. Maar eindelijk, eindelijk toch viel er door een opening, zoo breed als een vinger, een straal van licht; weldra had hij die nog een weinig vergroot en met volle teugen ademde hij de frissche lucht in, die hem in zijn graf tegenstroomde. Met een laatste inspanning aller krachten werkte hij zich naar buiten en viel toen bewusteloos neder. Hoe lang hij zoo bleef liggen, wist hij niet. Toen hij de oogen opsloeg, was alles doodstil om hem heen; vriend en vijand waren verdwenen en wat onder den berg begraven lag, stond niet meer op om te vertellen wat er geschied was. Bujor was zich geenszins bewust een heldendaad te hebben verricht, maar had slechts het gevoel een arm verlaten menschenkind te zijn, dat nauwelijks het recht had te leven, wijl hij voor vriend en vijand dood was. Hij werd evenwel door honger en dorst gekweld en sleepte zich naar het dal. Liever wilde hij door zijn vijanden gemarteld worden dan op zoo ellendige wijze, te midden van duizenden lijken, van honger om te komen. Maar nergens was | |
[pagina 152]
| |
een vijand te zien, en Bujor kon de rivier bereiken om zijn dorst te stillen. Daarna trachtte hij te ontdekken waar het geredde leger gebleven was, maar uren en uren ver in den omtrek was er geen mensch zichtbaar; alles wat beenen had, was gevlucht en wie niet vluchten kon, was vermoord. Bujor richtte nu zijn schreden naar het gebergte; dáár konden de legerscharen, die als van den aardbodem waren weggevaagd, zich verborgen hebben. Hij sloeg echter een verkeerden weg in en geraakte hoe langer hoe verder van hen af. Voordat hij hen bereiken kon, waren zij ook weder naar het dal getrokken. Eindelijk werd hij het vruchteloos nasporen moede. ‘Zij houden mij toch voor dood, waarom hen nog langer te zoeken!’ dacht hij, begaf zich dieper in het gebergte en ging weder evenals vroeger de schapen hoeden. Wanneer hij dan 's avonds den anderen herders zijne geschiedenis verhaalde, lachten zij over zijn fraaie verzinsels, want het krijgsgewoel was niet tot hen doorgedrongen; zij hadden die duivelen in menschengedaante niet gezien en Bujor's verbrijzelde tanden werden door hen aan de een of andere vechtpartij toegeschreven. ‘Bujor vertelt zoo lang totdat hij zijn verhalen zelf gaat gelooven!...’ zeiden zij onder elkander. ‘Die arme Bujor!’ riepen de meisjes, toen Mosch Gloantza eindelijk zweeg. ‘Wat is er van hem geworden? Is hij altijd daar gebleven? Is hij nooit voor zijn heldendaad beloond?’ Zoo klonken allerlei vragen verward door elkander. Mosch Gloantza had echter zijn tabak te voorschijn | |
[pagina 153]
| |
gehaald, zijn pijp gestopt, blies met welbehagen dikke rookwolken voor zich uit en schudde slechts het hoofd. ‘Ga hem zoeken,’ zeide hij eindelijk; ‘misschien heeft God hem tot belooning een lang, lang leven geschonken!’ ‘Dan is hij ons te oud geworden en zijn wij bang voor hem!’ riepen de meisjes lachend en dansten een Hora om Bujor te vergeten. |
|