| |
| |
| |
XVII.
Mij dunkt dat de lezer mij verwijt, zoo wat van den hak op den tak te springen, omdat ik hem niet van naaldje tot draadje, de verschillende gebeurtenissen beschrijf, zoo als bij voorbeeld de ziekte en de begrafenis van het oude moederke.
Waartoe is het noodig, verstandige lezer - want ik houd u voor zeer verstandig, aangezien gij mijn boek reeds tot hier toe gelezen hebt. Wat een natuurlijk gevolg van een natuurlijk feit is, moet ik u niet vertellen: de minste opflikkering uwer gedachte heeft de leemte reeds aangevuld, aan u tijd en aan mij ligt een paar riemen papier gespaard. Moeder Darinckx was ziek, ik heb het u gezegd; het is natuurlijk dat ze sterft en dat ze begraven wordt, en ook dat er veel tranen op haar graf gestort worden.
Luister: de gewone zamenkoppeling der feiten beschouw ik als de beurs met geld, de schoone hemden en het potje zalf van Don Quichotte, die beweerde dit alles niet noodig te hebben om ‘dolend ridder’ te zijn, aangezien hij nooit in de ridder-romans gelezen had, dat dolende ridders zoo iets bij zich droegen; maar de meer prozaïsche waard der herberg, antwoordde hierop: ‘verondersteld, dat er in de geschiedenissen niets van was geschreven, omdat het haren schrijvers was toegeschenen, dat het niet noodig was zulke duidelijke en noodige zaak op teschrijven, als daar was het meênemen van geld en schoone
| |
| |
hemden, men daarom niet moest gelooven dat zij het niet bij zich hadden.’
Ik hoû dus vol dat de kleine zamenknoopsels, die ‘duidelijke en noodige zaak’ zijn, welke ik niet behoef te schrijven, en als u nogmaals eenige leemte hindert, denk dan niet dat ik mij aan vergetelheid heb pligtig gemaakt, maar dat het niet-geschrevene tot de algemeene reis-bagaadje behoort, even als de beurs met geld, de schoone hemden en den zalfpot van den ridder der Mancha.
Zoo spring ik dan ook eensklaps van het huis der vest, in dat van Mijnheer Bareel-Van Dinter.
Marietta heeft te vergeefs een antwoord op haren vurigen brief, aan de baronnes gerigt, verwacht. Dat stilzwijgen kwetst haar diep, omdat zij zulks aanziet als eene nieuwe minachting, haar door die wereld aangedaan, welke zij poogt binnen te treden en buiten welke - en om reden - men haar hardnekkig gesloten houdt.
In de laatste dagen heeft zij al gedaan wat in haar vermogen is, om meer in een helder daglicht te treden, en vooral zich op den weg van Mathilde van Dormael te bevinden: - op het laatste concert heeft zij vlak tegen-over haar, en in een schitterend kleedsel, plaats genomen; bij het verlaten der kerk is zij haar tweemaal voorbij gegaan. De jonge baronnes kent haar echter niet, iets wat Marietta vermeent onmogelijk te zijn - en hetgeen ook inderdaad zeer vreemd is - en de onverschilligheid, waarmede zij de dochter van Mijnheer Bareel bejegent, is eene reden te meer, om bij deze de vinnige jaloezij te doen ontvlammen en
| |
| |
haar te doen besluiten, ten allen prijze, het hart van den jonker - of welkdanig ook - aan Mathilde te betwisten.
Op het oogenblik dat jonker Georges, op zekeren namiddag, zeer gemeenzaam in de kamer treedt, waar Mevrouw Bareel-Van Dinter zich bevindt, en even gemeenzaam naar Marietta vraagt - hetgeen de oude dame hoogst vereerde, want zij ook zegde heel gemeenzaam ‘Georges’ tot den jonker - antwoordde zij met eenen zucht, die al te zwaar was om niet kunstmatig te zijn:
‘Het lieve kind is zoo wonderlijk, zoo neêrslagtig; toen zij u zag komen, is zij naar hare kamer gevlugt, om niet te laten zien dat hare oogen dik geweend waren.’
De blonde Georges is in vrolijke luim en antwoordt, dat hij, als galant ridder, de schoone, welke zoo ontijdig voor hem vlugt, zal achterhalen, al zou zij dan ook eene schuilplaats op den top van het dak gevonden hebben. Mama roept wel bestraffend ‘Georges, Georges!’ maar van Dobbelsteen voegt de daad hij de woorden, en ijlt den trap op.
Denk niet, dat de deur van de kamer der vlugtelinge gesloten is - neen, zij staat integendeel half open, en nu Georges behoedzaam binnen treedt, ziet hij Marietta, het aangezigt afgewend en verborgen in de twee handen, in eenen leuningstoel zitten. Nu zij opstaat, ontvalt haar een klein langwerpig vierkant carton, dat ze te vergeefs poogt te grijpen. De jonker is vlugger dan zij: - hij herkent zijn portret, dat vroeger aan den muur gehangen heeft, naast fletsche en zinstreelende figuren - vrouwenfiguren, die het eerbaar maagden-oog moesten kwetsen, en die een wonderlijk contrast maken met het beeld der Moeder Gods, de
| |
| |
Christus en den palmtak, herinneringen uit het kostschool-leven, en waarvan Marietta de uiterlijke naïveteit wil behouden. Immers, die voorwerpen spreiden iets reins, iets maagdelijks over de vrouw, welke ze vereert. Doch wat waarde kunnen zij voor den scherpzigtigen waarnemer hebben, in gezelschap van profane printen en statuëtten; in gezelschap van den zedeloozen Franschen roman, die gelijk eene slang rond het prachtige en pronkende kerkboek schijnt te kronkelen?
Marietta heeft echter met een zeer kortzigtigen toeschouwer te doen.
‘Gij weent, Marietta?’ zegt de jonker met een ligten glimlach en legt, gevleid, het portret op tafel.
‘Mijnheer, ik bid u.....’
‘Mijnheer? Wat zijt gij koel, my dear child!’
Het meisje wil de kamer verlaten, doch Georges verspert haar den weg; zij laat zich dan ook weêr moedeloos, juist alsof ze door een groot lijden verpletterd wordt, neêrvallen en begint andermaal te snikken.
‘Maar zeg mij dan toch wat u scheelt, Marietta?’ fleemt de jonker.
‘Dat kan ik u niet zeggen, Georges; och, ik bid er u om, laat mij alleen.’
‘Never! waarom kunt gij mij dat niet zeggen? Ben ik dan uw vertrouwde vriend niet.’
‘Het was vermetel van mij, te denken dat gij het waart.’
‘En sinds wanneer ben ik in uwe ongenade?’
‘Ach, Georges, spot niet met mij!’ Marietta ligt het hoofd
| |
| |
op en staart den jonker met door tranen overwolkte oogen aan: ‘Spot niet zoo bitter met een ongelukkig hart zoo als het mijne! Heb ik niet reeds genoeg geleden! God, mijn God! ware ik nog kind en in de kostschool, dat heiligdom der eerste jaren’ - en Marietta heft, om er akelig van te worden, de oogen naar het heiligenbeeld op - ‘ofwel ruste ik in het graf; want zóó, zoo is het leven eene hel.’
Zij slaat de handen voor de oogen en nokt; de jonker is bewogen over zooveel ontroostbare smart, over zooveel wanhoop.
‘Maar, my dear.....’ waagt hij te zeggen.
‘Ik was zoo gelukkig voor ik u kende..... en nu, nu.....’ en Marietta slaat de beide handen aan het voorhoofd en wroet zich de hairen los.
Dat nu is inderdaad hartverscheurend; Georges is er diep door ontroerd.
‘En wat is er nu dan?’ vraagt hij gansch onthutst.
‘Georges, wist gij hoe lief ik u heb?’ en het meisje bedekt eensklaps weêr, schaamrood wordende, de oogen, terwijl Georges, verrukt over die verklaring, verheven tot in den derden hemel, niet weet of zijn hoofd nog wel op de regte plaats staat, en nu Marietta eensklaps op de kniën zakt, met losgewoeld hair, betraande oogen en opgeheven handen, uitroepende: ‘Vergeef, vergeef mij die woorden! Ik had ze nooit moeten uitspreken! O, welke schande als gij mij verstoot! Genade, Georges, genade.....’ - nu, zeg ik, is het zeker dat de jonker zijn hoofd verloren heeft.
Hemel en aarde! wat is zij schoon op dit oogenblik!
| |
| |
Tegen zulk eene verklaring, doormengd met eenen stortregen van tranen, met een klagend windgehuil van och's en ach's, van snikken, snakken en zuchten, vergezeld met tragische gebaarden van handen en armen, zoo wanhopig wild als de takken eens eiks, door den wind heen en weêr geslingerd worden - lezer, niet waar, tegen zulk een orkaan der liefde is inderdaad niets te doen. Gij zegt: u beschermen door den parapluie van het gezond verstand? Onnoozele! die regenscherm wordt aan stuk geslagen en gij zelven opgeligt, indien de scherm zelfs niet in ballon verandert, en u des te eerder met uwe liefste naar hoogere spheren doet vliegen!
Jonker van Dobbelsteen is reeds in de wolken der liefde, alvorens het te weten.
‘I love you, my dear!’ roept de tot Engelschman herbakken jonker uit, terwijl hij het meisje oprigt.
‘O, misleid mij niet!’ smeekt Marietta uit. ‘Laat mij in die zalige betoovering; roep mij niet uit dien hemel van zaligheid..... Herhaal, wat gij gezegd heb, Georges..... mijn Georges!’
‘Dat ik u lief heb, Marietta!’ zegt de jonker gansch bedwelmd, als hadde hij de wijnproef van vader Noach onderstaan.
‘O Georges,’ klinkt het tragisch, en ze zegt, precies gelijk in de comedie: ‘gij zijt mijn Monte-Christo, mijn Jocelin, mijn Edgard, mijn Djalma!’
Lezer, dat Jan-Klaassenspel duurt nog wel een half uur voort, en zonder dat de jonker iets van de draden bemerkt; hij staat
| |
| |
voor de poppenkast met kloppend hart, met klammige oogen, gelukkig als een boerenjongen op de kermis, die niet bemerkt dat men hem juist op dat oogenblik zijne beurs ontsteelt.
Gij hebt reeds gezien, dat de dochter van Mijnheer Bareel-Van Dinter veel aanleg heeft, om eene uitmuntende tooneelspeelster te worden. De rol is tamelijk lang bestudeerd. Mama - en in dit geval hebben de domste vrouwen oneindig meer doorzigt dan wij - heeft het plan van het tooneelspel ontworpen; Marietta heeft het verbeterd, vermeerderd, het ontwerp met een aantal kleine bijzonderheden verrijkt, en het geheel moest des te gemakkelijker spelen, aangezien van Dobbelsteen in het geheel den parapluie van het gezond verstand niet bezit.
Daar dan, net zoo als men op de tooneelplanken en in de gekke Fransche romans doet, wordt er eene eeuwigdurende liefde gezworen; de jonker belooft plegtig aan die pretentieuse Mathilde van Dormael niet te denken, en Marietta spreekt met zooveel verachting van Tony Darenge - en hierin is zij opregt - dat Georges ten eenemale van die zijde gerust is gesteld.
De triomf was volledig - zoo dacht Marietta, zoo dacht de moeder.
Ongelukkig heeft jonker Georges eene spons in plaats van een hart: die zwelt ligtvaardig op, doch bij den minsten vingerdruk laat zij ook het ingezogen vocht weêr vlieten, en nu de koude avondlucht hem eenigzins tot de kalmte brengt, vindt hij dat juist Mathilde van Dormael eene voortreffelijke partij zou zijn; maar staat die ellendige Max Franck hem niet gedurig in den weg?
Onlangs nog, op eene partij, heeft die verwaande zwijger hem
| |
| |
bloedig doen gevoelen, dat hij hem niet acht, en toen Georges poogde te spotten, over zekere liefdadigheid jegens het schoone werkmansmeisje, had Franck hem koel in het aangezigt gestaard en de schouders opgehaald. Ook de baronnes was koeler jegens den jonker geworden: dat is gewis de schuld van dien lasteraar geweest!
‘Indien ik mij ooit op dien kerel wreken kan.....’ mompelt Georges, en treedt eene kleine, maar sierlijke herberg binnen.
De lezer gelieve mij daar te volgen. Eene herberg! Dat schijnt u triviaal toe en een dichterlijk romanschrijver zou zijn tooneel ten minste in eene club of société privée plaatsen.
Het spijt mij, lezer, en bovenal voor u, kind der verlichtte eeuw, dat gij met zooveel minachting van het bier- en jeneverhuis spreekt. Daargelaten dat de kroeg niet zelden het voorhof is der crimineele regtbank, zoo rijk in treffende tafreelen - vooral voor ledigloopers - is zij in onze dagen de politieke club geworden, waar men, onder het inzwelgen van vaderlandsch gerstennat, over de grootste vraagpunten beslist.
Antwoord mij: is het niet daar, dat niet zelden de kandidaten voor de Kamers gekozen, wetten ge- en veroordeeld, ministers op de kussens gezet of er afgeblazen worden?
Wat beteekenen uwe studiekamers, kabinetten, akademiën, hoogescholen - het centrum der politieke wereld, is de bierwinkel. De vorsten dubben op een moeijelijk vraagpunt - pif! in de herberg is, in een omzien, die gordiaansche knoop doorgehakt. Diplomaten spelen om het fijnste schaak - paf! de herbergredenaar ziet bij den eersten oogslag hoe men schaakmat speelt.
| |
| |
Legers staan tegen- over elkander - poef! de victorie is reeds beslist.
't Wordt vrede - ‘heb ik het niet gezegd!’ roept de herbergpolitieke. 't Wordt oorlog: - ‘heb ik het niet voorspeld!’ klinkt het triomfantelijk..... Daar verschuift men grenzen en troonen als de schijven op het dambord; begrootingen en kredieten doet men in elkander passen als de steenen van het domino-spel; volkeren schudt men dooreen gelijk een spel kaarten; argumenten blaast men weg gelijk de tabakwolken; legers neemt men op en verplaatst ze zoo gemakkelijk als de engel, Habakuk opnam; vesten en forten vallen gelijk de muren van Jericho: - 't is minder dan een goocheltoer.
En zoudt gij, lezer, met zooveel minachting van de herberg spreken - van dat Forum, waar de burger des avonds 's lands zaken komt besturen! Eerbied, als gij spreekt van het voorhof der politieke grootheid, van het staatkundige heiligdom, en waar diegene welke de zwaarste stem en de sterkste longen heeft, ook als de grootste en diepzinnigste staatsman aanzien wordt.
Gij zegt, dat de herberg het individualismus bevordert en hot familie-leven doodt - kortzigtige! Dat het familie-leven de groote steun is der maatschappelijke zamenleving - achteruitkruiper! Dat deze in hare grondvesten ondermijnd wordt, als..... - zwijg, lichtverdoover! Telt gij dan de persoonlijke vrijheid, de ontslaving des mans van de dwingelandij der vrouw, het losser maken van den huiselijken kluister, waaraan hij geboeid ligt, telt gij dat voor niets?
O, zeg wat gij wilt, maar de jonge herberg-politieke vooral,
| |
| |
weet dat hij, onder het wegdampen des tabaks, onder het drinken van zijn glas bier, in de staatkundige balans van Europa weegt. Nu verdedigt hij stout zijne denkwijze - die van zijn dagblad eigenlijk; morgen wijst hij den kandidaat zijner keuze aan; overmorgen verschijnt hij aan de stembus en is er de handhaver van regt en orde - als het in 't voordeel zijner partij is, wel te verstaan; 's avonds is hij opgewonden van vreugde over zijnen triomf en trekt - de koets van den gekozene.
Jonker van Dobbelsteen maakt uitzondering in zijne staatkundige club - meestal dezelfde jongens, die wij bij Tony Darenge aantroffen. Georges weegt niet in de balans; na eenige magtspreuken is hij, aan 't einde van zijn politiek programma. Maar als er van de vrouwen gesproken wordt - tweede en voornaam kapittel - o, dan is hij de leider, de toongever. Indien de vrouwen wisten hoe, in zekere kringen, hare eer en naam verdacht gemaakt, gedefloreerd en gevlekt wordt.....
In elk bierhuis is Georges gekend. Als hij in zijnen tilbury voorbij jaagt, ligt zeker daar iemand het gordijntje op. De huisvrouw, die ik maar Calypso noemen zal, maar die ons aan Madame Grégoire in het lied van Béranger doet denken - de huisvrouw, pronkend opgetooid en met de gouden keting om den hals, wenscht hem bij het binnen treden, vriendelijk lagchend ‘goeden dag,’ en onmiddellijk herhaalt als een echo, in de keuken, een helder en nog vriendelijker stemmeke ‘Mijnheer Georges!’ 't Is de meid, die voor de Eucharis speelt.
Georges kent elk dezer dames met den naam; hij is de vriend, de vertrouweling van allen: een echte herbergvrijer. Heeft
| |
| |
Calypso een verkoudheid - morgen komt hij met eene doos pate pectorale aanloopen. Heeft Eucharis winterhanden - den dag nadien brengt hij haar van 't fijnste beerenvet. Hij is eene wandelende apotheek! Gisteren had hij China's-appels in den zak; dan weêr zoete amandelen of andere aardigheden uit den fruitwinkel. Dezen avond zal hij ze onthalen op Champagne, of leidt ze met Vasten-avond naar het gemaskerd bal - niet zelden, om zich die hartjes door eenen anderen te laten ontstelen, nadat zij 's jonkers goudstukken uit de beurs hebben doen walsen.
Maar in den bierwinkel geniet Georges de eer, dat Eucharis meer dan eens vertrouwelijk met hem komt fluisteren en heimelijk lagchen; dat Calypso hem nu en dan een knip-oogje toezendt - en dat geeft veel te denken aan de andere personen, al was het maar dat hij daar, al de matadors van het spel heeft. Ziedaar waar die man zijne eigenliefde plaatst; ziedaar zijn hoogmoed, zijne fierheid, zijne overwinning! Ziedaar dan, waar dat adelijk schepsel, wiens voorzaten misschien op het slagveld streden en in de raadzaal schitterden, zijne eerplaats zoekt! De voorouders waren misschien de steun des vaderlands; de nazaat is ten hoogste de steunpilaar van eenen..... drankwinkel.
Georges is - eene wandelende liefde aan zes centen: juist de prijs van een glas bier.
Nu hij de herberg binnen treedt wordt hij door een luid hoerrah! begroet. Hij zelf is in eene opgewonden stemming; zijn triomf bij Marietta is immers te groot, om niet gelukkig te zijn. Ook werpt hij uitdagende oogslagen op Tony Darenge
Georges vraagt, als een echte Engelschman, grog - veel grog.
| |
| |
Lezer, ik zal u de gedruischmakende redeneering van 't gezelschap niet opteekenen: men kan ongeveer raden wat er verhandeld wordt. Overigens zijn er verschillende groepen, en een dezer wordt onder ander gevormd rond van Dobbelsteen, die met Tonv Darenge, voor tamelijk zwaar geld, piquet speelt.
Ik heb u reeds gezegd, dat die twee menschen elkander eene diepe verachting toedragen; doch de berekening brengt hen bij elkander: één voorwerp - het is Marietta - beoogende, zoeken zij wederkeerig uit elkanders houding en woorden, gissingen te trekken, waardoor de tegenpartij in den valstrik kan worden gebragt.
Tony Darenge speelt koortsachtig, de kans is hem voordeelig; toch let hij niet erg op het spel. De jonker verliest, verdubbelt telkens de som, verliest andermaal, wordt ongeduldig, boos zelfs; spot kwetsend met Tony, schampt onregtstreeksch op zijne liefde, spreekt van roturiers en gemeene kinkels - en opspringende, werpt hij plotselings de kaarten in Tony's aangezigt:
‘Gij zijt een valsch speler!’ roept hij.
Darenge springt ook regt, antwoordt met eenen slag en voegt erbij:
‘Dat liegt ge!’
De donder is losgebersten. Elk der beide strijders gevoelt de eigenlijke reden van den twist: 't is de oude haat die opwelt. Al de vrienden zijn opgestaan, de bende verdeelt zich; elk kiest zijne partij. Men herinnert zich in de romans gelezen te hebben, dat eene beleediging niet anders dan door bloed kan uitgewischt
| |
| |
worden: jonker Georges bezit dat ridderlijk denkbeeld ook, en met den moed van een romanheld eischt hij satisfactie.
‘Gij zult ze hebben!’ roept Darenge al harder dan Georges.
‘Ja, dat moet door een tweegevecht beslist worden!’ klinkt het van weêrskanten in de bende.
‘Ik ben de beleedigde!’ hervatte Tony.
‘De dag?’ vraagt de jonker, zoo theatraal mogelijk.
‘Morgen!’ roepen allen.
‘Het uur?’ vervolgt de jonker.
‘Tien uren’ zegt Tony.
‘Het wapen?’
‘De pistool.’
‘Ik zal u dooden als een hond!’ roept de jonker.
‘Nadat ik u den kop zal verbrijzeld hebben!’ antwoordt Darenge, die in hard schreeuwen al meer moed toont dan zijne tegenpartij en de vrienden, zoowel als Calypso en Eucharis, hebben veel moeite om te beletten dat de twee strijders elkander niet onmiddelijk met de vuist aan 't lijf willen. De getuigen worden gekozen, de plaats bepaald. Men trekt de overjassen aan, men drukt den hoed koortsachtig op het hoofd; men dringt kijvend en razend rond de tafel, waar Georges en Tony zich bevinden; men stapt driftig de herberg op en neder - en eindelijk meer vergramd dan ooit, door nog honderde scheld- en schimpwoorden, gaat de vereeniging, in eene hevige ontroering uit-een, terwijl Eucharis den jonker snikkend om den hals valt - 't geen een heel indrukwekkend tooneel is - en hem vaarwel zegt, indien hij van dien gevaarvollen togt niet levend mogt weêr komen.
| |
| |
‘Niet weêr komen?’ roept Georges; ‘morgen breng ik u zijne ezels-ooren op sterk water.’
‘Morgen breng ik hier uwe hersenpan, om ze voortaan voor tabaksdoos te doen dienen. Dan ten minste zal zij ooit tot iets goeds gestrekt hebben!’ antwoordt Darenge.
Het gezelschap rilt voor die kanibalen-gramschap en vraagt - naar lucht.
‘O die beulen!’ kermen Calypso en Eucharis.
‘Ik geef geen cent meer voor het leven van Georges!’ zeggen bedenkelijk op straat de vrienden van Tony.
‘Tony,’ mompelen nog bedenkelijker de vrienden van Georges, ‘is morgen stellig ad patres.’
‘Toch moet er gevochten worden!’
‘O zeker! Alleen bloed kan zoo iets uitwisschen!’
Eene kleine gestalte slentert op eenigen afstand in de schaduw der huizen voort; doch de sprekers geven er geen acht op, hoewel het blijkbaar is dat zij aandachtig luistert. Jonker Georges en zijne vrienden zijn nu alleen. Georges wordt meer en meer opgewonden; hij wil met iedereen vechten; hij wil zelfs zijne getuigen dooden.
Men is in eene eenzame straat gekomen: eensklaps houdt de jonker voor een gesloten huis stil; het is daar dat Max Franck woont - dat voor hem zoo hatelijke wezen. Georges wijst op het huis en zegt tot zijne vrienden:
‘Weet gij wie daar woont?’
‘Drommels, Mijnheer Franck!’ klinkt het.
‘Een ellendige, verwaande kerel!’ hervat Georges opgewon- | |
| |
den;‘een tafelschuimer, een schobbejak die aast op de beurs van baron van Dormael; een lasteraar, die mij bij die nuf van baronnes heeft zwart gemaakt, omdat hij, de roturier, als pretendent durft optreden!’ - en al de roturiers, daar aanwezig, vinden de Pretentie van Mijnheer Franck belagchelijk. - ‘Krijt’ gaat de jonker voort ‘geef mij krijt!’
‘Wilt gij uw testament op de deur schrijven?’ vraagt een der vrienden spottend.
‘Spot niet!’ gaat de razende van Dobbelsteen voort ‘en geef me krijt.’
De kleine gestalte, waarvan ik u zoo even sprak, springt nader. Wat zit er niet in eenen straatjongens-broekzak! Toen Beets, in zijn heerlijk boek Camera Obscura, den inventaris van dat arsenaal maakte, heeft hij vergeten het stukje krijt aan te teeke nen; dat was een grove misslag. Gelukkig heeft hij zijne optelling door eenige enz. enz. besloten, en het krijt moet daaronder ook wel zeker begrepen zijn. De zak van den kleinen slenteraar was er dan ook wel degelijk van voorzien - niet, ik herhaal het, omdat ik het nu juist noodig heb, want een goed romanschrijver kan overal krijt vinden - maar omdat het waarachtig in den zak van elken wel opgevoeden straatjongen te vinden is, ten einde zijne denkbeelden, in schrift en teekening, op ieder oogenblik, op deur en koetspoort te kunnen schrijven.
Nu de jonker geschreven en de bende het geschrevene gelezen heeft, geeft hij den knaap een zilverstuk, en werpt hem het krijt in het aangezigt.
Razend, pochend, juichend over die dappere daad, spot- | |
| |
tend met den stijven en verwaanden Franck, den neus optrekkend voor die.... van Dormael's, gaat de troep heen. Plaesteren-Dooc, want hij is het, is ook nader geslopen, spelt en leest: ‘Den lafaard Max Franck wacht ik morgen op het terrein.’ Wie? - waar? - welk uur? Dat heeft de jonker gewis vergeten; maar Dooc is daar om de noodige inlichtingen te geven.
De kleine baron Pot komt juist op dat tooneel te pas: hij is dien avond door Jan-oom, met eene dringende boodschap naar Mijnheer Franck gezonden. Nu belt hij met dubbelen moed: hij heeft ook eene dubbele boodschap te volbrengen. Zij is echter deels onnoodig: Max Franck heeft alles door het openstaande venster van zijn studeervertrek gehoord.
Een oogenblik.....
Vergeet de schrijver hier niet, dat wij in den winter zijn en dat een open venster..... Vergeef mij, geachte lezer, maar gij dwingt mij, en ik druk op dit woord, gij dwingt mij, eene zeer prozaïsche verklaring te doen; gij dwingt mij u te zeggen, dat de schouw ellendig trok en het juist op dat oogenblik verduiveld rookte in de kamer van Mijnheer Franck.
|
|