Castel Pelesch
(ca. 1890-1900 )–Carmen Sylva–
[pagina 56]
| |
De grot van Jalomitza.Wanneer men den pas tusschen den Virful cu Dor en den Furnica overgaat, komt men aan de andere zijde van het Bucegi-gebergte aan de Jalomitza, welker bron in een diepe dropsteengrot opwelt. Voor den ingang der grot is reeds sedert onheuchelijke tijden een klein klooster gebouwd, en men beweert dat de grot geen einde heeft. Eenmaal zou iemand zijn die binnengegaan en tot den huidigen dag nooit weer te voorschijn zijn gekomen. In vroegere tijden, zegt men, was de grot door een boozen toovenaar bewoond, die, naar het heette, schoone meisjes uit het huis harer ouders, of van het veld, ja zelfs van het huwelijksaltaar ontvoerde. Zij volgden hem allen gewillig zonder tegenstand te bieden, maar niemand zag haar ooit weer. Menige dappere, koene jongeling die gezworen had haar te bevrijden, was vol moed de grot binnengetreden, had zelfs den toovenaar bij den naam geroepen: Bucur! Bucur! maar noch Bucur noch een der jonkvrouwen had hij te zien gekregen. | |
[pagina 57]
| |
In het dorp Bucur woonde een beeldschoon meisje; zij heette Jalomitza. Deze had stoutweg verklaard den toovenaar niet te zullen volgen, in welke gestalte hij ook voor haar verschijnen en met welke beloften hij haar ook lokken zou. ‘En al bracht hij mij zelfs binnen in zijn hol, toch zou ik er weer uitkomen!’ Dit was vermetele taal. De ouden van dagen schudden het hoofd, trokken de schouders op en zeiden: ‘Wanneer hij werkelijk komt, gaat zij toch met hem mede, juist als al de anderen.’ Een geruime tijd verliep, zonder dat er iemand of iets verscheen om den moed van het jonge meisje op de proef te stellen. Zij was voor alle menschen een wellust der oogen, met hare blozende wangen, volle frissche lippen, weelderige blonde haren en groote blauwe oogen. De neus was fijn, met doorzichtige neusvleugels, doch wipte aan de punt, zoo uitdagend mogelijk, een heel klein beetje naar boven. Het halsje kwam sneeuwwit uit het rijk geborduurde hemd te voorschijn, en dartele haarvlokjes, die kam en borstel trotseerden, krulden langs voorhoofd, slapen en nek. Bij het losmaken harer vlechten, was zij als in een golvenden mantel gehuld, waarvan zij in haar kleinen spiegel, wanneer zij zich 's zondags voor de Hora kleedde, nog geen derde gedeelte kon zien. Een was er in het dorp, die haar altijd aan de bron en op het veld en overal naliep. Zij echter wilde niet veel van den armen Coman weten, hoewel hij toch een knappe jongen was en rijk. Hij had veel land en | |
[pagina 58]
| |
paarden en koeien en buffels en schapen en droeg op feestdagen een prachtig geborduurd, wit lederen wambuis met langen witten mantel, die, van binnen met rood laken gevoerd, rijk met kleuren en goud was versierd. Menige blik uit meisjesoogen bleef op Coman rusten, maar Jalomitza sloeg geen acht op hem. Zij dacht voortdurend aan den toovenaar Bucur, en hoe zij hem bestrijden en al de arme meisjes wreken zou, die hij in zijn strikken gevangen had. Op een schoonen zondagmiddag, toen de vermoeide dansers een oogenblik uitrustten, klonk er plotseling in hare nabijheid een zoo liefelijk fluitspel, dat zij, even als alle anderen, vol verrukking luisterde. Nieuwsgierig keerde zij zich om; daar stond een jonge, schoone herder tegen een boom geleund, de voeten over elkander gekruist, zoo rustig alsof hij daar altijd gestaan had, en toch had niemand hem zien komen en was hij hun allen onbekend. Hij speelde steeds voort, als bevond hij zich daar geheel alleen; eens slechts hief hij de oogen op en zag Jalomitza aan, die, dichterbij getreden, met geopende lippen en trillende neusvleugels naar de hemelsche melodieën luisterde. Na een poosje zag hij haar nogmaals aan en eindelijk voor de derde maal. ‘Ga daar vandaan, Jalomitza,’ fluisterde Coman haar toe. ‘Die kerel is onbeschaamd.’ Het meisje maakte met haar schouders en ellebogen een ongeduldig gebaar. ‘Jalomitza,’ fluisterde hij nogmaals vol ijverzucht, ‘schaamt gij je niet je zoo te laten aankijken?’ | |
[pagina 59]
| |
Zij gaf hem wederom geen antwoord en draaide hem den rug toe. ‘Jalomitza, ik verzeker je, die herder daar is niemand anders dan Bucur, de toovenaar!’ Op hetzelfde oogenblik knikte de herder, zonder met spelen op te houden, en Jalomitza voelde een koude rilling door haar leden gaan. ‘Wat weet gij er van?’ vroeg zij toornig, hoewel haar stem een weinig beefde. ‘Ik weet het, want ik voel het; ik voel het omdat ik je liefheb, en omdat ik je liefheb, zie ik ook dat hij je bevalt en dat gij zijn prooi zult worden, zooals alle anderen.’ ‘Ik? Nooit! ik zweer het!’ riep Jalomitza, doodsbleek wordend. ‘Hier is mijn fluit, speel ook eens!’ riep de herder thans en reikte Coman het speeltuig over. Zonder te weten wat hij deed, nam Coman de fluit aan, begon te spelen en speelde zoo mooi, mooier dan hij nog ooit in zijn leven gedaan had; maar tot zijn schrik bemerkte hij weldra, dat hij niet meer kon ophouden. Hij vond nieuwe Hora's uit, die hij nog nooit had gehoord, en allerlei dansen, de eene nog schooner dan de andere, en zag hoe de vreemde voortdurend met Jalomitza danste. Daar begon hij eindelijk eene Doina te spelen, die zoo vreeselijk treurig klonk, dat de vrouwen de tranen in de oogen kregen en Jalomitza hem smeekte daarmee op te houden. Hij echter speelde steeds voort, zag in doodsangst en vertwijfeling om zich heen, maar kon niet uitscheiden. De avond viel, | |
[pagina 60]
| |
de lieden gingen afzonderlijk of in groepjes huiswaarts.... maar Coman speelde nog altijd, voort en Jalomitza stond, als aan den grond genageld, naast hem. De vreemde herder was verdwenen. Houd op, Coman,’ smeekte zij. ‘Gij breekt mij het hart! Gij weet immers dat ik u liefheb en ik gezworen heb den ander niet toe te behooren; houd op, Coman! wees verstandig!’ Maar Coman speelde door, thans vroolijk, als wilde hij lachen, en toch was de melodie zoo klagend, dat een nachtegaal uit het vochtige dal hem antwoord gaf. Steeds nader en nader kwam de nachtegaal; bij het schijnsel van de maan zag Jalomitza hoe de vogel zich op Coman's hoofd zette en met de fluit medezong. Daarna verwijderde hij zich met zoete, lokkende tonen en Jalomitza volgde hem den ganschen nacht door zonder te weten waar zij ging. Coman ging ook, steeds voortspelend, den wonderlijken vogel na in het vochtige dal, tot aan den rand van de stroomende beek.
De morgen daagde en Jalomitza greep verschrikt haar hoofd vast: ‘Waar ben ik toch? Ik ben ver van huis en de streek is mij geheel onbekend. Coman! waar zijn wij toch! Ik ben zoo angstig.... Die vogel was Bucur!’ Maar Coman gaf geen antwoord en blies een vroolijk danswijsje. Daar sprong een hengst over de weide, steeds om het meisje heen, bood haar zijn rug en wreef zijn hoofd tegen haar aan. | |
[pagina 61]
| |
‘O!’ riep zij, ‘ware ik slechts een vogel, dan kon ik vluchten! Ik herken den afschuwelijken Bucur!’ Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij veranderde in een duif en vloog weg, ver weg in den nevelachtigen morgen. De hengst veranderde zich echter in een valk, schoot van een duizelingwekkende hoogte neder, en haar in zijn klauwen grijpend, vloog hij naar het gebergte. ‘Ach, kon ik slechts een bloempje zijn in de weide!’ dacht het meisje angstig. Op hetzelfde oogenblik stond zij als een vergeet-mij-nietje aan den rand van een beek; maar de valk werd onmiddellijk een vlinder, die om haar heen dartelde en met haar op en neer wiegelde. ‘Nog liever ware ik een forel in de beek!’ dacht Jalomitza. Dadelijk was zij een forel, maar even snel werd de kapel een net, dat haar opving en uit het water trok, zoodat zij meende te sterven. ‘Ik zou een hagedis willen zijn!’ dacht het arme kind op dat vreeselijke oogenblik, en zie! dadelijk schoot zij, snel als de wind, door het gras en de bloemen, en meende onder elk blaadje en onder elken steen verborgen te zijn. Maar reeds spoedig kroop onder een steen in de nabijheid een slang te voorschijn, die haar met zijn vreeselijken blik aan de plek gekluisterd hield, zoodat zij zich niet verroeren kon. Geruimen tijd bleven zij beiden aldus onbewegelijk en de kleine hagedis was radeloos van angst. ‘Ware ik maar liever een non geworden,’ dacht zij, ‘in het klooster zou ik veilig zijn geweest!’ | |
[pagina 62]
| |
Daar welfde zich een hooge kerkkoepel boven haar hoofd, overal brandden kaarsen, en de stemmen van honderden vrouwen hieven een plechtig gezang aan. Jalomitza knielde als non voor een heiligenbeeld neder; nog bonsde haar hart, hoewel zij zich thans verheugde in het heiligdom verborgen te zijn. Dankbaar hief zij de oogen tot het beeld op. Doch tot haar ontzetting staarden haar daaruit Bucur's oogen aan en hielden haar zoo geboeid, dat zij roerloos liggen bleef en niet van de plek weg kon, zelfs niet toen de kerk leeg werd. Het was eindelijk nacht geworden; daar begonnen de oogen te gloeien, en Jalomitza's tranen vloeiden onophoudelijk op het marmer, waarop zij geknield lag. ‘Zelfs op deze gewijde plaats kan ik geen rust vinden!’ riep zij. ‘O! mocht ik slechts een wolk zijn!’ Oogenblikkelijk veranderde het gewelf boven haar in het nachtelijk uitspansel en zweefde zij als een wolk hoog in de lucht! Haar vervolger echter werd de wind en joeg haar van het zuiden naar het noorden en van het oosten naar het westen, de geheele aarde rond. ‘Ik zou nog liever een zandkorreltje willen zijn!’ dacht eindelijk de wolk. Daar zonk zij naar omlaag en viel als een gouden zandkorreltje in de Riul DoamneiGa naar voetnoot1). Bucur werd nu een boer, die met bloote voeten door den stroom waadde om goud te zoeken en vischte het korreltje uit de diepte op. Het gleed hem echter snel | |
[pagina 63]
| |
uit de vingers en werd een ree, die naar het dichte woud vluchtte. Maar vóór het den veiligen boschrand bereikte, werd Bucur een adelaar, die uit de hoogte op haar nederstreek en haar in zijn klauwen naar het gebergte meevoerde. Nauwelijks liet hij haar los, of zij viel als een dauwdroppel op een gentiaan. Dadelijk werd hij een zonnestraal, die nederschoot om haar op te vangen. Toen vloog zij in de gedaante van een gems, zonder het te weten, juist in de richting van zijn hol, en hij vervolgde haar als jager, met een zegevierenden lach en mompelde: ‘Nu zult gij mij niet meer ontkomen!’ Zij vloog de grot in al dieper en dieper; en daar zag zij dat alle steenen, rondom haar, wonderschoone jonkvrouwen waren, uit wier oogen tranen vloeiden. ‘Vlucht, vlucht van hier!’ riepen honderd stemmen haar toe. ‘Ongelukkige! wanneer hij u kust, wordt gij ook in steen veranderd, even als wij!’ Op dat oogenblik vloog een pijl door het hol en trof de vluchtende gems. Toen riep zij in doodsangst: ‘Ach, zoo ik een beek ware, kon ik hem ontsnappen!’ Onmiddellijk bruiste zij als een wilde beek naar buiten; de toovenaar stiet een vloek uit, werd een rots en ving het beekje, dat hem voortdurend ontweek, in zijn armen op. Tezelfder tijd bereikte Coman het hol, herkende Jalomitza, toen zij ‘Coman, Coman!’ riep, aan hare stem en slingerde met een laatste krachtsinspanning zijn fluit tegen de rots, die hij als Bucur zag grijnzen. | |
[pagina 64]
| |
Nu was de betoovering verbroken. Bucur kon evenmin als Jalomitza meer van gedaante veranderen, en zoo stroomt zij tot heden nog langs zijn versteende armen voort. Wat Coman betreft, deze bouwde voor den ingang van het hol een kerkje, werd kluizenaar en bleef tot aan het einde zijner dagen in de nabijheid zijner geliefde. |
|