Castel Pelesch
(ca. 1890-1900 )–Carmen Sylva–
[pagina 107]
| |
De heksenburcht.Wanneer men het Prahova-dal nadert, blijft de Cetatea Babei, de heksenburcht onzichtbaar, wijl hij achter den Bucegi ligt. Hij verheft zich echter als een hooge, slanke spits en schijnt van verre als met ruïnen bedekt; van daar tot aan den Jipi, ligt eeuwige sneeuw. In over overoude tijden, toen de wolven nog de kudden hoedden en adelaars en duiven te zamen nestelden, verrees aldaar een trotsche burcht, waar nacht en dag een geweldige drukte heerschte. Een aanhoudend kletteren en klateren werd er vernomen en honderden voeten trippelden ijlings heen en weder. 's Nachts brandde er licht in den toren, een reusachtig spinnewiel snorde onophoudelijk en een zacht, wonderlijk gezang begeleidde dit snorren en scheen daarmede maat te houden. De lieden uit den omtrek blikten angstig naar boven en fluisterden: ‘Zij is weder aan het spinnen!’ Men wist dat de bewoonster van den burcht een geduchte, alom gevreesde toovenares was, aan wie de aardmannetjes het goud uit | |
[pagina 108]
| |
de ingewanden der aarde brachten, opdat zij voor alle bruiden het gouddraadGa naar voetnoot1) zou spinnen, dat op den huwelijksdag haar bruidstooi vormt. Met hoopen werd het goud bij haar uitgeschud en wee het kaboutermannetje, dat niet de vereischte hoeveelheid had aangebracht! Hij werd tusschen den stam en den bast van een grooten boom geklemd, totdat hij zijn laatste korreltje goud had afgegeven; of wel, men klemde alleen zijn baard vast en dan kon hij worstelen en steunen en klagen.... de oude hield zich doof. Daarom had zij den naam van Baba Coaja gekregen, wijl zij zoo hard was als een broodkorst en zoo rimpelig als een oude eikenschors. Zij alleen kon die fijne gouddraden spinnen en had ze steeds voor honderden jaren in voorraad. Baba Coaja had een beeldschoone dochter, Alba de blanke geheeten; want zij was zoo blank als de sneeuw, die eeuwigdurend de bergtoppen bedekte. Daarbij had zij een huid als fluweel en donkere oogen als fluweel en haar even schoon als het gouddraad, door haar moeder gesponnen. Zij bleef altijd op den burcht opgesloten, want Baba Coaja had volop werk voor haar en niemand mocht haar ooit zien of van liefde tegen haar spreken. Zij moest al het gesponnen gouddraad opwinden en in onderaardsche kelders wegbergen, waar de voorraad voor honderden jaren toereikend was. Deze arbeid stuitte het schoone, lieftallige meisje | |
[pagina 109]
| |
echter tegen de borst, wijl de moeder, onder het spinnen, al zingende tal van booze wenschen en tooverspreuken mompelde, zoodat iedere vrouw reeds haar deel van ongeluk en zielesmart medekreeg, zoodra de gouden draden op haar hoofd hadden gerust. Vol treurigheid dacht zij dus aan al het onheil dat reeds van te voren over de arme bruiden was uitgestort. Eens dat haar moeder afwezig was, plaatste zij zich aan het spinnewiel en spon zelve een heel stuk goud, waarbij zij niets dan goeds wenschte. Toen Baba Coaja thuiskwam, werd zij woedend, sloeg hare dochter op de onbarmhartigste wijze en riep: ‘Gij zult niet eerder huwen voordat gij uw eigen werk weder herkent!’ Met deze woorden wierp zij het stuk bij het overige. Inwendig was de oude verheugd een voorwendsel te hebben om haar dochter bij zich te behouden, wijl haar voorspeld was, dat Alba zeer ongelukkig zou worden en vroeg zou sterven. Het eenige wezen dat zij lief had was dit kind; maar hoe zij zich ook beijverde Alba met fraaie kleederen en allerlei kostbare zaken genoegen te doen, zij was niet bij machte kleur op haar wangen of een lach om haar lippen te voorschijn te roepen. Het meisje dorstte alleen naar vrijheid, en juist hiernaar smachtte zij te vergeefs. Hoe gaarne had zij onder de schaduw der boomen willen wandelen, aan den voet van den berg waarop zij woonde. Hier boven groeide niets dan kort gras en de winter duurde er veel langer dan de zomer. Wanneer de wind om den burcht huilde, als wilde zij dien uit elkander rukken, voelde zij zich zoo treurig te moede; vaak zat zij voor den haard en | |
[pagina 110]
| |
staarde in de dansende vlammen zonder aan iets te denken. Menigmaal ook luisterde zij naar het onheilspellend gezang harer moeder, terwijl het snorren van het spinnewiel zich met het huilen van den storm vermengde, en dan vroeg zij zich af, waarom zij zooveel smart en bitterheid in het gouddraad van den bruidsluier spon, waarom alle menschen niet blijde en gelukkig konden zijn in den lachenden zonneschijn, die er altijd even vroolijk uitzag. Maar zij kon er geen reden voor vinden, en afgemat van het peinzen sliep zij eindelijk in. De rollen goud, in den kelder, zagen er alle precies hetzelfde uit; toch speelde zij er soms mede, stelde zich voor dat het menschen waren, deed hun allerlei verhalen en trachtte zich te verbeelden wat er alzoo zou geschieden met de verschillende bruiden, die eenmaal het gouddraad zouden dragen. Daar zij echter niets van de wereld en het leven afwist, waren haar geschiedenissen zoo vreemd en onwaarschijnlijk mogelijk. ‘Moeder,’ vroeg zij eens, terwijl zij haar kin op de hand liet rusten, ‘zijn de menschen geheel aan u en mij gelijk, of hebben zij een andere gestalte en andere gedachten?’ ‘Wat gaan je de menschen aan? Zij zijn allen zeer slecht en zouden je slechts kwaad doen, wanneer gij binnen hun bereik waart.’ ‘Maar onlangs kwam een prachtig mooi dier onzen berg opgeklommen, en daarop zat een wezen, veel schooner dan al onze kabouters; hij had zwarte lokken en in het geheel geen baard en droeg een purperen mantel.... was dat misschien een mensch?’ | |
[pagina 111]
| |
De oude verschrok hevig bij deze vraag en gaf toornig ten antwoord: ‘Als hij nog eenmaal hier boven durft te komen, zal ik hem den hals doen breken en zullen zij hem in het dal niet wederzien.’ ‘O, moeder! doe dat niet! Hij was zoo schoon!’ ‘Als gij nog één keer aan hem denkt, sluit ik je in den kelder op, dat zeg ik je, en laat je daar goud wegen, dag en nacht; gij voert in den laatsten tijd bijna niets meer uit en zit maar altijd te droomen en nuttelooze vragen te doen. Hebt gij dan niet alles wat je hart begeert?’ ‘Neen, moeder, ik wilde ook zoo'n prachtig dier hebben en daarop rijden. Hier zijn niets dan schapen, en daar kan men niet op zitten.’ ‘Dus zoudt gij nu zoowaar nog een paard willen hebben, dwaas kind! Ziet gij dan niet hoe gevaarlijk het is hier te rijden? Het gras is glibberig en de afgronden zijn diep; één misstap, en men ligt daar beneden verpletterd.’ Alba dacht er lang over na, waarom de bergwegen voor de paarden gevaarlijk waren, daar toch de schapen er zich zoo zeker op gevoelden; doch wijl zij niet meer vragen durfde, kreeg zij hierop geen antwoord. De aardmannetjes schenen haar nu nog veel leelijker toe dan te voren, en het goud wekte zulk een weerzin bij haar op, dat zij het bijna niet meer kon zien. Zij dacht slechts aan het schoone paard en aan den jongeling, wiens leven gevaar liep wanneer hij zich weder op den berg zou vertoonen. Waarom wilde haar moeder hem den hals laten breken? Ook hierop kon zij, on- | |
[pagina 112]
| |
danks haar langdurige overpeinzingen, geen antwoord vinden. Eenigen tijd daarna kwam de schoone jongeling weder den berg oprijden; door nieuwsgierigheid gedreven, wilde hij weten, wie er in dien ontoegankelijken burcht woonde, wiens muren louter uit rotsblokken bestonden. Hij was een koningszoon, heette Porfirie, en was gewoon alle moeielijkheden gering te achten. Met zijn onstuimige natuur was elke hinderpaal hem welkom. Wanneer men hem over trouwen sprak, zeide hij zijn bruid aan een draak te willen ontworstelen of haar van een rots te willen plukken. Op de gebruikelijke wijze zijn aanzoek te doen en bruiloft te vieren, daarvan wilde hij niets weten. Alba, na den geheelen morgen gouddraad te hebben gewonden, was juist bezig uit tijdverdrijf zich met haar sieraden te tooien. Zij had het lange haar gekamd en om het voorhoofd een dubbele rij paarlen gelegd, waartusschen zij aan de eene zijde een alpenroos had bevestigd. Haar gewaad was sneeuwwit, met een gouden gordel, en daarover hing een groen fluweelen mantel, die met paarlsnoeren aan de schouders was vastgemaakt. Om den blanken hals legde zij smaragden, zoo groot als duiveneieren, een geschenk der kaboutermannetjes, en zoo stond zij zich in den spiegel te beschouwen, hoewel zij daarin niet zien kon, hoe het groen fluweel haar gouden lokken een nog schooneren glans verleende. Neen, zij moest werkelijk slecht zien, of wel de spiegel was slecht; want zij sloeg zich wanhopig in | |
[pagina 113]
| |
het gelaat en riep: ‘Wat ben ik leelijk! Wat ben ik leelijk! Daarom verbergt moeder mij voor de menschen en geeft zij mij fraaie kleederen en juweelen, als aan een koningin, om mij te doen vergeten hoe leelijk ik ben!’ Op dat oogenblik hoorde zij hoefgetrappel op de rotsen en niet de grootste ontzetting staarde zij naar den schoonen vreemdeling, wiens leven gevaar liep wanneer hij op den burcht verscheen. Hij moest tot elken prijs gewaarschuwd worden. Vlug als een hinde vloog zij den berg af, met haar zwevenden mantel en fladderende lokken, die de zonnestralen schenen op te vangen. De jonge koning zag haar over de rotsen naar zich toe vliegen; hare voeten schenen nauwelijks den grond te raken en vol bewondering hield hij zijn paard in, zich afvragend welk koningskind, welke bergfee hem aldus tegemoet ijlde. ‘Terug!’ riep zij ademloos, hem met beide armen wenkend. ‘Terug! Ga niet verder! het zou u het leven kosten!’ ‘En al ware dit zoo,’ riep hij, ‘dan zou ik gelukkig sterven, daar ik het schoonste wezen heb aanschouwd, dat op den ganschen aardbodem te vinden is!’ Alba bleef voor hem staan; een vluchtig rood overtoog haar gelaat, en hem met groote oogen aanziende, vroeg zij: ‘Ben ik waarlijk schoon?’ ‘Ja, verrukkelijk schoon zijt gij, met uw gouden haar en uw gouden oogen, zoo schoon, dat ik u reeds van deze ure af liefheb!’ ‘En ik heb u ook lief!’ zeide het onschuldige kind, | |
[pagina 114]
| |
geenszins wetend dat men onder de menschen niet gewoon is te zeggen wat men denkt. Maar zeg niet dat ik gouden haren heb; goud is zoo leelijk!’ ‘Leelijk?’ riep de koningszoon lachend. ‘Dat heb ik nog nooit gehoord! Hebt gij dan zooveel goud gezien, dat gij het leelijk vindt? ‘Ach ja, ik zie niets dan goud; in plaats van groene boomen, goud, in plaats van bloemen, goud, in plaats van menschen, goud... altijd goud, hoopen van goud!’ Zij breidde verlangend de armen uit. ‘O! wat zou ik veel liever op dat schoone dier zitten! Ik heb nog nooit een paard gezien, mag ik het aanraken?’ ‘Ja zeker, streelen moogt gij het zelfs en bij mij opstijgen ook; gij kunt rijden zooveel gij wilt.’ Hij liet haar den voet op den zijnen plaatsen, en met beide handen trok hij haar voor zich op den zadel, sloeg den arm om haar heen en gaf zijn paard de sporen. Hij meende dat zij bevreesd zou wezen, maar daarvoor was zij te onschuldig; zij kende geen gevaar. Zoodra zij de rotsen waren afgedaald, liet hij zijn paard den vrijen teugel, en nu vlogen zij door schaduwrijke bosschen en met bloemen bedekte weiden naar het koninklijk slot. Alba juichte en klapte in de handen. ‘Sneller! nog sneller!’ riep zij verheugd. Zoo kwamen zij in de nabijheid der stad, die zij moesten doorrijden, om het op een heuvel gelegen slot te bereiken. Daar werd het meisje op eenmaal angstig. | |
[pagina 115]
| |
‘Zijn dat allemaal menschen?’ vroeg zij, terwijl zij stapvoets door de straten reden. ‘En blaast de wind die kleine huisjes niet om?’ ‘Wel neen!’ lachte Porfirie. ‘Hier waait het niet zoo hard als daar boven op den berg.’ ‘Hier, kinderen,’ riep hij, ‘hier breng ik u een koningin! Zij is een wonderbloem en ik heb haar van de rotsen geplukt.’ ‘Maar ik ben geen koningin!’ zeide Alba verschrikt. ‘Ik ben een koning, en daar gij mijn vrouw wordt, zijt gij koningin.’ ‘Uw vrouw? Maar moeder zegt dat ik geen man hebben mag.’ ‘Dat heeft zij alleen maar gezegd, omdat zij wist dat gij voor mij bestemd waart.’ ‘Zijt gij dan niet heel slecht?’ ‘Neen, ik ben niet slecht.’ ‘Dus zijt gij geen mensch?’ ‘Ja, dat ben ik wel.’ ‘Maar moeder zegt, dat alle menschen slecht zijn en dat ik niets met hen te doen mag hebben.’ ‘Wie is dan toch uw moeder.’ ‘Dat weet ik niet; zij spint goud.’ ‘Spint goud? Waarvoor?’ ‘Voor bruiden; maar ik wil op mijn huwelijksdag geen goud dragen!’ liet Alba er snel op volgen, en zij greep naar haar hoofd, als om dit tegen de zoo gevreesde aanraking te behoeden. ‘Dat kan toch onmogelijk anders,’ zeide Porfirie, ‘het zou al te veel verbazing wekken. Doch thans zijn | |
[pagina 116]
| |
wij thuis en rijden wij het voorplein op; nu moet gij vriendelijk tegen mijne moeder wezen.’ ‘Is zij oud en leelijk?’ ‘Neen, zij is zeer schoon en trotsch.’ ‘Wat is trotsch?’ vroeg Alba. Porfirie zag haar diep in de oogen; zij waren zoo helder en rein als de zon. Hij drukte het meisje aan zijn hart, wierp vervolgens zijn dienaren de teugels toe, sprong van zijn paard, hielp Alba voorzichtig afstijgen en gaf haar de hand om haar de breede trappen op te leiden. Zij traden eene groote zaal binnen; daar zat een rijzige statige vrouw, door een aantal meisjes omringd, fraaie, gele zijde te spinnen. Allen staakten den arbeid, rezen overeind en staarden met blijde verwondering naar het schoone paar, dat in den gouden glorie der ondergaande zon voor hun blikken verscheen. ‘Ziehier, moeder,’ riep Porfirie, ‘uw aanstaande dochter, mijn teedergeliefde echtgenoote, die ik vlak bij den hemel gevonden heb; en ik ben er nog geenszins zeker van, of zij niet een hemelsch wezen is, dat elk oogenblik de vleugels kan ontplooien om van hier weg te zweven.’ ‘O, gij wonderschoone vrouw!’ riep Alba, en viel op haar knieën voor de koningin, die haar dadelijk ophief en kuste. ‘En gij spint ook, maar veel veel mooier dan mijn moeder; want wat gij spint, is zoo zacht en fijn als bloesem en sneeuwvlokken!’ ‘Wat spint uwe moeder dan?’ ‘Ach, altijd dat harde, leelijke goud!’ | |
[pagina 117]
| |
‘Goud!’ klonk het van alle kanten uit den kring; enkelen lachten ongeloovig. ‘Kunt gij ook goud spinnen?’ ‘Ja, maar ik mag het niet doen.’ ‘Waarom niet?’ Reeds opende zij de lippen om te zeggen wat hare moeder onder het spinnen deed, maar plotseling overviel haar een zekere beschroomdheid en besefte zij op eenmaal hoe toornig men haar zou aanzien, wanneer de meisjes wisten dat haar niets dan onheil en smart in den bruidsluier werd geweven. En zij zagen er allen zóó gelukkig en beminnelijk uit, die booze menschen, voor wie moeder haar had gewaarschuwd, eigenlijk veel beminnelijker dan haar moeder zelve, die de aardmannetjes zoo'n geweldige vrees inboezemde. Zij werd uit haar pijnlijken toestand verlost doordien een der meisjes fluisterde: ‘Het kleed is van fluweel, echt wit fluweel!’ ‘En de juweelen! Van wie zijn die juweelen?’ vroeg een andere een weinig luider. ‘Van mijne vrienden, antwoordde Alba; ‘mag ik ze u schenken? Ik heb tehuis nog zooveel van dat speelgoed.’ En de smaragden van haar hals losmakend, gaf zij aan elk der meisjes er één van. Met de paarlsnoeren hadde zij hetzelfde gedaan, zoo de koningin dit niet had verhinderd. ‘Zijn uwe vrienden dan zoo rijk?’ vroeg deze. ‘Dat weet ik niet. Wat is rijk? Zij brengen alles in zakken uit de aarde naar boven, en wanneer zij niet genoeg brengen, worden zij gestraft.’ | |
[pagina 118]
| |
Het gelaat der koningin betrok; zij nam haren zoon ter zijde en fluisterde: ‘Dat meisje is niemand anders dan de dochter dier afschuwelijke heks, Baba Coaja. Voer haar snel weder terug waar gij haar gevonden hebt; zij brengt slechts onheil over ons huis.’ ‘Eisch dat niet van mij, moeder,’ sprak de jonge koning verbleekend. ‘Ik heb het reine, onschuldige meisje lief met geheel mijne ziel! En al ware zij Baba Coaja in eigen persoon, ik zou geen afstand van haar kunnen doen!’ De koningin zuchtte en beval een kamer, naast hare vertrekken, voor Alba in gereedheid te doen brengen; den volgenden dag zou de bruiloft plaats hebben. Met eigen handen wilde zij hare aanstaande dochter voor de plechtigheid tooien, doch had een zwaren strijd met haar, wijl deze geen sluier van gouddraad op haar hoofd wilde hebben. Als een gejaagde ree vloog zij door het slot, wierp zich wanhopig ter aarde en bad en smeekte, onder een vloed van tranen, haar dit te besparen. De koningin mocht met hare fraai gesponnen zijde haar als bruid tooien, maar niet met dat verschrikkelijke goud! Terwijl zij nog op hare knieën bad en jammerde, gaf de koningin een wenk; twee meisjes grepen hare handen vast, terwijl de derde den gouden sluier bevestigde. Allen verwachtten nu een hevige uitbarsting van toorn en vertwijfeling; maar Alba was op eenmaal heel stil geworden. Bleek als een doode boog zij het hoofd onder den last: ‘Gij zijt wreeder dan mijne moeder!’ sprak zij treurig; ‘zij wilde mij geen man | |
[pagina 119]
| |
geven, opdat ik niet ongelukkig zou worden; maar gij stort zelve het ongeluk over mij uit.’ Niemand begreep wat zij zeide, en Alba was niet te bewegen hare woorden te verklaren, hetgeen het algemeene wantrouwen nog vermeerderde. Zij zag er zoo treurig uit, dat het volk volstrekt niet het gelukkige stralende wezen van den vorigen dag in haar herkende, en de teederste liefdewoorden van haar jongen gemaal waren niet bij machte de wolken van haar voorhoofd te verdrijven. Aan het hof sprak men weldra van niets anders dan van de ongehoorde schatten der jonge koningin, en velen drongen er bij den koning op aan, dat hij die meer van nabij in oogenschouw zou nemen. Hem was het echter niet om die schatten te doen; hij was er slechts op bedacht zijn geliefde vrouw weer gelukkig te zien. Hij wilde den zonnigen lach van voorheen om hare lippen tooveren en meende, dat, zoo hij slechts de kostbare zaken haalde, die zij altijd bezeten had, hare vroegere vroolijkheid zou wederkeeren; medelijdend glimlachte zij immers over de kleine steentjes die de andere menschen juweelen noemden en kon maar niet begrijpen dat die dingen kostbaar heetten. Nauwelijks echter hoorde zij, dat Porfirie voornemens was naar den burcht te rijden of zij verschrikte hevig, en bad en bezwoer hem dit plan te laten varen! ‘Het zal uw dood zijn, dat weet ik zeker!’ Hij wilde daar echter niet van hooren, en hoe levendiger zij hem het gevaar schetste, dat hem wachtte, hoe meer juist het gevaarvolle van zijn plan hem toe- | |
[pagina 120]
| |
lachte; op zekeren dag begaf hij zich dan ook terwijl zij nog in een diepen slaap lag, heimelijk op weg! Door slechts enkele dienaren vergezeld, naderde hij den burcht; maar Baba Coaja zag hem reeds van verre en riep hem te gemoet: ‘Wees gevloekt! gij, die mijn kind hebt weggevoerd om het ongelukkig te maken! Ziedaar! verzadig de hebzucht, die u hier naar mij terugdrijft, ongelukkige! Ik heb niet naar u gevraagd, waarom zoekt gij mij?’ Met deze woorden schudde zij een eindelooze massa juweelen op de ruiters uit; maar onder het vallen veranderden de edelgesteenten in sneeuw en ijs en dwarrelden hen zoodanig voor de oogen, dat de ongelukkigen geheel verblind waren en den weg niet meer konden vinden. De meesten stortten in den afgrond; maar de jonge koning, die naar wraak dorstte en den burcht wilde naderen om den oude te verworgen, werd zoodanig bedolven, dat hij weldra geen lid meer verroeren kon, en alvorens hij nog een woord kon uitbrengen, was hij diep onder de sneeuw begraven. Baba Coaja lachte boosaardig. ‘Thans zal zij tot hem, niet tot mij komen, maar toch komt zij bij haar moeder en niet bij hem! Ik krijg mijn kind terug, dat niet in die slechte wereld en onder die gehate menschen blijven mag!’ En inderdaad, het duurde niet lang of Alba, afgemat van het zoeken en zwerven, kwam in haar wit fluweelen gewaad met stof bezoedeld den berg op ijlen. ‘Waar is hij?’ vroeg zij met bleeke lippen. ‘Zoo!’ sprak de oude, gij, die met een vreemden | |
[pagina 121]
| |
man zijt weggeloopen, komt thans terug en vraagt niet naar mij, maar naar hem! Hij is niet hier....’ ‘Dat is hij wel! Ik volgde zijn spoor tot aan die sneeuw daar!’ ‘Verder kwam hij ook niet!’ lachte de oude. ‘Hij is in uw edelgesteenten gestikt!’ Met een kreet van afgrijzen en wanhoop wierp Alba zich op de sneeuw en begon die met hare handen weg te ruimen. Maar te vergeefs. Het doodskleed, dat den geliefde bedekte, was te hard bevroren, en met den uitroep: ‘O moeder! moeder! wat hebt gij gedaan!’ viel Alba levenloos ter aarde. Baba Coaja, dit ziende, stiet een zoo vreeselijken vloek uit, dat de berg wankelde, hare burcht ineenstortte en zij, met al haar goud, onder de puinhoopen begraven werd. Op de plek echter, waar de schoone Alba den laatsten adem uitblies, ontkiemde een witte bloem in een wit fluweelen kleed, die men sedert dien tijd Alba Regina, in het Duitsch Edelweiss, genoemd heeft. Zij bloeit alleen dicht bij de eeuwige sneeuw die de geliefde bedekt, en is zoo rein en wit als Alba zelve was. ‘Misschien dat eens de sneeuw weer in edelgesteenten verandert, wanneer een reine, onschuldige jonkvrouw haar betreedt. Naar het stuk gouddraad, eens door Alba gesponnen, wordt nog steeds gezocht en elke bruid hoopt het te verkrijgen; daarom is geen harer bevreesd den zoo gevaarlijken bruidsluier op het hoofd vast te hechten. Allen meenen de uitverkorenen van het noodlot te zijn. |
|