Castel Pelesch
(ca. 1890-1900 )–Carmen Sylva–
[pagina 65]
| |
Omul.Ga naar voetnoot1)Een berg, die ‘De man’ heet! Is de berg zoo klein, of was de man zoo groot, dat men een berg naar hem heeft genoemd? En wat was hij dan? Een groote held, die veldslagen had gewonnen? Een kluizenaar, die in de wildernis huisde? Een roover, wiens naam men ter nauwernood durfde uitspreken? Een bedelaar, wiens afkomst niemand kende? Een keizer, voor wien het gansche rijk sidderde? De man!.... Ziehier zijne geschiedenis. Er was eens een jongeling, die door een brandenden dorst naar groote daden verteerd werd. Niets scheen hem te groot, niets te goed, niets te onbereikbaar toe om zijn droom te verwezenlijken. Hij hield van zijn land als van een geliefde bruid; hij gaf den armen zooveel hij kon; hij beschermde de vrouwen, zoowel rijke als arme, en verdedigde de zwakken.... maar dit alles was niet voldoende, op verre na niet voldoende om zijn hart rust te schenken. | |
[pagina 66]
| |
Want zoolang hij nog kommer en ellende en haat en leugen om zich heen zag, vond hij zijn eigen bestaan nutteloos; hij wilde alle menschen gelukkig zien. Zijn moeder was een edele, liefderijke keizerin, die als een heilige vereerd werd; zij bezat de gave, door oplegging der handen, kranken te genezen, en van heinde en verre stroomden de zieken naar haar toe. Men had haar dientengevolge meermalen vervolgd en belasterd, en eindelijk haar zelfs bij den keizer verdacht gemaakt, zoodat hij haar het genezen verbood en haar van het hof verbande. Zij trok zich toen in het gebergte terug, en ook daar bleef zij de weldoenster van het volk en hadden duizenden kranken hun genezing aan haar te danken. Weldra echter begonnen hare krachten te verminderen, en uitgeput van verdriet meer nog dan van het vele werken, legde zij zich neder om te sterven. Maar de zieken kwamen nog na haar dood, om door het aanraken van haar zerk weer gezond te worden. Zij had haar eenigen zoon niet mogen meenemen, maar hij sloop meestal stilletjes uit het paleis en bleef dan urenlang bij haar, aan hare lippen hangend, om elk harer schoone, edele woorden op te vangen, hare fraaie handen beschouwend, wanneer die kracht en genezing schonken. ‘Maakt u de menschen ook braaf, zoowel als gezond, moeder?’ vroeg hij haar menigmaal. ‘Als men gezond is, valt het gemakkelijk goed en braaf te zijn!’ antwoordde zij, en streelde het schoone hoofd van den knaap. | |
[pagina 67]
| |
‘Maar ik ben gezond en toch ben ik niet goed!’ sprak hij treurig. ‘Men wordt niet op eens goed, dat leert men, kind!....’ Zoo had de geliefde mond, nu door den dood verstijfd, vol wijsheid gesproken, en de knaap wierp zich in wanhoop naast het lijk op den grond. ‘Ik kan niet, ik kan niet leven zonder mijn moedertje!’ jammerde hij. ‘Moeder! mijn moedertje! Ontwaak! maak mijn hart gezond! het doet zoo'n pijn, moeder!’ Zwijgend stonden de lieden om de gestorvene en den weenenden knaap heen geschaard; niemand kon hier troost bieden. Wat hielp het hem of de anderen al hun tranen plengden of een onafzienbare schare de doode naar haar laatste rustplaats, in den schoot der aarde, geleidde? Hij voelde eene smart, die hem door de ziel vlijmde, die het licht voor hem verduisterde; want nu zijn moeder hem ontnomen was, bleef hij geheel alleen op de wereld achter. Gedurende de begrafenis was hij, zonder dat iemand het bemerkt had, verdwenen. Men had hem luide hooren snikken en de spade zien wegslingeren, waarmede hij aarde op de kist moest werpen, en daarna had niemand hem meer gezien. De keizer zond naar alle kanten boden uit om hem te zoeken, maar te vergeefs; zijn zoon en erfgenaam was verdwenen als had de aarde hem verslonden. Niemand wist, dat er in het gebergte een kluizenaar woonde, die zich voor dood had laten doorgaan en | |
[pagina 68]
| |
zich in een afgelegen spelonk verborgen hield. Eéne slechts kende zijn bestaan, was een vriendin voor hem geweest en had haar zoon bevolen, wanneer zij niet meer zijn zou, tot hem te gaan. Met de woorden: ‘Leer mij goed zijn!’ had de moederlooze knaap des kluizenaars drempel overschreden en zich in den donkersten hoek van zijn hol ter aarde geworpen, om daar wanhopig te liggen schreien, vele uren achtereen. De oude man zeide niets, maar streek met de knokkelige hand langs zijn gerimpeld gelaat en pinkte gedurig de tranen weg die in zijn oogen glinsterden. ‘Emanuel, mijn jongen,’ sprak hij eindelijk, ‘word als zij, dan zult gij goed wezen!’ ‘Maar zij had niet zoo'n onstuimige, wilde, gloeiende ziel als ik!’ ‘Weet gij dat zoo zeker? Wie zegt u, dat zij niet juist zoo is geweest als gij?’ ‘Als ik! Onmogelijk!’ ‘Er ging een groote kracht van haar uit, en kracht is in de dagen onzer jeugd onstuimigheid; gij weet niet hoeveel zij geleden heeft!’ ‘Niet zoo als ik.’ ‘Kind, kind, gij hebt nauwelijks uwe eerste schreden in het leven gedaan en meent nu reeds, dat geen smart de uwe evenaart. Gij denkt in deze ure slechts aan uzelven; dat heeft zij nooit gedaan!’ ‘Aan wie zou ik denken? Ik heb niemand meer op de wereld!’ ‘Aan wie?’ | |
[pagina 69]
| |
De kluizenaar wees naar het dal en plotseling togen hun, als in een visioen, beelden voorbij van al het lijden, van al de smart, van al de ellende op aarde geleden. Zij zagen lammen, blinden, kreupelen, armen, gevangenen, noodlijdenden, kranken, weenende vrouwen en kinderen. Dag en nacht ging de stoet voort; driemaal ging de zon op en onder, en driemaal de maan, en nog altijd zweefden de bleeke gestalten hen voorbij. Emanuel staarde ze aan en sprak geen woord. Eindelijk legde de kluizenaar zijn hand op de moede oogleden van den knaap, zoodat zij dichtvielen. Toen nam hij hem in zijn armen op, droeg hem in zijn hol, gaf hem melk te drinken en liet hem slapen, totdat hij twee dagen daarna verkwikt en versterkt wakker werd. ‘Weet gij thans, voor wie gij leven moet?’ vroeg de kluizenaar. ‘Ja,’ sprak de jongeling peinzend, ‘ik heb zoo verwonderlijk gedroomd, dat het mij is alsof ik de geheele wereld heb rondgezworven.’ ‘Ga dan onder de menschen dienen, niemand zal u herkennen, en wanneer gij mij noodig hebt, leg u dan slechts met de gedachte aan uwe moeder neder, dadelijk zult gij bij mij wezen. Draag echter zorg nooit iets te doen wat slecht is, want van dat oogenblik zou het beeld uwer moeder uit uwe herinnering verdwijnen en nooit vindt gij den weg naar mij terug.’ Met duizend heilige beloften nam Emanuel van den kluizenaar afscheid en begaf zich naar het dal om een dienst te zoeken. | |
[pagina 70]
| |
Hij was nog niet ver gegaan, toen hij een oude vrouw zag, die, met verscheidene pakken en zakken beladen, zich ter nauwernood kon voortslepen en telkens staan bleef om adem te scheppen. Verdrietig zag zij den jongeling aan, die haar vriendelijk groetend naderde, en beleefd vroeg of hij dezen zwaren last van haar mocht overnemen; hij zou dien gaarne voor haar dragen. ‘Maar de last is zwaar en de weg is lang.’ ‘Des te meer reden om u te helpen!’ antwoordde Emanuel vriendelijk, die alles van haar overnam en zóó vlug voortschreed, dat de oude moeite had hem te volgen. Zij liepen tot aan den laten avond en kwamen eindelijk aan een klein hutje. Daar legde Emanuel zijn last neder, groette en wilde zich verwijderen. Doch de oude vrouw, die hem opmerkzaam had gadegeslagen, hield hem tegen: ‘Wilt gij zonder eenige belooning weggaan? Waar blijft gij dan dezen nacht?’ Emanuel wees naar den grond. ‘Voor een nachtleger is in deze wereld rijkelijk gezorgd,’ zeide hij lachend. ‘Neen, mijn kind, dat was mijn bedoeling niet. In mijn hut zult gij een nachtverblijf vinden en ook spijs en drank; ik heb genoeg voor twee.’ Zij onthaalde hem op gulle wijze en vroeg hem, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. ‘Ik kom uit de eenzaamheid,’ zeide Emanuel, en ga een dienst zoeken.’ ‘En hoeveel loon verlangt gij?’ ‘Ik? Niemendal!’ | |
[pagina 71]
| |
Zij bereidde hem een leger en hij sliep den geheelen nacht rustig door. Toen de dag aanbrak, wilde hij zich zachtjes verwijderen, om de oude niet te wekken. Maar zij was reeds opgestaan en had melk en brood voor hem gereed gezet. Hij was verlegen over zooveel voorkomendheid, maar zij zeide: ‘Neem het goede, wanneer het u wordt aangeboden, al ware het slechts een kwartiertje slaap. En zonder belooning wil ik u ook niet laten vertrekken; gij zult op uwen weg toch al ondank genoeg aantreffen. Ik schenk u de gave, dat gij al het goede, wat gij ten behoeve van anderen doet, ook aan uzelven bewijst, of men u er dankbaar voor is of niet; maar ook uw slechte handelingen jegens anderen zullen op uw eigen hoofd terug vallen, of de menschen er u voor straffen of niet. Denk daaraan, mijn jongen.’ Emanuel vond het een zeer zonderling geschenk en wist niet of hij er mede verheugd moest wezen; evenwel bedankte hij de oude en vertrok. Daar vond hij een weinig verder een man halfdood op den weg liggen; hij was van een rots afgestort en lag met gebroken ledematen te kermen: ‘Mijn kind! mijn arm kind!’ Emanuel nam hem voorzichtig op en droeg den ongelukkige met de grootste moeite naar zijn woning, op een tamelijk verren afstand gelegen. Op den drempel van het huisje stond het liefelijkste wezen, dat hij nog ooit had aanschouwd: hoewel niet meer geheel kind, was zij nog niet tot vrouw ontwikkeld, en had groote, donkere, droomerige oogen en ravenzwarte lokken, die het fijne kopje omlijstten. Met den uitroep: ‘Mijn vader!’ hief zij verschrikt de kleine teedere handen omhoog en | |
[pagina 72]
| |
haar lelieblank gelaat werd zoo wit als de gekalkte wanden van het huisje. ‘Het is niets!’ sprak Emanuel op geruststellenden toon; ‘hij heeft zich slechts een weinig bezeerd, wij zullen hem wel weer gezond maken.’ ‘Rada, mijn kind,’ steunde de gewonde, ‘wanneer ik sterven mocht, ween dan niet; gij zult nog zeer, zeer gelukkig worden!’ Na het uitspreken dezer woorden verloor hij het bewustzijn, en bleef dagen achtereen in dien toestand liggen. Emanuel week niet van zijne sponde en verpleegde hem als een zoon. De kleine Rada gehoorzaamde hem in elk opzicht, als ware hij een oudere broeder; zij hoopte zoo vurig haar vader te redden, want zonder hem stond zij geheel alleen op de wereld. Dag en nacht verpleegden zij den stervende; menigmaal viel Rada's hoofdje op het hoofdkussen van haar vader en sliep zij van uitputting in. Eens, toen zij zoo sluimerde, kwam de zieke tot bewustzijn, drukte Emanuel de hand en fluisterde: ‘Rada!’ De jonge man knikte en beantwoordde zijn handdruk, waarna de stervende de oogen sloot om ze niet weder te openen. Emanuel zag dat hij dood was, maar bleef rustig zitten om den zoeten kinderslaap niet te storen, waaruit het arme meisje op zoo smartelijke wijze zou ontwaken. Hij overlegde met zichzelven, wat hij met de verlaten weeze zou aanvangen. ‘Leefde mijne moeder nog maar!’ dacht hij. En met deze gedachte vervuld, legde hij | |
[pagina 73]
| |
zich doodelijk vermoeid neder. Op hetzelfde oogenblik bevond hij zich in de grot van den kluizenaar, die hem ontving met de woorden: ‘Ja, breng haar maar bij mij, ik zal haar voor u opvoeden!’ ‘Maar weet gij dan alles?’ vroeg Emanuel verbaasd. ‘Ik weet alles wat u betreft; want uwe moeder, die u overal op uwen levensweg vergezelt, zegt het mij. Breng het kind hier en zet uwe taak voort.’ Emmanuel meende slechts gedroomd te hebben, want eene beweging van Rada maakte hem wakker. ‘Vader!’ riep zij angstig, toen zij het gelaat van den doode zag. Haar jonge beschermer vatte haar hand. ‘Hij heeft u aan mij vermaakt, en gij zijt thans mijn zuster of mijn dochter. Ik zal u ergens heen brengen waar gij een veilig toevluchtsoord zult vinden. Wilt gij mij volgen?’ ‘Overal waar gij wilt!’ zeide het weenende kind, ‘want ik heb niets en niemand meer op de wereld.’ Zij begroeven den doode en begaven zich hand in hand op weg naar de grot, waar zij bij het vallen van den nacht aankwamen. Emanuel voelde het kleine handje in de zijne beven en koud worden. ‘Wees niet bevreesd,’ zeide hij, ‘ik breng u bij een besten, goeden man, die u zal liefhebben als een dochter.’ De kluizenaar zag Rada zoo hartelijk en medelijdend aan, dat al haar angst verdween en zij weldra vertrouwelijk met hem zat te praten. Na een verkwikkenden slaap werd Emanuel zacht- | |
[pagina 74]
| |
jes door den kluizenaar gewekt: ‘Bespaar het kind dit nieuwe afscheid’, sprak hij. ‘Ik zal haar uw groeten overbrengen! De arbeid wacht u!’ Emanuel wierp een teederen blik op het sluimerende meisje, wier lange, donkere wimpers haar wangen overschaduwden; zij haalde zoo zachtjes adem, dat haar boezem zich nauwelijks op en neder bewoog. ‘Ik zou liever hier willen blijven! het is hier zoo schoon!’ fluisterde de jongeling; maar de kluizenaar duwde hem zachtjes naar buiten. ‘Gij hebt nog niets gedaan, mijn jongen, gij verdient nog niet te rusten.’ Emanuel begaf zich weder naar het dal en ontmoette een dienaar des keizers, die hem echter niet herkende. De man was bezig uit leem en boomtakken een hut te bouwen, terwijl zijn vrouw een paar kleine kinderen verzorgde. ‘Wat doet gij daar?’ vroeg Emanuel, die hem dadelijk herkende, hoewel zijn gelaat, verwrongen van toorn, wel tien jaren ouder scheen geworden. Hij moest zich geweld aandoen om hem niet als ‘Ilie’ aan te spreken en zich zoodoende te verraden. ‘Ik was niet altijd zoo arm als ik nu ben,’ luidde het antwoord; ‘jaren lang heb ik den keizer trouw gediend en zijn zoon op de armen gedragen, maar nu word ik door een ongelukkig gestarnte vervolgd; ik ben uit mijn dienst ontslagen en sta met vrouw en kind op straat.’ ‘Waarom dat?’ ‘Omdat de jonge prins is weggeloopen, niemand weet | |
[pagina 75]
| |
waarheen; en nu zijn allen, die hem niet hebben kunnen vinden, weggezonden! En toch heeft de keizer zich vroeger nooit iets aan zijn zoon laten gelegen liggen. Thans is het alsof de hemel moet invallen, wanneer hij hem niet ziet! Met dat al zal hij hem spoedig vergeten; hij gaat hertrouwen, en zoodra de nieuwe keizerin hem een zoon schenkt, denkt hij aan den anderen niet meer; wij echter blijven arm en ongelukkig!’ ‘Misschien kan ik u helpen!’ ‘Gij....’ en Ilie zag hem met een verachtelijken blik aan; ‘hoe zoudt gij mij helpen? Hoe heet gij? Wie zijt gij?’ ‘Ik heet Manoïl en wil gaarne bij u in dienst treden; ik heb verstand van tuinbouw.’ ‘Manoïl! Mijn jonge prins heette Emanuel! God moge hem straffen, wijl hij mij in het ongeluk heeft gestort! Gij zijt maar een vagebond, die mij allerlei last en zorgen zult veroorzaken!’ ‘Ik geloof het niet; maar gij kunt mij immers, wanneer ik zulk een slechte knecht ben, elk uur wegjagen!’ ‘Gij zult het brood mijner kinderen opeten en niets inbrengen, landlooper.’ ‘Probeer het maar!’ Ilie haalde de schouders op: ‘Welnu, in Godsnaam dan! Maar zoo gij niet voor uw werk geschikt zijt, ken ik geen erbarmen; jegens mij is men ook zonder erbarmen geweest!’ De dag was nog niet ten einde, of Emanuel had reeds kruiden verzameld, mamaliga gekookt en een stuk | |
[pagina 76]
| |
land omgespit; zijn vlugheid was merkwaardig. Hij liep naar de stad, om zijn mantel in te ruilen tegen maïskoren en tegen een geit, waarmede hij, stralend van vreugde, huiswaarts keerde. Wat waren de kinderen blijde! Zij overlaadden Manoïl met liefkoozingen. Ilie echter bromde slechts en was altijd ontevreden. Nooit gaf hij den jongen man een vriendelijk woord en zelden genoeg te eten. Alleen wanneer Emanuel Ilie's vroegere betrekking ter sprake bracht, werd deze vriendelijker en deed uitvoerige verhalen van de lekkere tafel des keizers; van al de goede beetjes die er voor zijn kinderen afvielen; van hooggeplaatste lieden, die beleefd voor hem bogen, opdat hij ze eerder zou aanmelden; van den keizer, die er altijd zwaarmoedig en knorrig uitzag en bij het geringste verzuim vreeselijk tegen een ieder uitvoer. Emanuel had moeite zijn lachlust te bedwingen, wanneer hij bedacht, hoe Ilie hem behandelde en hem bij elke gelegenheid voor vagebond en bedelaar uitschold. ‘En de prins,’ ging Ilie voort, ‘nu, die was ook niet alles; hij beging allerlei ondeugende en domme streken, en wanneer men over hem ging klagen, was hij verdwenen en zat hij altijd bij zijn moeder, die hem verwendde, zooals alle moeders dat gewoon zijn,’ - hier wierp Ilie zijn vrouw een toornigen blik toe - ‘en die door den keizer verstooten was wegens haar slechten levenswandel en haar omgang met allerlei gering soort van volk.’ Thans vloog Emanuel, als ware hij door een adder gestoken, overeind. | |
[pagina 77]
| |
‘Gij liegt!’ riep hij. ‘Zij was een heilige!’ Verbaasd zag Ilie den jongeling aan. ‘Wat weet gij van haar, Manoïl?’ ‘Ik... ik?... Ik heb haar kranken zien genezen! Ik heb....’ ‘Welnu?.... ‘Ik heb haar door armen en ongelukkigen aangebeden gezien!’ ‘Mij heeft zij nooit wèlgedaan, en eens heeft haar jongen mij een slag gegeven, dien ik heden nog voel; want ik kon hem niet teruggeven, en hem aanklagen wilde ik ook niet, uit vrees voor de erge straf die hem dan te wachten stond. Nu spijt het mij dit niet te hebben gedaan, want door zijn toedoen ben ik in het ongeluk gestort.’ Manoïl was overal waar men hem kende, bemind, vooral in de stad en op de marktplaats, alwaar hij de door hem verbouwde groenten ging verkoopen. Weldra werd een ezel met de manden beladen en op zekeren dag bracht hij zelfs een koe mede naar huis. De vrouwen en meisjes schonken hem bloemen en de kinderen riepen al van verre: Manoïl! Manoïl! mijn houten paard is gebroken!... Onze geit is ziek!... Moeder heeft vlas en vraagt, of gij het voor haar wilt verkoopen!... Mijn zusje is gevallen en roept altijd door om Manoïl, omdat gij Sandu laatst zoo goed hebt genezen!....’ Zoo had een ieder zijn hulp noodig, en voor allen had hij den tijd, hetgeen Ilie geweldig ergerde; deze gunde hem aan niemand en wilde hem voor zich alleen behouden. Ook | |
[pagina 78]
| |
vreesde hij altijd ten behoeve van anderen bestolen te worden, hoewel Manoïl een afzonderlijk plekje grond voor zichzelven bebouwde. Deze had eenige behoeftige gezinnen ontdekt, wier voorzienigheid hij was. In een kamertje zoo klein, dat er nauwelijks plaats voor een smal bedje was, lag een blind meisje, dat bovendien nog aan vallende ziekte leed. Zij was reeds meermalen op zóó noodlottige wijze gevallen, dat zij haar beide armen op verschillende plaatsen had gebroken, en doordien zij slecht genezen waren, hadden zij nauwelijks meer een menschelijken vorm behouden. Ten slotte had zij ook nog haar been gebroken, lag nu steeds te bed en breide voor haar onderhoud. Hare zuster ging den geheelen dag buitenshuis arbeiden, en wanneer zij bij haar terugkomst oordeelde, dat de blinde niet genoeg had afgebreid, sloeg zij haar. Het geschrei der ongelukkige had Emanuel's aandacht getrokken. Na de booze zuster streng de les te hebben gelezen, gaf hij beiden volop te eten, maar ging niet weg alvorens gezien te hebben dat de blinde ook at. Dan was er ook nog een ongelukkige vrouw met een paar kleine kinderen; haar man was in de gevangenis. Emanuel had van haar gehoord, doch tevens vernomen, dat zij geen mensch zien of spreken wilde. Hij stond langen tijd te vergeefs aan de deur te kloppen, en niet voordat hij beloofd had haren man tijding van haar te zullen brengen, deed zij open. Zij was zoo ziek, dat zij zich op haar knieën naar de deur had moeten sleepen. In het stroo lag een knaapje te spelen. Een meisje schreide in een hoek, terwijl een | |
[pagina 79]
| |
heel klein kind, met starende oogen en van koorts gloeiende wangen, onophoudelijk hoestte. Emanuel werd door de ellende, welke hij aanschouwde diep getroffen, doch niet te vergeefs had hij den drempel overschreden. Als een weldoende engel bracht hij overal troost en hulp, en weldra moesten onreinheid en ellende wijken voor een betrekkelijke welvaart, die na verloop van tijd meer en meer toenam. Ook wist Emanuel aan een man, die, na jarenlange opsluiting uit de gevangenis ontslagen, met zijn kinderen bijna verhongerde, werk en brood te verschaffen, doordien hij met zijn overredende taal de wantrouwende lieden geruststelde. Ontelbaar waren de weldaden door hem bewezen; de kinderen van Ilie hadden hem dan ook boven alles lief en zelfs zijn vrouw wilde steeds Emanuel om raad vragen, steeds Emanuel's hulp inroepen, zoodat Ilie eindelijk geweldig jaloersch werd. Hij ging den jongeling elken dag slechter behandelen, en overlaadde hem met den zwaarsten arbeid, maar Emanuel klaagde nooit. De gedachte dat Ilie ijverzuchtig kon zijn, kwam niet bij hem op; hij meende dat deze alleen daarom zoo hardvochtig was, wijl het hem te goed ging in de wereld. Op zekeren dag was Emanuel weder naar de markt gegaan. Alles wat Ilie toebehoorde, had hij verkocht en het zijne ook, doch de opbrengst hiervan reeds weggegeven. Daar naderde hem een man, die beide armen verloren had en hem om een aalmoes smeekte. | |
[pagina 80]
| |
Nog nooit had Emanuel het eigendom van Ilie aangeroerd, maar thans meende hij dit te mogen doen en het een paar geldstukken in den zak van den ongelukkige glijden. Op hetzelfde oogenblik werd hij bij den kraag gepakt. Ha! dief! bedelaar!’ riep Ilie schuimbekkend van woede, ‘nu heb ik je eindelijk betrapt, schijnheilige, die mij besteelt en mijn vrouw tot ontrouw verleidt!’ En met zijn zwaren knuppel bracht hij Emanuel een hevigen slag toe. Een brandende gloed steeg den jongen man naar het gelaat; hij wilde zich eerst verweren, maar bezon zich en liet met slap neerhangende armen een regen van slagen op zich nederkomen. Het duurde echter niet lang, of een aantal menschen verzamelden zich om hen heen, en de zuster van het blinde meisje greep Ilie bij den arm. ‘Gij zult uw weldoener en den mijnen niet mishandelen! Schaam u!’ Thans wendde Emanuel zijn doodsbleek gelaat naar Ilie en sprak met vlammende oogen: ‘Onze schuld is vereffend Ilie, dienaars mijns vaders!’ en tegelijkertijd was hij verdwenen. Ilie wankelde en greep met beide handen zijn hoofd vast. ‘Dat was niemand anders dan onze.... onze prins!’ stamelde hij. Daar kwam de geheele markt in rep en roer; velen liepen overal heen om den prins, den geliefden Manoïl te zoeken. Anderen schimpten op Ilie, die door zijn ruwe daad aller geluk verstoord had. Ilie was ontroostbaar en Manoïl was nergens te vinden. Zoo snel als zijn jonge, vlugge voeten hem dragen konden, was hij | |
[pagina 81]
| |
weggeijld en las nu, verre van daar, in een golvend korenveld, aan alle blikken onttrokken, te weenen zooals hij sedert den dood zijner moeder niet meer geweend had. ‘Nu weet ik wat ondank is!’ steunde hij en drukte zijn vuist tegen de tanden, totdat het bloed hem uit de lippen sprong. ‘O moeder! moeder! Ik kan alles verdragen, alles, maar geen schande!’ Nauwelijks had hij dit geroepen of hij stond voor den kluizenaar, die hem vriendelijk de hand op den schouder legde: ‘Zie eens hier,’ sprak deze, ‘herkent gij uwe kleine Rada nog?’ Als verblind, staarde Emanuel het beeldschoone meisje aan, dat haar schitterenden blik op hem vestigde en toen blozend de lange zijden wimpers neersloeg. Hij kon van bewondering en verrassing niet spreken en vergat zelfs haar de hand te reiken; hij bleef haar slechts voortdurend aanstaren. ‘Niet waar?’ sprak de kluizenaar, ‘ik heb uw eigendom beter bewaard dan gij dat van uw dienaar! Ik heb het aan niemand weggeschonken!’ Verschrikt zag Emanuel den kluizenaar aan en boog het hoofd als een kind dat berispt wordt. ‘Men kan niet voor andere menschen wèldoen,’ ging de kluizenaar voort, ‘dat was een dwaling, mijn zoon.’ ‘Waarvoor ik zwaar geboet heb!’ zeide de jongeling, terwijl een donkere gloed hem op de wangen brandde en met de oogen vol tranen. ‘Hier wacht u echter een belooning, die gij thans nog niet verdiend hebt!’ sprak de kluizenaar, weder op Rada wijzend, die verwonderd van den een naar den | |
[pagina 82]
| |
ander blikte; ‘en thans zullen wij gezamenlijk eenige genoegelijke uren doorbrengen alvorens gij weder aan den arbeid gaat!’ Rada bereidde in de buitenste grot een verkwikkend maal. Onder hare behendige vingeren was het geheele hol van aanzien veranderd. Rondom hingen tapijten, die zij geweven had en de kluizenaar droeg een hemd, door haar gesponnen en geborduurd. Zij zelve echter was hoogst eenvoudig gekleed en toonde hem vol trots de boeken, die zij met den geliefden leeraar had gelezen. ‘Ik word dagelijks onwetender,’ zeide Emanuel treurig; ‘ik heb geen tijd om kennis te verzamelen, ik zal uwer onwaardig worden, Rada!’ ‘Zoek dan een anderen werkkring,’ sprak de kluizenaar, ‘en gebruik datgene wat gij verdient om te studeeren.’ ‘En de armen?...’ vroeg Emanuel. ‘Men kan nog op andere wijzen weldoen; er zijn ook geestelijke aalmoezen.’ Emanuel bracht eenige gelukkige uren in de grot door. Maar de zon neigde ter kimme en baadde de bergen in violet en purper, terwijl het dal in blauwende schaduwen wegzonk. ‘Gij moet verder,’ zeide de kluizenaar, ‘voordat het geheel donker wordt.’ Emanuel zag met somberen blik voor zich uit. Ditmaal voelde hij zich zoo treurig te moede. Als een magneet hield Rada hem terug, en zijn laatste ervaringen waren zeer bitter geweest. De kluizenaar scheen zijn aarzelingen niet te be- | |
[pagina 83]
| |
merken en drong kort en streng op zijn vertrek aan. Emanuel vond den ouden man hard en gevoelloos geworden; het scheen hem toe dat de geheele wereld veranderd was. Veel langzamer dan voorheen daalde hij den berg af. Wel tienmaal zag hij om; daar stond Rada in den gloed van de ondergaande zon, om hem een laatst vaarwel toe te wuiven en hij drukte de hand tegen het hart, want hij gevoelde plotseling een smart die hij tot dusverre niet gekend had. Waarom werd hij in den nacht weggezonden? Waarom mocht hij geen nieuwen dag afwachten? Waarom moest hij met zoo groote inspanning de kennis verwerven, die hem tot den gelijke van dat liefelijke wezen zou maken?... De kluizenaar was onbegrijpelijk hard. Met deze gedachte legde Emanuel zich onder een rots neder en sliep weldra in. In den droom verscheen hem zijne moeder; hij zag hoe zij ontelbare kranken, met oplegging der handen, genas en bij het grauwen van den morgen sprong hij overeind: ‘Ik wil dokter worden! Zoo kan ik de lijdenden helpen!’ Hij ging naar het dal en trad bij een apotheker binnen. ‘Kan ik bediende bij u worden?’ ‘Wat kunt gij alzoo?’ ‘Ik kan kruiden zoeken en planten verzorgen, anders niets.’ De apotheker glimlachte; maar hij lachte niet lang, want de jongeling, die zich ditmaal Manea noemde, | |
[pagina 84]
| |
bleek een ongeëvenaarden ijver en grooten aanleg te bezitten. In zijn vrije uren studeerde hij en gaf bovendien kosteloos onderwijs aan arme kinderen. Dat waren zijn aalmoezen, daar hij het geld door hem verdiend voor eigen onderricht besteedde. Hij bevond zich nog niet lang in zijn nieuwen dienst, toen er in het geheele land groote feestelijkheden plaats hadden. De keizerin had haren gemaal een zoon geschonken, die den naam van Trandafir ontving en de plaats van den verdwenen erfgenaam zou vervullen. Emanuel lachte weemoedig. ‘Aan mij denkt niemand meer!’ fluisterde hij, en werkte dien geheelen nacht onafgebroken door. ‘Een goede dokter is ook iets waard; mijn broeder zal slechts keizer zijn!’ Zijn bovenmenschelijke vlijt en inspanning werden beloond; ook kwam hem zijn buitengewone verstandelijke aanleg, dien hij van zijn moeder had geërfd, te hulp. Nog had hij zijn studiën niet voleindigd, toen men hem reeds van heinde en verre kwam raadplegen. Wel dacht hij menigmaal vol verlangen aan Rada, maar altijd met de vaste overtuiging haar te zullen wedervinden wanneer hij haar verdiend had. In dat tijdstip was zijn liefde voor de wetenschap sterker dan elk ander gevoel; voor het eerst dacht hij er niet aan uitsluitend voor anderen te leven, maar wilde door eigen kracht ook zelf iets worden. Zijn trekken werden door de aanhoudende geestesinspanning fijn en scherp, zijn oogen glinsterden en lagen, ten gevolge van de vele door- | |
[pagina 85]
| |
waakte nachten, onder het hoog gewelfd voorhoofd diep in hunne kassen. Maar hij was even bemind als Manoël dat vroeger geweest was, en wanneer men slechts den naam van Manea noemde, verhelderde een ieders gelaat.
Plotseling werd de kleine erfprins Trandafir ziek, zoo zwaar ziek, dat men aan zijn behoud twijfelde. De keizerin had echter van den jongen arts gehoord, van wien alle kinderen zooveel hielden, en liet hem ontbieden. Met een luid kloppend hart betrad hij het vaderlijk paleis, waar elke schrede hem aan zijn kindsheid herinnerde en waaruit hij zichzelven uit kinderlijken moedwil en trots voor altijd had gebannen. Zijn vader herkende hem niet en zag hem, toen hij aan de sponde van den doodzieken broeder trad, bekommerd aan. Na den knaap zorgvuldig onderzocht te hebben, sprak Emanuel ernstig: ‘Ik geloof dat hij gered kan worden.’ Het harde, trotsche gelaat der keizerin, waarvoor zelfs haar gemaal sidderde, ontspande zich en tranen rolden haar over de wangen. Emanuel bleef dag en nacht aan den kleinen Trandafir zijn zorgen wijden, en op een avond viel het kind in een diepen, vasten slaap. Emanuel verzocht thans de ouders rust te gaan nemen, daar het gevaar geweken was; hij zelf zou bij hem waken. Midden in den nacht werd de kleine wakker, strekte beide armpjes naar den vreemden broeder uit, sloeg die om zijn hals en kuste hem. | |
[pagina 86]
| |
‘Noem mij Emanuel!’ fluisterde deze. ‘Emanuel!’ zeide het kind op een toon zoo zacht en teeder, als hem sedert jaren geen stem meer in de ooren had geklonken. Toen sliep de knaap weder in. Den volgenden morgen wist men dat het kind gered was. De vreugde der ouders kende geen grenzen en hun dankbaarheid uitte zich daarin, dat zij den redder van hun zoon niet meer wilden laten vertrekken. De jonge arts was echter noch door smeekingen, noch door beloften tot blijven te bewegen, zoodat de keizerin, die eerst neiging had gevoeld hem te omarmen, in heftigen toorn ontstak. Emanuel was thans vast besloten zijne Rada te gaan halen en haar tot vrouw te nemen. Hij meende haar nu toch eindelijk te hebben verdiend. Daar trad op zekeren dag de kluizenaar zijn woning binnen. ‘Mijn jongen,’ sprak hij, en zijn lippen beefden, ‘ik vrees dat uw welverdiende belooning u zal ontgaan! Ik had Rada naar het dal onder de menschen gezonden, opdat zij zich alle vrouwelijke deugden zou eigen maken, en nu verneem ik dat zij aldaar met een ander wil huwen!’ Het bloed steeg den jongen man naar het hoofd; roode vlammen dansten hem voor de oogen. ‘Is dat uw vaderlijke zorg?’ riep hij. ‘Heden wilde ik haar uit uwe hand ontvangen.... O! gij hebt mij op onmenschelijke wijze op de proef gesteld... en het was alles niet waar! Ik zal nog waanzinnig worden!’ Driftig schudde hij den ouden man heen en weder en stiet hem toen van zich af. Deze wankelde, viel en | |
[pagina 87]
| |
sloeg met het hoofd tegen een scherpen rand, zoodat het bloed uit een diepe wonde vloeide. Emanuel zag oogenblikkelijk wat hij gedaan had, wierp zich naast den oude op de knieën en stelde alles in het werk om den bewustelooze bij te brengen. Eindelijk sloeg deze de oogen op en met groote inspanning de lippen bewegend, fluisterde hij: ‘Ondankbaar kind!’ Toen sloot hij de oogen, zuchtte en gaf in de armen van den radeloozen jongen man den geest. Met de teederste namen riep Emanuel hem aan, smeekte hem om vergeving.... doch het was te laat! Hij had alles, alles verloren, zijn vader, zijn vriend, zijn bruid, alles... en zijn gelukkig, onschuldig hart nog bovendien!’ Hij verdween uit het dorp en uit den omtrek om zich in de eenzaamheid van den Bucegi te begraven. Maar het duurde niet lang of hij werd ook aldaar bekend, wijl hij de zieke schapen van eenige herders had genezen. Weldra kwamen er ook kranken tot hem, die hem in staat achtten wonderen te verrichten. Zij noemden hem niet anders dan ‘de man’, en zoodra iemand ziek of ongelukkig was, begaf hij zich naar den man om hulp en genezing te zoeken. Deze was echter zoo ernstig alsof hij honderd jaren oud was. Hij wist niet meer dat hij jong heette, zoo diep ging hij gebukt onder het loodzware gewicht zijner daad, die nooit meer hersteld of goedgemaakt kon worden. Sedert die noodlottige ure was ook het beeld zijner moeder uit zijne herinnering weggevaagd. Zoo bleef hij met zijne groote smart alleen en deed zooveel goed | |
[pagina 88]
| |
als hij kon, de vreemde man, tot wien men vol schroom en eerbied opzag, doch die elke dankbetuiging aanstonds afwees. Nog klonk de laatste verzuchting van de lippen van zijn eenigen vriend: ‘Ondankbaar kind!’ hem onophoudelijk in de ooren. Daar werd de kleine Trandafir nogmaals ziek. De goede dokter Manea was echter verdwenen, en daar de kleine voortdurend ‘Emanuel’ riep, zeiden allen dat hij sterven ging, wijl hij zijn overleden broeder riep dien hijzelf nooit gekend had. Werkelijk stierf het kind weinige dagen later. Zijn vader stierf ook van kommer en verdriet en het volk was in rouw gedompeld wijl het geen keizer meer had. Daar verspreidde zich plotseling een merkwaardig gerucht: ‘Emanuel leeft!’ klonk het alom van dorp tot dorp en van stad tot stad. Men wist niet wie er het eerst van gesproken had, maar men zag een beeldschoon meisje met een ouden man in den lande rondzwerven. Overal spraken zij van Emanuel, en zochten zijn verblijfplaats te ontdekken. Zoo naderden zij den Bucegi, waar eenige herders hun den weg naar ‘den man’ wezen. Deze zat in zijn grot met het hoofd op de hand gesteund en blikte somber voor zich uit. Zij stonden hem een geruimen tijd zwijgend te beschouwen. Daar hief hij de oogen op en riep: ‘Rada! en Ilie! Gij hier! Wat wilt gij van mij?’ ‘Onze keizer!’ riep Ilie, die voor hem nederknielde: | |
[pagina 89]
| |
‘Heer! Kunt gij mij ooit mijn ondankbaarheid vergeven?’ Emanuel ontroerde. ‘Ik? vergeven? Ja, Goddank, ik kan u vergeven. Maar gij, Rada? Waar is uw man?’ Een bittere trek vertoonde zich op zijn gelaat. ‘Ik heb geen man! Ik ben u altijd trouw gebleven en heb u in het geheele land gezocht om het volk een keizer te schenken, want uw vader en broeder zijn dood.’ Emanuel was overeind gesprongen. Hij moest zich aan den rotswand vasthouden. ‘Rada,’ zeide hij, ‘ik ben uwer niet waardig, ik ben de moordenaar van onzen vader!’ ‘Ik weet het!’ antwoordde Rada, ‘ik weet het sedert lang; hij heeft het mij in den droom gezegd en er bijgevoegd waar ik u vinden zoude.’ ‘En gij komt tot mij!’ Emanuel verborg het gelaat; zij echter trok zijn handen weg en wierp zich in zijn armen. Daar klonk het eensklaps van alle kanten: ‘Leve onze keizer! De vader der armen, de beschermer der zwakken, de redder in den nood! Lang leve onze keizer!’ En zie! allen, die hij met weldaden had overladen, omringden hem, kusten zijne handen en voeten en kleederen, noemden hem Manoïl en Manea en dokter en keizer, alles in één adem door. Hij stond daar als bedwelmd en zag Rada aan, die hem toeknikte. Toen nam hij haar bij de hand met de woorden: ‘En hier is uwe keizerin, de trouwste aller vrouwen! Zonder haar zoudt gij mij nooit hebben gevonden!’ Een eindelooze menigte voerde hem naar zijn paleis; de menschenmassa groeide onderweg voortdurend aan en | |
[pagina 90]
| |
allen verhaalden van weldaden hun bewezen maar die hij reeds lang vergeten had. Ilie werd aanstonds in zijn vorige betrekking hersteld, en moest op bevel des keizers alle andere dienaren gaan zoeken, die indertijd om zijnentwille waren weggejaagd. Rada leefde gelukkig aan zijne zijde, en wanneer hij aan de noodlottigste ure zijns levens dacht, kuste zij hem de rimpels van het voorhoofd. Zij hadden vele en schoone kinderen, wier kinderen en kindskinderen thans niet meer in leven zijn; de berg evenwel heet tot heden nog altijd Omul, de man. |
|