Castel Pelesch
(ca. 1890-1900 )–Carmen Sylva–
[pagina 5]
| |
Virful cu dor.Er was eens een HoraGa naar voetnoot1) in Sinaia, zoo druk en bezocht als er nog nooit een Hora geweest was; want men vierde een grooten feestdag en in het klooster hadden de monniken spijzen uitgedeeld, geheele korven vol, zoodat allen verzadigd waren. Van heinde en verre waren de lieden toegestroomd, van Isvor en Poeana Zapului, van Comarnic en Predeal en van alle plaatsen en dorpen over de bergen. De zon verspreidde zulk een hitte in het dal, dat de meisjes hun hoofddoekjes afdeden en de knapen de met bloemen versierde hoeden naar achteren schoven, om hun voorhoofden te laten verkoelen. Rondom op het gras stonden de gehuwde vrouwen, met haar zuigelingen in de armen, naar het dansen te kijken; hare witte, fijngeweven sluiers glinsterden in het zonlicht. Onder de dansende paren was het een gestamp en | |
[pagina 6]
| |
gejuich en gelach, dat hooren en zien verging; de meisjes echter zweefden zoo bevallig rond alsof de sierlijke voetjes, die onder het nauwe rokje te voorschijn kwamen, den grond zelfs niet raakten. Hare hemden waren rijk geborduurd en schitterden van het goud even als de munten om den hals. Onophoudelijk golfde, bij het onstuimige spel der Lautari, de dans in groote en kleine kringen rond, rusteloos als de polsslag in de aderen, als de rimpelingen in het fel bewogen watervlak. Een weinig van de anderen afgezonderd, stond een jonge, schoone herder, op zijn langen bergstok geleund, de dansenden gade te slaan. Zijn gestalte was rijzig en slank als een den; onder de witte lamslederen muts vielen de zwarte lokken op zijn schouders. Zijn hemd van grijze stof was met een breeden, lederen gordel om het middel bevestigd; aan de voeten had hij sandalen. Slechts één oogenblik hadden zijn oogen rondgedwaald; thans vonden zij wat zij zochten en bleven met fonkelenden blik op een meisje rusten, dat hem volstrekt niet scheen te bemerken. Onvergelijkelijk schoon was zij, schoon als de allerschoonste bloem, neen, schooner nog dan de gentiaan of de alpenroos, bekoorlijker dan het edelweiss. In hare oogen schenen tallooze lichtjes te glanzen; schitterend kwamen de parelwitte tanden tusschen de koralen lippen te voorschijn; heur haar was zwart als de afgrond waaruit een waterstraal opschiet, en de krans van bloemen om haar hoofd bleef onverwelkt als deelde zij dien leven en frischheid mede. Haar | |
[pagina 7]
| |
figuur was slank en buigzaam als kon men haar met de hand in tweeën breken; niettemin wisten velen van hare kracht te verhalen. Ja, onder allen was Irina de schoonste, en Ionel, de jonge herder, kon zijn oogen niet van haar afwenden. Eindelijk naderde ook hij den kring en greep hare hand. De meisjes zagen haar aan en lachten, en Irina bloosde. Daar staakten de muzikanten plotseling met een langen schrillen toon hun spel, en de knapen deden hun danseressen, onder hun armen door, om zichzelven heen draaien; Ionel trok toen Irina's hand met een krachtigen greep omlaag. Dat wilde veel zeggen. Maar Irina haalde de schouders op en lachte. ‘Irina,’ vroeg hij zacht, ‘ziet gij die gele bladeren aan gindschen beuk? De tijd is gekomen om mijne schapen naar het dal te leiden, misschien wel tot de Baragan of nog verder tot de Dobrudgea; voor het lente is, zie ik u dus niet weder. Schenk mij, alvorens ik heenga, één goed woord, opdat mijn hart niet behoeft te sidderen bij de gedachte dat gij andere jongens aanziet!’ ‘Wat moet ik zeggen? Gij geeft niets om mij en zult mij spoedig vergeten zijn.’ ‘Eerder wil ik sterven dan u vergeten, Irina.’ ‘Dat zijn niets dan woorden; ik geloof daar niet aan.’ ‘Wat moet ik doen om er u aan te laten gelooven?’ Haar oogen schitterden, terwijl zij hem een snellen zijdelingschen blik toewierp. ‘Datgene wat gij niet kunt’ zeide zij. ‘Ik kan alles!’ antwoordde Ionel langzaam, als in een droom. | |
[pagina 8]
| |
‘Neen, gij kunt niet van uwe schapen af; mij kunt gij veel beter missen dan hen.’ ‘Van mijne schapen scheiden?’ zeide Ionel en zuchtte. Zie je wel?’ lachte Irina. ‘Het eenige wat ik verlang, dat gij daar boven op den berg blijft, zonder uwe schapen, dat kunt gij niet! Woorden, niets dan woorden!’ ‘En wanneer ik het toch doe?’ vroeg Ionel, terwijl hij verbleekte en de tanden vast op elkaar klemde. Een aantal knapen en meisjes hadden zich om hem heen verzameld en luisterden. ‘Doe het niet!’ ‘Doe het wel!’ riepen zij allen dooreen. Thans legde een bejaarde herder met sneeuwwitte haren en borstelige wenkbrauwen de hand op Ionel's schouder. ‘Laat de meisjes loopen,’ sprak hij ruw en toornig; zij breken u het hart en lachen er dan om. Weet gij niet dat een herder, die zijn schapen verlaat, sterven moet?’ Dreigend hief hij de gebalde vuist tegen Irina op. ‘En gij meent zeker, omdat gij mooi zijt, alles te mogen wagen; maar uw overmoed zal gestraft worden; al het slechte wat gij doet, komt op uw eigen hoofd neer!’ Irina lachte. ‘Hij behoeft immers niet te gaan, en ik heb hem ook niet noodig!’ Met deze woorden draaide zij hem den rug toe en liep, het klooster langs, naar de bron om te gaan drinken. Ionel echter luisterde naar niemand, maar begaf zich met een doodsbleek gelaat en saamgeperste lippen | |
[pagina 9]
| |
in de richting van het gebergte. Toen hij Irina voorbijging, wenkte hij haar slechts met de hand vaarwel. ‘Doe het niet!’ riep zij hem na en lachte met de andere meisjes. De Pelesch ruischte: ‘Doe het niet! Doe het niet!’ Maar Ionel stopte zijn ooren dicht en begon in den gloed der middagzon den berg te beklimmen; steeds verder leidde zijn weg langs fluweelgroene weilanden, langs reuzendennen door geen zes man te omspannen en langs het hooger gelegen donkere beukenwoud, totdat hij de Alpenhut bereikte, waar zijn schapen gelegerd waren en zijn honden hem vroolijk blaffend te gemoet sprongen. Hij streek hen met de hand over het ruige haar en riep zijn MioritzaGa naar voetnoot1) met een lokkend geluid tot zich. Dadelijk kwam zij met haar lammetje aanhuppelen en liet zich de anjelier, die hij Irina had ontroofd, in de wollige vacht steken. Den anderen herders verzocht hij zijne schapen mede te nemen, zeggende, dat hij later volgen zou; hij had echter eene belofte afgelegd die eerst vervuld moest worden. Verwonderd hoorden zij hem aan. ‘En wanneer ik in het geheel niet kom,’ besloot hij, ‘denkt dan maar dat de Smart mij ten bruiloft heeft genood.’ Daarop nam hij zijn alpenhoorn en klom nog hooger tot aan den top van den berg, vanwaar zijn blikken, over den Donau heen, tot aan den Balkan reikten. Daar bleef hij staan, en zette den alpenhoorn aan de lippen om daaraan eenige klagende tonen te ontlokken. Op | |
[pagina 10]
| |
dat oogenblik kwam zijn trouwste hond aangestormd, begon al kwispelend om hem heen te springen en wilde hem eindelijk aan zijn kleederen medetrekken, den berg af, zoodat Ionel moeite had hem af te weren en hem ten slotte, hoewel hij de tranen in de oogen kreeg, met scheldwoorden en steenworpen moest wegjagen. Zoo had hij dus zijn laatsten vriend verwijderd en stond nu alleen op den wilden eenzamen bergtop. Twee arenden beschreven wijde kringen aan zijne voeten, overigens was alles stil. Hij strekte zich op het korte gras uit, zuchtte zoo diep als werd hem de borst verscheurd en sliep eindelijk van smart en vermoeienis in. Toen hij ontwaakte, was hij van alle kanten door wolken omringd, die steeds nader kwamen, eerst met groote snelheid, dan langzamer, en weldra een dichten nevel om hem heen vormden, zoodat hij geen schrede van zich af kon zien. Op eenmaal schenen de wolken vorm en gedaante aan te nemen, en, de handen ineengestrengeld, omzweefden hem beeldschoone vrouwengestalten in witte glinsterende gewaden. Hij wreef zich de oogen, meenende nog te droomen, doch thans vernam hij haar gezang - een gezang zoo week en liefelijk, als kwamen de tonen van verre tot hem - en tevens strekten zij de lelieblanke armen tot hem uit. ‘Schoone jongeling! wees de mijne, de mijne! Kom mede! Kom!’ klonk het van alle kanten. Doch hij schudde het hoofd. ‘Versmaad ons niet!’ riep eene van haar. ‘Wij | |
[pagina 11]
| |
zullen u zooveel vreugde bereiden, dat gij het dal voor altijd vergeet.’ Met de hand dreef zij de nevelen uiteen en voor zijn blik doemde een groene berghelling op, zóó vol bloemen, dat hij er schier door verblind was, en te midden dier bloemen verrees een alpenhut van rozebladeren gebouwd, terwijl uit een heldere bron water opborrelde, dat over het frissche mos wegvloeide. ‘Kom, daar zullen wij wonen!’ riep de betooverende verschijning met zilveren stem. ‘Neen, kom tot mij!’ riep een andere, en voor zijn oogen bouwde zij uit de nevelen een huis, dat, door de zon beschenen, een regenboog geleek; het inwendige was zacht en donzig als de fijnste wol en van het dak druppelde glinsterend water, dat, zoodra het de aarde beroerde, gras en bloemen deed ontspruiten. ‘Hier gaan wij wonen!’ riep het schoone meisje, ‘en ik zal u evenzoo tooien als ik zelve getooid ben!’ Tegelijkertijd legde zij hem kransen van veelkleurige regenboog-droppelen om het hoofd en om den hals; doch hij schudde die af. ‘Eene slechts mag mij tooien,’ sprak hij somber, ‘geen andere dan mijn bruid.’ ‘Dan zal ik uw bruid zijn!’ riep een derde. ‘Zie hier mijn bruidschat!’ En uit den nevel maakte zij schapen, altemaal schapen, steeds meer en meer, totdat zij den geheelen berg en de omringende bergen bedekten. Zij waren schitterend wit, met zilveren en gouden klokjes om den hals, en onder hunne schreden schoot welig het malsche groen op. Een oogenblik werd | |
[pagina 12]
| |
het gelaat van den eenzame met een blijden glans overtogen, doch dan weerde hij het aanlokkelijk tafereel af. ‘Ik heb slechts ééne kudde, de mijne,’ sprak hij, ‘en ik begeer geen andere.’ ‘Daar pakten de nevelen zich dreigend opeen; het werd donker, zwarte wolken omgaven hem, bliksemflitsen en donderslagen volgden elkander op, en te midden van dien chaos hoorde hij de woorden: ‘Vermetel menschenkind, gij durft ons te versmaden! Gij zijt ten verderve gedoemd!’ De donder ratelde alsof de geheele berg ineenstortte en trok toen verder van dal tot dal. Daarna begon de sneeuw in kleine vlokjes op Ionel neer te vallen, eerst onzichtbaar fijn, vervolgens al dichter en dichter, totdat de bergen rondom in een donzen kleed werden gehuld en zijn mantel, zijn haren, zijn wenkbrauwen geheel besneeuwd waren. En te midden dier sneeuwjacht klonken weer schoone, liefelijke stemmen, en daartusschen gezang, door de tonen van een herdersfluit en een alpenhoorn begeleid. En door onzichtbare handen gebouwd, verrees voor zijn oogen een paleis van sneeuw, zoo verblindend, dat hij aanvankelijk de oogen moest sluiten. Toen hij ze weer opende, waren de maan en de sterren in het paleis verzameld en weerkaatsten de wanden hun stralenden glans. De maan troonde op een hoogen zetel en zag op de sterren neer, die hand aan hand de Hora dansten. Hoe zwarter de hemel werd, hoe meer zij zich vermenigvuldigden, en telkens wanneer de maan wenkte, ijlde een sterretje van den hemel het paleis binnen. | |
[pagina 13]
| |
Er waren heele kleine sterren, die als kinderen door elkander krioelden en aan de voeten der maan stoeiden en lachten. Anderen daarentegen waren statig en indrukwekkend met sleepen, die tot over de naburige bergtoppen reikten; en die sleepen werden door een aantal kleine sterretjes gedragen, allen in stralende gewaden met kransen en kroontjes van zeldzamen glans. De poorten van het paleis gingen wijd open toen die schitterende sterren verschenen, en eene van haar gegebood de maan van den hoogen troon neder te dalen en haar te dienen. Vervolgens wenkte zij Ionel en sprak: ‘Kom, menschenkind, wees mijn geniaal; gij zult met mij het gansche Heelal rondzweven, mijn sterretjes zullen u dienen en gijzelf zult als een ster des lichts uw stralen afwerpen!’ Ionel was, zonder het te weten, de poort genaderd en luisterde naar de betooverende klanken, door het zachte gezang der andere sterren begeleid. Daar hief de maan het hoofd op en zag hem aan en geleek zoo sprekend op Irina, dat Ionel tot in het diepst van zijn ziel werd getroffen. ‘Al lag de wereld aan mijn voeten,’ riep hij, ‘zoo zou ik ze Irina schenken!’ Nauwelijks had hij die woorden geuit of een hevig ruischen ontstond, gevolgd door een vreeselijk ontzettend geraas; de sterren zweefden in statigen optocht naar den hemel terug, het paleis stortte in, Ionel onder de sneeuw begravend, en de maan zag bleek en treurig op de verwoesting neder. De kaboutermannetjes evenwel, die het hevig geraas | |
[pagina 14]
| |
boven hunne hoofden hadden gehoord, kropen met moeite uit den schoot der aarde te voorschijn, om te onderzoeken of niet eenig gevaar hen bedreigde. Daar werden zij de ontzettende massa edelgesteenten gewaar, waaruit het paleis had bestaan. Vol vreugde begonnen zij den gevonden schat bijeen te zamelen en dien naar hun onderaardsch verblijf diep in de ingewanden van den berg te slepen. Zoo vonden zij eindelijk den braven Ionel, en daar het leven niet geheel bij hem uitgebluscht scheen en hij zoo schoon was, schooner dan een van hen allen, kregen zij medelijden met hem, sleepten ook hem met de grootste moeite onder de aarde en bereidden hem een zacht leger van mos. Vervolgens scheuten zij water uit hun warme en koude bronnen, waschten en baadden hem en brachten hem toen aan den oever van het groote onderaardsche meer, waaruit alle stroomen gevoed worden. Eenmaal dompelden zij hem onder; daar werd hij plotseling gezond wakker en zag verwonderd om zich heen. ‘Waar ben ik toch?’ vroeg hij eindelijk. Wel mocht hij zich verwonderen; boven hem welfden zich glinsterende rotswanden zoo duizelingwekkend hoog, dat zij zich in de duisternis verloren; aan zijn voeten breidde zich een ontzaglijk meer uit dat het geheele inwendige der aarde scheen te vullen en zich ook in den stikdonkeren nacht verloor, en aan den oever stonden, liepen en klauterden duizenden Gnomen met lange baarden, en lichtjes, die zij aan den gordel of op het hoofd droegen. In eindelooze rijen sleepten zij edelgesteenten voort, dompelden die in het meer, waar- | |
[pagina 15]
| |
door hun glans nog schooner werd, om ze daarna in verschillende afdeelingen te rangschikken. Velen ook kwamen op vlotten aangevaren en brachten geheel onbekende steenen mede, terwijl anderen groote vlotten voor een lange reis uitrustten en daarmede van wal staken. Onder de machtige gewelven was het een verward gedruisch van stemmen, een drukte, een beweging, een krioelen van lichtjes, dat het Ionel voor de oogen duizelde; toch schenen allen volkomen goed te weten wat zij te doen hadden, met uitzondering van diegenen die hem omringden en niet wisten, wat met hem aan te vangen. Hem evenwel bekroop plotseling het verlangen mede te reizen op die groote onbekende wateren, en hij ijlde naar een vlot dat juist van wal zou steken. Daar verrees uit het water een heerlijke vrouwengestalte, die als een zuster op Irina geleek en de armen naar hem uitbreidde. Met den uitroep: ‘Irina!’ wilde hij zich in het meer storten, toen een twintigtal krachtige armen hem aangrepen en andere, even krachtige armen, een regen van slagen op hem deden nederdalen. Daar de schoone vrouw hem nog altijd wenkte, wilde hij zich losworstelen, maar zij hielden hem stevig vast en begonnen hem thans in hun woede te steenigen. Daar op eenmaal trad een gekroond kaboutermannetje te voorschijn en gebood halt. ‘Gij dwaalt, Ionel,’ sprak hij, ‘uw bruid is niet hier; zij bevindt zich in het dal waar zij op uw terugkomst wacht; deze hier is de voor mij bestemde bruid op wie ik reeds menig jaar gewacht heb.’ De schoone vrouw zette een zeer boos gezicht, wat | |
[pagina 16]
| |
haar nog betooverender stond, maakte een dreigend gebaar en dook onder de golven. De kleine koning zuchtte en Ionel zuchtte en de kaboutermannetjes zuchtten ook, zooals het goede trouwe onderdanen betaamde; de steenen echter hielden zij gereed voor het geval dat Ionel ter dood zou worden veroordeeld. Maar de koning had medelijden met den schoonen herder, gaf bevel, daar hij uit vele wonden bloedde, hem met genezend bronwater te wasschen en liet hem toen verjongd en verfrischt naar den top van den berg, waar zij hem gevonden hadden, terugleiden. ‘Gij hebt u zwaar bezondigd, Ionel,’ sprak hij bij het afscheid; ‘ter wille eener vrouw hebt gij uw plicht verzaakt. Uw trouw jegens haar is edel en groot, maar uw ontrouw, ten aanzien van uw plicht, is nog grooter, en hoewel ik besef wat gij gevoelt, ben ik niet bij machte u voor de straf die u wacht te behoeden.’ Met een bekommerd hart bereikte Ionel den eenzamen bergtop, alwaar een storm woedde. En met elk oogenblik werd de storm heviger, als wilde hij den eenzamen mensch van de hoogte afslingeren om hem tot duizend atomen te verpletteren. Ionel hield zich aan een vooruitspringend rotsblok vast en zag met verwilderden blik om zich heen, nieuwe vijandige machten, nieuwe gevaren en verzoekingen duchtend. Het was hem als drukte de storm hem ter aarde, als rukte deze hem de ziel uit het lichaam, als moest hij sterven van smart. Nog vaster omklemde hij de rots, die op haar grondvesten wankelde. En te midden van het geraas en gebulder hoorde hij | |
[pagina 17]
| |
een aantal stemmen om hem heen, die dreigend of lokkend zijn naam riepen; soms ook was het bazuingeschal dat hem de hersenen verscheurde, en op eenmaal veranderde zijn liefde voor Irina in een gloeienden, bitteren haat, wijl zij hem met een lach om de lippen in den dood had gezonden. Ja, hij zou hier blijven, getrouw tot het laatst, maar in het voorjaar wilde hij naar het dal wederkeeren en vol verachting haar voor eenwig vaarwel zeggen. Geen vrouw zou ooit zijn hart bezitten; het behoorde zijne kudde toe, welke hij nimmer had mogen verlaten. Daar klonk plotseling uit de rots een zware, machtige stem: ‘Gij zijt de mijne, knaap; voor altijd bevindt gij u in mijne macht!’ En op hetzelfde oogenblik veranderde de rots in een reusachtige vrouwengestalte, die den armen Ionel met steenen armen omvatte en hem met steenen lippen kuste. Vol afgrijzen trachtte hij haar af te weren, doch te vergeefs. Wie zijt gij?’ riep hij. ‘Heeft de gansche hel zich dan tegen mij gekeerd? Wie zijt gij, wanneer gij Welwa niet zijt?’ De vrouw was weder rots geworden, en te midden van den storm klonk het: ‘Ik ben de smart, mij behoort gij toe; de laatste lippen die gij gekust hebt, zijn de mijne!’ Op dat oogenblik werd alles stil; de storm bedaarde en de zon brak door. Zij bescheen een bleeken man, die, op zijn alpenhoorn geleund, in het dal blikte. Hij zuchtte niet, hij bewoog zich niet, roerloos stond hij daar met de armen over de borst gekruist en ter nau- | |
[pagina 18]
| |
wernood verried de langzame beweging der zware oogleden dat hij nog leefde. Daar begon rondom hem de natuur te ontwaken; overal was leven en bezieling. Sneeuw en ijs smolten en vloeiden naar het dal en alom ontlook het nieuwe groen. Ionel verroerde zich niet. Het woud schudde het laatste dorre loof af. De knoppen zwollen; Ionel scheen er geen acht op te slaan. De vogels jubelden, ruischend klaterden de beekjes naar omlaag. Maar Ionel hoorde niets. Het was alsof alle natuurstemmen zich vereenigden om hem te wekken .... alles te vergeefs; hij staarde slechts naar het dal tot aan den Donau, als ware hij in steen veranderd. Maar zie! op eenmaal kwam er leven in de roerlooze gestalte, zijn oogen schitterden, een flauw rood verfde zijn wangen en met uitgebreide armen en uitgestrekten hals luisterde hij naar een verwijderd hondengeblaf en het getjingel van klokjes, dat langzamerhand nader kwam. Thans kon hij reeds van verre zijn kudde onderscheiden; hij zette den alpenhoorn aan de lippen om vol vreugde den welkomstgroet te blazen, toen hij op hetzelfde oogenblik naar zijn hart greep en met den uitroep: ‘Ik sterf!’ levenloos ter aarde zonk. Zijn honden lekten hem het gelaat en de handen, zijn Mioritza liet een droevig geblaat hooren, de herders riepen hem bij zijn naam, doch hij lag daar met een zalig lachje op de uitgeteerde trekken en gaf geen antwoord meer. Zijn alpenhoorn lag gebroken naast hem, doch overigens was nergens eenig spoor zichtbaar van den zwaren strijd door den jongen held ge- | |
[pagina 19]
| |
streden. Op de plek zelve, waar zij hem hadden gevonden, begroeven zij hem en noemden dien bergtop den heimwee-berg Virful cu Dor. Reeds menigmaal heb ik den top beklommen en zijn graf gezien, waar nog altijd de schapen grazen, en het geblaat der lammeren zjjn laatsten sluimer wiegt. |
|