Het Jan-Klaassen-spel. Met levende beelden uit onzen tijd
(1863)–August Snieders–
[pagina 123]
| |
dat gouden raad aan de punt uwer pen laat ontvloeijen, gelijk gij, toen ik nog aan uwe zijde was, dezen aan de lippen liet ontvallen. Bemin veel - en in eeuwigheid uw blonden buurman; ik geloof dat ik uwe voetstappen volg en ook mijnen jonker getrouw zijn zal - ik geloof, heb ik daar geschreven. Och! dat is nog het beste woord voor mij; want het hoofd werkt bij mij, zegt mijn oom, veel sterker dan het hart. Ik begrijp dit niet al te wel; maar ik zal Peter-de Groote en onze keukenmeid, die moderne Heloïse en Abelard, over dit belangrijke vraagpunt eens raadplegen. Zij beiden moeten meester in dit vak zijn! Om het even - ik heb den blonden jonker - zijn naam is Georges - niet alleen gezien maar ook gesproken, en mij dunkt dat ik hem niet onverschillig ben, evenwin als hij aan mij - het moge dan ook met het hoofd zijn! O, 't is een gansche roman, die ik aan u alleen wil toevertrouwen. Er was een feest op het kasteel der gravin van Krakelingen - eene oude vrijster van ruim vijftig jaren en, naar men zegt, eene oude liefde, eene oude ‘vlam’ van mijn oom. Zij gaat door voor eene geestige dame, en ik geloof het - ten minste zij heeft altijd een gouden raad, behoorlijk in spreekwoord verkleed, voor de jongeren in den mond. Waarachtig, 't is een wonder, die gravin! Ik geloof dat ze al de spreekwoorden, in rijm en onrijm, die er in de wereld bestaan, van buiten heeft geleerd. Na den nieuwen toilette-spiegel op mijne kamer, heeft mijn oom zich ook laten welgevallen zich in een meer modisch pak te laten steken - nadat wij hem overtuigd hebben dat het uiterlijke, | |
[pagina 124]
| |
den innerlijken mensch toch niet verandert, en zoo uitgedost - en natuurlijk, altijd in gezelschap van Mijnheer Max Franck, die mijn bondgenoot, maar nooit mijn vriend wezen kan - zijn wij op het hof van die goede dame, dat levende spreekwoord, aangekomen. Ik vond er een talrijk gezelschap - en ook den blonden jonker van de badplaats, die mij zoo hoffelijk naderde, dat ik een oogenblik kleurde en aller oogen zich op ons vestigden, en mijn oom mij nadien dwong eene kleine biecht te spreken, waarop hij mij goedhartig het absolve gaf. Ik heb misschien de jaloezij van sommigen opgewekt, toen de jonker zich herhaalde malen tot mij wendde - maar is dat mijne schuld? Zeg niet ja, Henriette, en verwijt mij niet dat ik coquette ben - dat zou mij diep bedroefd maken. Jonker Georges is wel wat sterk met zijn schoon uiterlijk en zijn puntigen knevel ingenomen: als men met hem spreekt, betrapt men hem wel eens, dat hij over uwen schouder heen, in den spiegel loert en zich-zelven als het ware welgevallig toepinkt, terwijl hij vooral zorg draagt dat de twee punten van zijnen knevel, gedurig als twee bajonnetten geveld blijven. Ook spreekt hij wel veel - zonder juist veel te zeggen, en hoe aangenaam ook, vond ik hem minder geestig dan vroeger; maar toch bevalt hij mij wel. Toen ik met jonker Georges danste, heb ik Mijnheer Franck opgemerkt; ik had wel gewenscht dat ik iets gebetens op zijn aangezigt hadde bespeurd; maar de gevelde knevel-bajonnetten van mijnen danser schenen hem niet te treffen. Zij troffen echter menig andere - en naarmate ik de belangstelling van het gezel- | |
[pagina 125]
| |
schap voor jonker Georges zag aangroeijen, gevoelde ik ook inwendig, dat ook de mijne grooter voor hem werd. Met dit alles heb ik niets bemerkt van wat de oude ‘vlam’ mijns ooms betreft, die, in der waarheid! een hoffelijk en geestig grijsaard is, hoewel hij wel wat op zijn hobbelpaard springt als men van ‘zijnen tijd’ spreekt. Genezen is hij niet - maar er is beterschap. De gravin heeft mij niet laten vertrekken zonder eene zware dosis goeden raad: zij heeft mij spreekwoorden aangehaald in allerlei mogelijke - ik mag niet zeggen onmogelijke - talen; hoewel ik velen niet verstond. De dame schittert gaarne met haren veelkleurigen taal-regenboog, 't geen haar, zoo als mijn oom later zegde, wel eens ‘gravin-polyglotte’ deed noemen - eene aardigheid uit de aristocratische wereld. Toen wij afscheid genomen hadden, heb ik mij plotseling aan den arm van Mijnheer Franck bevonden, die - heb ik wel opgemerkt - den pas afsneed aan jonker Georges; maar zonder het allerminste daarvan den schijn te hebben. Ik geloof dat Mijnheer van Dobbelsteen en Mijnheer Max elkander haten: - neen, dat woord is niet juist, ten minste niet van de zijde van Mijnheer Franck: ik geloof dat hij zich te hoog verheven waant, dat hij te trotsch is, om zulk gevoel jegens den blonden pretendent - want dat is hij, Henriette! wees er zeker van - in het hart te koesteren. Onder weg had ik wel een enkel woord van hem willen vernemen - eene gedachte, een oordeel over dezen of genen, bij voorbeeld over mijnen danser; doch dat valt niet in zijnen smaak en hij ontweek zoo behendig mijne onregtstreeksche vragen, dat | |
[pagina 126]
| |
ik den strijd opgaf en, in het rijtuig gedoken, mij aan het genot van het droomen overleverde en misschien kaartenhuizen voor de toekomst bouwde. En nu, lieve, sedert dezen middag bemin ik wel zeker jonker Georges. Ik heb noch Peter-de Groote, noch de keukenmeid over dit problema geraadpleegd, maar enkel mijn hart. Verbeeld u, dat ik dezen middag eenen brief ontvang van eene..... medevrijster - van zekere Juffer, die zich zeer aristocratisch noemt, Marietta Bareel-Van Dinter, een van die gefabrieceerde namen, die heel adellijk zouden klinken, als men ze niet te lezen vond boven iederen winkel, waar men zwavelstokken, pommade en half-hemden verkoopt, hoewel die van mijne concurrente aan den beurshandel toehoort - zeer achtbaar zonder twijfel - en op welk koffij- en suikerveld men tegenwoordig met volle regt de pretentie hebben kan, van eens ridderlijk tot baron geslagen te worden! Mejuffer Marietta schrijft mij zonder omwegen, dat het mij in 't geheel niet fraai staat, haar haren minnaar te ontfutselen en ik mij aan wraakneming blootstel, indien ik dat gevaarlijke spel voortzet. Hemel! zou Mejuffer Marietta Bareel-Van Dinter mij welligt tot een tweegevecht met de hairspeld of de borduurnaald uitdagen? In dat geval, mijne lieve Henriette, zult gij mijne getuige moeten zijn. Gij ziet, ik scherts, omdat ik niet kan aannemen, dat jonker Georges zijn oog op een meisje uit den burgerstand kan laten vallen - en ik vergeef haar gaarne en van harte, de beleediging welke zij mij aandoet; maar ik herhaal het, niettegenstaande alles, ben ik nu juist den blonden | |
[pagina 127]
| |
Dobbelsteen meer genegen - omdat men hem mij betwist. Voorzeker heeft jonker Georges het arme meisje bij gelegenheid, al eens een woordje toegestuurd, en het goede kind - want goed moet ze zijn, om in zoo hoogen graad verliefd te zijn - zal dit gewis voor goede munt hebben aangenomen. Nu, dat is eene zonde, door Georges begaan, waarover hij eene berisping verdient, welke ik hem ook bij de eerste gelegenheid geven zal. Ik zal Mejuffer Marietta niet antwoorden en de zaak onaangeroerd laten - dat zal mijne wraak zijn! Nu moet ik eindigen; morgen komt de ‘gravin in spreekwoord’ hier middagmalen; ik moet de honneurs waarnemen en behoor dit te doen met al de majesteit eener matrone, of ik zou wel een ligt tikje van oom en een ernstiger gezigt dan ooit, van Mijnheer Franck bekomen. Wenscht ge dien laatste niet eens ten uwent? Ik wil hem u vrachtvrij doen geworden. Duizende omhelzingen, mijne liefste, van uwe
‘Mathilde.’
‘P.S. De verandering in oom's huis groeit met den dag aan: de ridderzaal - 't is de zaal met de Gobelins en de familie-portretten, is verlucht en gestoft; in de andere zaal heeft Calypso het hoofd verloren; de oude Mentor is niet in zee, waarmeê hij sedert honderd jaren dreigde, maar uit het paneel op den vloer gesprongen; Peter-de-Groote heeft de liefde-geschiedenis van Daphnis en Chloë naar de kamer zijner beminde keukenmeid gesleept, om dat vertrek, door die ornementen, in eenen hemel te veranderen.’ | |
[pagina 128]
| |
En ongetwijfeld heeft Henriette de la Venance op die los, als op het papier geworpene regelen, geantwoord en aan de jonge baronnes hare weinige ondervinding der wereld doen opmerken. Och ja, zij bemint met het hoofd, indien men zulks beminnen heeten mag. Zij bemint uit ijdelheid - zoo eigen aan de vrouwen, en ze begrijpt nog niet hoeveel smart, hoeveel zieleleed, hoevele tranen daaruit geboren worden. Wie hare brieven leest, kent haar hart, zoo onbedachtzaam schrijft zij neêr wat haar het eerst in het hoofd speelt - onbewust zelfs dat ze, in hare vrolijke luim, in bijna elken regel, de eigenliefde van dezen of genen persoon zou gewond hebben, waren die brieven bekend geworden. Ongetwijfeld heeft die, zoo het schijnt, wijzere Henriette haar aangeraden uit hare natuurlijke scherts, de haar eigene scherpte te weeren: dat hekelige, hetwelk haren omgang aan vele kortzigtige en met minder geest bedeelde personen, ten slotte onaangenaam maken zou - en helaas! krielt de wereld niet van dezulken! Zij zal haar misschien ook gezegd hebben, dat zij Georges en Max Franck naar het uiterlijke, dat is verkeerd beoordeeld en zij - doordringende tot in de plooijen huns karakters - gewis gansch andere denkbeelden over beiden zou gekoesterd hebben. Doch Mathilde is jong: er zijn daarenboven in hoofd en hart goede hoedanigheden voorhanden, om aan de minder gelukkige tot tegenwigt te verstrekken. Zie reeds: zij wil geene coquette zijn! Een enkel woord zal haar doen zien, dat zij integendeel den weg der coquetterie reeds bewandelt, bedekt in opzigte van Max Franck, openlijk met Georges van Dobbelsteen. Dat is | |
[pagina 129]
| |
zoo eigen aan de vrouw, dat ze die rol vervult, soms zonder hiervan bewust te zijn. |
|