| |
| |
| |
XVI.
Drummel nuttigt zijn middagmaal in het koude vertrekje, waar wij hem reeds hebben aangetroffen: zijn maaltijd bestaat uit eene soort van soep, of liever nat, waarop hier en daar een oog vet drijft; uit graauwe erwten, die in een zwart verbranden pot dampen, en eene sneê brood. De man leeft, men ziet het, op eene gansch patriarchale wijze; hoe patriarchaal de dienstmeid moet geleefd hebben, laat zich naar het beschrevene afleiden.
Gewis zal de lezer, bij het zien van dien pot met graauwe erwten, aan de onmeetlijke goudstapels denken, welke Drummel hier of daar, misschien onder de vloersteenen van zijnen kelder, begraven heeft? Dat is immers een heerlijk contrast: goud en graauwe erwten, hetwelk een romancier, bij het beschrijven van eenen vrek, niet kan, niet mag verwaarloozen?
Het spijt mij, dat ik mijnen lezer dat effect besparen moet; maar Drummel is een slimmer vrek dan er de romanschrijvers voorstellen: Drummel laat zijne geldstukken in geen vochtigen kelder beschimmelen, maar doet ze ter beurze renten opbrengen, en wat zijne papieren betreft, die zijn zorgvuldig in een ijzeren brandkoffer gesloten, en dat koffer bevindt zich in eene kamer, waar de al te nieuwsgierige dieven zich niet zullen wagen.
Drummel, men ziet het, is een zeer prozaïsche woekeraar, die mij de gelegenheid niet geeft om den veel-eischenden lezer, op
| |
| |
eenige donderende theater-effecten te vergasten. Hij eet dan, zeg ik, zijne graauwe erwten, uit den zwart verbranden pot, nu op zekeren middag Mijnheer Tony Darenge binnen treedt, na zich reeds vier of vijfmaal des avonds te vergeefs voor het huis te hebben aangeboden; hij eet zijne erwten, en gaat voort met eten, want het is zijne trotschheid te doen zien, dat hij matig is als een Robinson Crusoë - zoo als hij ook gaarne zien doet, dat hij dos avonds zijne zielespijs zoekt in de lezing van een vroom boek.
‘Hemeltje-lief, Mijnheer Darenge!’ zegt Drummel grinnekend. ‘Neem mij niet kwalijk, ik ben aan het nageregt - erwten, heerlijke, lekkere erwten! 't Is mijn lievelings-eten. Houdt gij ook van graauwe erwten, Mijnheer Darenge?’
‘Ik hoû bijzonder veel van klinkende munt, Mijnheer Drummel!’ en de jonge heer trekt den neus op voor den onaangenamen reuk, die in de kamer verspreid is. ‘Ik kom, Mijnheer Drummel,’ gaat hij met nadruk voort, terwijl hij zich vlak voor den erwten-eter neêrzet, ‘ik kom om onze rekening te vereffenen.’
Drummel vischt altijd nog naar de laatste erwt in den pot, en houdt dus de beide oogen in denzelve gevestigd.
‘Mijnheer Darenge, van welke rekening wilt ge spreken? Van die der portefeuille welligt?’ vraagt hij middelerwijl.
‘Ik wil spreken van de honderd francs, die gij mij schuldig zijt voor het verkoopen van den schuldbrief?’ is het nadrukkelijk antwoord.
‘Ho, ho! hu, hu!’
‘Gij zult toch niet loochenen.....’
| |
| |
‘Mijnheer Darenge, gij hebt u in de rekening bedrogen; gij hadt mij gezegd, dat ik dien schuldbrief voor twee honderd francs zou hebben ingekocht.’
‘En gij hebt er drie honderd moeten geven.’
‘Gewis, en zoo doende verliest gij de honderd francs.’
‘In 't geheel niet.’
‘Zonder den minsten twijfel, Mijnheer Darenge.’
‘Voor het minste zouden wij in dat geval ieder de helft moeten verliezen.....’
‘Noch het een, noch het ander! Daarbij honderd francs is eene heerlijke winst, en hadde die eerlijke Mijnheer Franck mij de som niet eens, zonder omzien, betaald.....’
‘Hoe de som is reeds betaald?’
‘Zoudt gij misschien liever gehad hebben, dat mij den schuldbrief niet werd afgekocht?’ zegt Drummel, zijne vork in den ledigen pot leggende en dezen voorzigtig ter zijde schuivende. ‘Ik zou uwen broeder’ - Tony wordt bloedrood - ‘of is het uw broeder niet? Wie drommel heeft mij dat onlangs in het oor geblazen!’ mompelt Drummel met een helschen glimlach. ‘Nu om 't even, ik zou dat brave huisgezin veel last berokkend hebben, en.....’
‘Genoeg!’ zegt Tony opspringend; ‘het is eene reden te meer, om mij mijn regtmatig aandeel te betalen!’
Het wordt den jongeling te benaauwd in die kamer; Drummel weet immers wie hij is! Drummel heeft met zijne helsche oogen achter de gordijn van Tony's Jan-Klaassenspel gekeken, en in den windmaker, den geringen stoeldraaijers-zoon herkend!
| |
| |
‘Laat ons liever een woordje wisselen over de portefeuille’ hervat het manneke en staat op, om voorzigtig de deur te sluiten.
‘Ik wil niets meer met u te maken hebben!’ is het antwoord.
‘Dan zult gij eenen anderen opzoeken, om u die zaak te helpen ontwarren; maar in dat geval treed ik altijd als derde persoon, als deelhebber in zekere winst, op, gelijk ik mijn aandeel zal hebben in de Christelijke verdiensten, om die ontstolen fortuin aan hare regtmatige erfgenamen te doen terug geven. Mijnheer Darinckx - vergeef me, ik wil zeggen Darenge - ik ook ben bezitter van het geheim.’
‘Ik begrijp u!’ mompelt Tony, wel vattende, dat de oude Drummel hem bij den kraag had en stevig vasthield.
‘Mag ik weten welke fortuin in die zaak betrokken is?’
Tony fluistert den naam van eene der voornaamste familiën te Antwerpen.
‘Ho, ho! hu, hu!’ roept Drummel ‘millioenen!’
‘Wat geeft ge op voorhand?’
‘Geen roode duit.’
‘Hoe, twijfelt ge dan?’
‘Ho, ho! hu, hu! eerst de papieren zien.....’
‘Gij zult ze dezen avond zien!’ zegt Tony driftig en stormt he deur uit. Waarop bouwt hij toch de veronderstelling, dat de portefeuille van baron Judocus Pot, dien onmeetlijken schat inhoudt? Enkel op de gezegden van den knaap zelven, die dikwijls aan zijne straatwereld vertelt, dat hij nog eens in eene gouden koets zou rijden, en die er aan durfde twijfelen, kreeg zooveel vuist-argumenten, dat men het best vond - te gelooven. De
| |
| |
portefeuille bevindt zich, na het huwelijk, in het huis aan de vest; Tony weet zeer goed de plaats waar men de papieren van eenige waarde verbergt - daarbij, er ligt daar ook een door hem geteekend schrift, waarin hij verklaard heeft, af te zien van alle regt op erfenis, indien zijn broeder de nog bestaande schulden op zich nam; maar nu de schulden vereffend zijn, kon hij immers, na het verdwijnen van dat schrift, een deel van den kleinen eigendom zijns vaders eischen!
Voorwaarts dus op den weg, waar een dubbel profijt hem te wachten staat. Daarbij de nood dwingt: de schuldeischers kloppen op zijne deur: de kleêrmaker dreigt, de schoenmaker tiert, de waschvrouw huilt: 't is kortom een concert van schuldeischers - en dat volk, wie weet het niet bij ondervinding? heeft geen eerbied, geen ontzag, geene voorbehouding. Schuldeischers - dat is gelijk de worm in het koorn, de mot in de kleêren, de nachtmerrie in den slaap. Wat zou de wereld een aardsch paradijs zijn - voor de schuldenaars - als er geene schuldeischers meer waren!
't Is volop winter geworden: de sneeuw heeft boom, huis en toren in het witte bruidskleed gehuld: - de dichters zeggen liever in het doodlaken, en 't kan hier ook wel eigenaardiger zijn, want het geeft des avonds aan de buurt der vest, een droevig uitzigt. Heerlijke plaats om te droomen, niet voor u, vuur- en waterpoëten, die door afgunst en nijd belet worden met uw genie in de wereld te dringen - en die, ik bewonder uwe menschlievendheid, gedurig op de loer zit, of er ons hier of daar niet een ongeluk overvalt: al was het maar een poedel die in 't water
| |
| |
sukkelt, ofwel de veêr eener ganzenpen welke verschroeid wordt!
Gij die, zeg ik, gedurig het oogenblik beloert, om op het weefgetouw te springen, en voor een menschlievend doel uwe poëzij of proza in het licht te brengen, 't Is waar, het publiek betaalt eerst de drukkosten door milde inschrijvingen; 't is waar, gij schenkt u zelven, door middel van het ingeschreven geld, een papieren eerzuil, waarop, misschien met gouden letters, de naam van ‘liefdadig mensch,’ gedrukt staat - maar wat er overschiet is toch voor den ongelukkige! En indien er balans in de rekening is - en in eene deftige rekening is er bijna altijd balans! - dan toch is 't nog een zoete troost, voor hen die honger hebben, nadien op den papieren eerzuil te staren en te zeggen: ‘Als ik eens geld heb om naar den kruidenier te gaan, dan toch zal hij mij mijnen rijst en mijne boter gerieven in de losse bladen van dien edelen menschenvriend!’
Neen, 't is geene plaats voor u, mijne dierbare vuur- en waterpoëten, want er is noch brand, noch watersnood; 't is eene plaats voor de teêrgevoelige, zieke dichters - leveranciers van lijkbidders-poëzij - voor die ongelukkigen, met blozende en ronde wangen, die beweeren dat ze wegteeren van verdriet, wier hart gebroken is en wier oogen twee eeuwig spuitende warm-water fonteinen zijn geworden; voor hen, die altijd de klagt op de lippen, den doorn in 't hart, den traan in 't oog hebben en schijnbaar gekleed gaan in een doodlaken.
Maar gij, schrijver?....
Och, ik heb ook al eens de treurwilg gespeeld, die zijne kruin mismoedig laat neêrzakken, en echter gulzig het levenssap op- | |
| |
zuigt en bloei en welvaart geniet; bitter heeft men het mij verweten; maar ik hoop mij te verzoenen met de leeraars van het thans heerschende stelsel, hetwelk men ten onregte l'impuissance de l'art durft noemen - hoewel ik tot nu toe, als een half bekeerde, nog altijd naar eenen middelweg zoek!
Ik zeg dan, dat het eene heerlijke plaats is om te droomen, indien men in de scherpe koude geen prozaïschen rooden neus oploopt, met welken men toch niet voor de Dulcinea zijner droomen verschijnen kan.
Er is iets kerkhofachtig in de buurt, zeg ik, en dat gevoelt Tony zelfs, die op verre na geen Lamartiniaen is. Nu hij daar des avonds, deels verscholen achter eenen boom, staat, huivert hij niet alleen van koude - neen, hij huivert in die akelige rust, omdat zijn hart zondig is; omdat hij daar komt om eene wezenlijke heiligschennis te plegen.
Het huis met den houten gevel is gesloten; er schijnt eene ongestoorde rust daar binnen te heerschen. Het slaat negen uren op de klok van het naburige klooster: op dat uur zou Jan Darinckx zijn huis moeten verlaten; in den voor-avond had de werkman een briefje ontvangen, dat hem bij Mijnheer Franck roept. Het is wel degelijk het geschrift van Mijnheer Max, hoewel, de lezer zal het begrijpen, deze laatste er niet het minste in betrokken is. 't Is een handige kerel - die Tony: hij heeft zich dikwijls, gewis om zijn ledigen tijd te dooden, bezig gehouden met het namaken van handteekens - en dit wordt meesterlijk gedaan!
Op klokslag gaat de deur open en Jan Darinckx gaat, met
| |
| |
gebogen hoofd, langs de muren der huizen en verdwijnt in de besneeuwde buurt. Nu, moed gevat! Binnen sluipen, schoone woorden geven aan zijne moeder - en moeders zijn zoo blind! - beweeren, dat er in den lessenaar een oude brief ligt, dien hij noodig heeft voor zijn geluk, voor zijne toekomst; dien zelf helpen zoeken; in dat geval behendig zijn eigen kwijtbrief en de portefeuille bemagtigen, aan deze ontnemen wat hem dienstig zijn kan en ze daarna - moest het zijn! - terug geven: ziedaar een plan dat zeer uitvoerbaar is.
Tony Darenge huivert echter - hij nadert wel is waar snel het huis, maar aan de deur aarzelt hij en draait plotseling den kleinen gang in, naast de woning zijner moeder. Den hoek om is er een oude brokkelige muur: als kind had hij meer dan eens den voet in de gaten der uitgevallen steenen gezet, had zich met de handen in de andere gaten vastgeklampt, om zoo een venster in den achtergevel van het huis te bereiken - en dat venster bragt hem onmiddellyk in het zykamertje, waar de lessenaar staat.
Dat is een ander, misschien een beter ontwerp: in een-tweedrie bevindt hij zich op den muur. Een flaauwe lichtgloed valt door het venster; Tony's hart bonste. Nu rigt hij zich voor het venster op en staart binnen.
Het licht eener kaars waggelt flaauw op den bewusten lessenaar, en werpt zijn rossen gloed op eene doodkist, welke op twee stoelen staat en met een wit laken overdekt is.....
Eene huivering loopt den slechten zoon over de ledematen en zijne haren rijzen te berge; de deugniet deinst terug voor de
| |
| |
doode - voor het lijk zijner moeder, want hij begrijpt dat die kist haar lijk moet bevatten. Hij is nog geen schurk genoeg, om van die goede gelegenheid gebruik te maken en over de doodkist heen, den verlangden schat te grijpen. Hij bonst integendeel achterwaarts en ontvlugt ijlings de plaats.
Op eenigen afstand van daar komt hij tot bezinning: hij lacht nu met zijne vrees; hij gevoelt hoe ver Mos, de lijkbidder, boven hem verheven staat. Ook keert hij terug; maar nu hij het huis nadert, ziet hij zijnen broeder binnen treden.
‘Ik zal later gaan’ mompelt hij; ‘op den dag der begrafenis!’
Er welt geen traan in zijn oog, geen zucht uit zijn hart op; maar hij is onrustig, als zit de booze geest hem op de hielen.
Nu hij in zijne kamer komt, verwittigt men hem, dat zijn patroon hem verlangt te spreken; juist nu hij derwaarts gaan wil, komt Mijnheer Bareel-Van Dinter zelf den trap op. De deur der kamer wordt gesloten; men spreekt lang fluisterend, men ontvouwt papieren en herplooit ze weêr. Een uur nadien, verlaat de patroon de kamer van zijnen klerk, ziet er vergenoegd uit, drukt dezen de hand en noemt hem zijn vriend, en nu Tony alleen is, barst hij eensklaps in eene zinnelooze vervoering los: ‘Ik zal nog eens rijk zijn, en Marietta zal mij toebehooren!’
De toekomst schemert zoo schoon, als de eerste glans van den dageraad; Tony denkt zelfs niet meer aan de kostbare portefeuille, evenmin als hij denkt aan het lijk zijner moeder.
|
|