| |
XIII.
't Is een heerlijke September-namiddag. De familie Bareel is in de woonkamer vergaderd, waarvan de vensters, die op den tuin uitzigt geven, open staan.
De huisheer zit in eenen leuningstoel nabij de tafel en laat de voeten, in met groote rozen bestikte pantoffels besloten, op een niet minder kleurig voetbankske, rusten. Mijnheer Bareel rookt den geurigen Varinas uit eene lange pijp. Mevrouw Bareel, in een zachten armstoel gezeten, doet eenig handwerk en luistert naar de nu eens slepende, dan eens dartele fantasiën, welke hare Marietta op het thema van la Folle maakt.
Naast de piano staat Tony Darenge, in eene houding, welke aan die van een modeplaatje doet denken, en telkens als Marietta ophoudt met spelen, heeft hij eenen volzin op de lippen - een compliment, voor hetwelk hij zich, onder het spelen, het hoofd afbeult. Meestal was het dan ook eene zinsneê uit dezen of genen roman opgeraapt.....
De stoeldraaijers-zoon heeft veel gezien, veel gehoord en veel
| |
| |
aangeleerd; maar de jongen van de vest dringt wel eens door dit alles heen. Gelukkig verkeert hij in den kring eener halve beschaving, waar de schakeering tusschen het ware en het valsche niet altijd wordt opgemerkt. Zelfs Mejuffer Marietta heeft oogenblikken, dat zij den toegezwaaiden wierook - al is hij dan ook niet van de fijnste soort - welbehagelijk opsnuift, terwijl op andere oogenblikken haar spottende lach den armen Tony bloedrood worden doet.
Dezen avond vooral is Marietta teder, gevoelig, hoogst sentimenteel. Ze speelt zoo amoroso op de piano; ze zingt heel het repertorium van flaauwiteiten der hedendaagsche romancen-fabriek, waarin men zich, onder het hartverscheurend oh, ah! hélas - oh, ah! souffrir, mourir, aanstelt, als werd men door de liefde letterlijk geradbraakt - en ons doet denken, dat de kleine Cupido geen klein, mollig kind meer is; maar een groote, zware, rosse beul is geworden, met al de foltertuigen der inquisitie gewapend.
Eene poos te voren had men in den tuin gewandeld en de zoo dichterlijk gestemde Marietta, had droomend stil gestaan, voor.... de laatste roos - en ze had gezucht; zij had de kwijnende oogen opgeligt en nogmaals gezucht, toen ze eenige dorre blaêren langs den grond dwarrelen zag; ze had tot driemaal toe gezucht, toen ze zag hoe de lieve Septemberzon, de slaapmuts over de oogen trok en onder de dekens van het westen wegdook! Tony was zeer ontsteld toen Marietta het uiterste wit harer oogen liet zien - en zegde: ‘Dat ze sterven wilde, en zacht rusten in den schoot der aarde!’
| |
| |
Opgepast, als de jonge meisjes zuchten, weenen, het wit harer oogen laten zien en verklaren, haar ontslag uit de dienst des levens te zullen geven!
Tony had het oogenblik zóó gunstig gevonden, dat er hem een woord van ‘vurige liefde’ ontsnapt was, en de fantastische Marietta had hem droef - maar o zoo droef! geantwoord:
‘Later, vriend, later!’
Ze had met den sukkelaar gespeeld, bij gebrek van iets anders; want den jongeling ontsnappende, alsof zij een al te weekhartig oogenblik vreesde, snelde zij heen en zakte schaterlagchend, in de keuken op eenen stoel neêr.
Nu, zegde ik, is men in de salon; de schemering is gevallen.
Er wordt gescheld: men dient Mijnheer Drummel aan; Tony Darenge wendt zich om, want hij gevoelt zijn hoofd gloeijend worden. Mijnheer Bareel is ook eenigzins onthutst, doch zegt met vaste stem:
‘Geleid Mijnheer Drummel in mijn kabinet, en geef licht.’
In het kabinet brandt nu eene, met eene fraaije scherm bedekte lamp; zij spreidt een helder licht over het roode tafelkleed en eene zachte schemering in het vertrekje, dat ons toelaat de wezenstrekken van Mijnheer Drummel gâ te slaan.
Mijnheer Drummel is, zoo als ik reeds zegde, een oud mager manneke, wiens kin en neus elkander vriendschappelijk schijnen te willen benaderen; lange wenkbraauwen overschaduwen de scherpe oogen en als de lachspieren in beweging komen - 't geen zelden gebeurt - overdekt zich heel het gelaat met duizende
| |
| |
rimpels en het manneke krijgt iets van eenen sater. Zijne kleeding is armoedig; de zwarte jas is kaal, zijn linnen niet hagelwit, zijn bolhoed niet vrij te spreken van smerig te zijn. Valt het oog op de hand, die de witte beenen kruk van den wandelstok omvat, dan denkt men aan den klaauw van eenen roofvogel.
Nu Mijnheer Bareel binnen treedt, groet het manneke kort en koel, den langen, deftigen man, wiens beenderig maar regelmatig wezen, vriendelijke glimlach, zorgvolle kleeding, sneeuwwitte halsdas iets innemends hebben. Er staat niets zoo deftig, er is niets eerbiedwaardiger en indrukwekkender dan een professorale witte halsdoek: - zonder die heeft men geen ernstig en geleerd uitzigt, en ik raad dat versiersel eenigen mijner vrienden aan, als een zeker middel om, door hunne tijdgenoten, in het boek der onsterfelijkheid aangeteekend te worden!
‘Wat geeft mij het genoegen u te zien, Mijnheer Drummel?’
‘Mijn bezoek kan u zoo vreemd niet zijn, mijn beste heer Bareel, indien u edele zich wil herinneren, dat het juist heden de betaaldag is van de door u gecontracteerde leening.’
‘Ik weet het.’
‘Ik heb dat ook van uwe gekende en door iedereen geroemde stiptheid verwacht, Mijnheer Bareel, en heb ook bij voorhand den kwijtbrief gereed gemaakt’ - en bij die woorden haalt de Woekeraar een stukje papier voor den dag, dat hij, gewis uit spaarzaamheid, zoo klein mogelijk heeft gemaakt.
Mijnheer Bareel steekt de hand uit en neemt het papier aan den eenen kant vast, hetgeen Drummel niet schijnt op te merken, dewijl hij het insgelijks aan den anderen hoek vasthoudt.
| |
| |
‘Als 't u belieft, Mijnheer Drummel!’ zegt de lange man en zijn gelaat neemt een lachje aan, dat vertrouwen moest inboezemen.
‘O, neem mij niet kwalijk!’ antwoordt Drummel, die zich nogmaals verzekert, dat hij er bij vergissing zijne handteekening niet onder geplaatst heeft.
‘Er ontbreekt uwe handteekening?’
‘Gelief mij de som te tellen, Mijnheer Bareel, en u zult wel zoo vriendelijk zijn mij tevens een droppeltje inkt en een stuk pen te leenen.’
‘Het schijnt dat ge wantrouwen hebt?’ zegt de wisselaar eenigzins geraakt.
‘Drie honderd francs, Mijnheer Bareel!’ laat er Drummel op volgen; ‘drie honderd francs intrest en dan het kapitaal?’
Mijnheer Bareel werpt het papier achteloos op tafel, staat op en wandelt door het kabinet.
‘Zes duizend francs aan vijf ten honderd - dat maakt juist de ronde som van drie honderd francs.’
‘In een half jaar; eigenlijk tien ten honderd!’ mompelt Bareel met verachting; ‘dat is woeker.’
Ho, ho! hu, hu! Gij hebt het immers zoo gewild, Mijnheer Bareel? Heb ik er u toe gedwongen mijn geld te nemen? Is de overeenkomst niet stipt in den regel uitgevoerd?
De wisselaar mompelt iets dat aan ‘bloedzuiger’ gelijkt.
‘Omdat ik u over zes maanden van den ondergang gered heb! Ik waagde voor eene armzalige som van drie honderd francs, eene kleine fortuin - ja, ja, eene kleine fortuin; want gij stond destijds op 't springen, Mijnheer Bareel.’
| |
| |
‘Gij zijt een weldadig en menschlievend mensch, Mijnheer Drummel!’
Drummel maakt een grimas, dat zijn aangezigt met duizende rimpels overdekt.
‘Welnu, onderteeken den kwijtbrief,’ en Bareel werpt den woekeraar eene pen toe en schuift eenen inktkoker nader; maar Drummel beweegt zich niet. Na een oogenblik zijne tegenpartij scherp in het aangezigt gestaard te hebben, zegt het manneke sarcastisch:
‘Twee joden weten wat een bril kost.’
‘Gij zet mij, hoop ik, toch niet op dezelfde lijn waarop gij staat?’
‘Denkt Mijnheer Bareel beter te zijn dan Mijnheer Drummel?.... Gij hebt een eerlijk uitzigt, dat is waar, doch..... Och, Waarom moeten wij elkander leeren kennen? Gij doet uwe, ik doe mijne kleine zaken; het publiek is een oranje-appel dien men uitperst, en iedereen tracht zooveel van het sap te hebben als mogelijk is; maar wij toch kennen elkander te goed, om elkander het sap te ontstelen.’
Mijnheer Bareel zwijgt.
‘Ook het handteeken wordt onnoodig,’ zegt hij eindelijk;
‘ik herinner mij dat ik u niet betalen kan.’
‘Ho, ho! hu, hu! Niet betalen? Dat spijt me, dan zal ik de schuldvordering.....’
‘Dat zult gij niet; of ik zal u ontmaskeren voor de wereld en gij weet wel, dat gij genoeg gewoekerd hebt om een voortreffelijk brandmerk verdiend te hebben.’
| |
| |
Drummel's oogen tintelen; hij weet wel, dat hij met eenen duivel, onder een eerlijk uiterlijk, te worstelen heeft.
‘Op welke voorwaarde?’
‘Verdubbel de som.’
‘Wat denkt Mijnheer Bareel wel?’
‘Op zes maanden.’
‘Met verhooging van vijf ten honderd en afdoening van den nu verloopen intrest.’
‘Ik stem toe.’
Die gewillige toestemming verontrust Drummel; hij vreest dat zijne tegenpartij hem een verraderlijken strik spant.
‘En met.....’
‘Nog al?’
‘Met waarborg der diamanten van Mevrouw.’
Bareel staat stil, kruist de armen op de borst, ziet Drummel scherp in de oogen, nijpt de lippen vast op een en schudt langzaam het hoofd.
‘Ik wenschte u nooit gekend te hebben, Drummel!’ zegt Mijnheer Bareel, zijne wandeling hervattende.
‘Het zou mij integendeel spijten u niet gekend te hebben.’
‘Ja, omdat gij mij dan niet had kunnen pluimen en plukken!’
‘Neen, omdat ik dan niet in de gelegenheid zou geweest zijn u dienst te bewijzen, Mijnheer Bareel.’
‘Schurk!’
‘Eerlijk man!’ zegt Drummel grimlagchend.
‘Kom, Drummel, geene hairklieverijen; wij zullen elkander, welligt binnen kort, nog noodig hebben: laat ons de zaak als gere- | |
| |
geld aanzien, zonder mijne vrouw van hare kleinoodiën te berooven.
Drummel schudt het hoofd.
‘We zullen de diamanten laten schatten!’ zegt het manneke hardnekkig.
‘Denkt ge dan dat Mevrouw geslepen glas draagt?’
‘Wie zou zoo iets durven denken! Maar ik ben een zoo slecht kenner, en ik mag toch wel eenigen waarborg voor mijn kapitaal hebben, aangezien de stukken, in mijn bezit, na de verhooging der som, niet meer voldoende zijn.’
‘Gij een slecht kenner, Mijnheer Drummel en gij hebt, als ik mij niet vergis, over vele jaren zelfs eens op zekere bank gezeten, voor het weg goochelen van een paar steenen, uit het halssieraad van de baronnes van Dormael.’
‘Ik bewonder uw geheugen, Mijnheer Bareel; doch waar ik gezeten heb, onschuldig, daar kunnen anderen komen, die, zoo als men elkander toefluistert, met de metalieken van zekere personen speculeeren, en die op geene vrijspraak zouden kunnen hopen. Ik spreek niet van u, dat begrijpt ge, Mijnheer Barreel.’
Bareel is bleek geworden; zijne lippen trillen, zijn hart jaagt onstuimig; hij ademt naar lucht en wil verlost zijn van het walgelijke schepsel dat voor hem staat: hij stemt in alles toe.
‘Dus’ recapituleert Drummel ‘dus verlenging met tien ten honderd voor het volgende half jaar en nu - nu den verloopen interest.’
‘Ik heb geen geld beschikbaar.’
‘Geene arme drie honderd francs!’
‘Ziedaar eene schuldbekentenis van 700 honderd francs
| |
| |
welke mij dezen morgen in de handen viel; dat is meer dan de helft winst’ - en Mijnheer Bareel werpt Drummel den gekenden schuldbrief toe.
Drummel neemt het geel geworden papier langzaam en onverschillig op: ‘Darinckx’ mompelt hij ‘de stoeldraaijer op de vest? Dat is geen duit waard.’
‘Voor mij niet, neen! die mij, voor mijn goeden naam, niet kan blootstellen aan hairklieverijen met eene arme familie; maar voor u, dat is wat anders.’
‘Het huis is zes dubbel gehypothekeerd.’
‘Gij zult er de ronde som wel weten uit te halen, Mijnheer Drummel; gij kunt goud uit keisteenen trekken.’
Drummel laat het papier op tafel vallen en schudt het hoofd.
‘Ik zal dien schuldbrief voor honderd francs nemen, en de kans wagen,’ zegt hij.
‘Spotter!’ en Mijnheer Bareel schuift papier, pen en inkt nader, om den door hem middelerwijl geschreven kwijtbrief voor den verschuldigden interest te doen onderteekenen.
‘Ik ben inderdaad veel te goed,’ zegt Drummel; ‘gij handelt met mij naar goedvinden,’ en na de kwittancie gelezen en herlezen te hebben, zet hij de pen op het papier. Hij ligt ze echter andermaal op, en zegt: ‘Maar indien er niets van dien schuldbrief komt, zullen wij de zaak als eerlijke vrienden ook als onafgedaan aanzien, niet waar, mijn beste heer Bareel.’
Bareel knikt met het hoofd.
‘Heel zeker?’
‘Zonder den minsten twijfel.’
| |
| |
‘Die niet waagt, die niet wint!’ zucht Drummel, teekent en de papieren worden verwisseld.
Die twee menschen hebben een diepen haat voor elkander in de ziel.
‘Uw ootmoedige dienaar, Mijnheer Bareel!’ zegt Drummel met eene diepe buiging en zijnen hoed in de hand, nu de knecht hem uit laat.
‘Tot wederziens, Mijnheer Drummel!’ is het vriendelijk antwoord.
‘Mag ik u verzoeken mijne groeten over te brengen aan Mevrouw Bareel en hare lieve dochter?’
‘Ik zal zulks waarnemen; ik dank u voor uwe lieve attentie, Mijnheer Drummel.’
En de deur valt toe.
En in de ziel van den woekeraar stijgt een duivelsch gegrinnik op, en in die van Mijnheer Bareel weêrklinkt er eene vervloeking; maar in de salon terug gekomen, herneemt hij zijn kalm uiterlijk en rookt weêr rustig zijne lange pijp.
IJselijk, bedriegelijk Jan Klaassen-spel!
‘Nu naar de familie Darinckx!’ mompelt Drummel. ‘Honderd duurder dan gezegd was; bah! dat is honderd francs verloren voor dien knappen en braven jongen heer, die zich in de verkoopsom misrekend heeft.’
Op het oogenblik dat Drummel aanklopt, zingt Jan, bij het licht werkende, een vrolijk lied: hij denkt aan zijnen trouwdag, aan zijn geluk, aan zijne toekomst. Anna-Bella zit binnen te kouten met het oud moederke en Judocus Pot leert, in den hoek van het
| |
| |
werkhuis, den mopshond op schilwacht staan en manoeuvreren.
Drummel is als een booze geest, die eensklaps in het midden van dat vreedzame midden verschijnt.
Alle hoop is vernietigd.
Jan Darinckx staat sprakeloos, staart met strakken blik op den grond en durft Anna-Bella niet aanzien, die hem op afgebroken toon, een woord van moed toefluistert.
Het oude moederke erkent dat de schuldbrief door haren overleden man geteekend is; dat men hoopte allengs door ijverig te werken die schuld af te doen - en zij smeekt Drummel geduld te hebben.
‘Ho, ho, hu, hu!’ doet de vrek; ‘eenige dagen ja - maai niet te lang! Het geld, vrouwke, is te kostbaar.’
‘Dat zal ik besterven!’ zegt het oude meeke, en ze weent overluid. Gelukkig weet zij niet wie de schuld van die ramp is!
|
|