Morgenrood(1929)–Hélène Swarth– Auteursrecht onbekend Vorige Volgende [pagina 75] [p. 75] LXVII Na zijn Vertrek Gemarteld bang door smart, te zwaar voor tranen, Door héel het huis zocht ik wat troosten kon. Mijn liefste Brôer toog, ziek, naar Zuiderzon. Eenzelvig kind, zag ik mijn vreugdzon tanen - Tot scheppingsdrang bevrijdend spel verzon. Een sprookje ontlook en, als door rozenlanen, Een fee een kind leidt, voerde in schoone wanen Mij fantasie, die - even - leed verwon. En hoonen hoorde ik: - ‘Nôo is Brôer getogen, Daar schrijft ze alweer! Geen traan ontvloeit haar oogen! Vreemd hartloos kind! zij heeft geen grein gevoel!’ 'k Verbood mijn trots, te luistren naar die woorden. 'k Bleef zwijgend schrijven, hoe ze in 't hart mij boorden. Miskend te lijden leek mijn levensdoel. Vorige Volgende