| |
XII.
Ik keer, met u, lezer, eenige oogenblikken tot Tony Darenge terug; wij ontmoeten hem op zekeren heerlijken Septemberavond, op het oogenblik dat hij het huis van Mijnheer Bareel-Van Dinter verlaten heeft, waar een talrijk gezelschap van jonge heeren veereenigd is; - maar voor Tony is dat huis te eng, te versmachtend geworden.
| |
| |
Zoo gelukkig als hij vroeger in die woning geweest was, zoo rampzalig is het hem nu daar.
Er waren elegante heeren gekomen en hadden den jongeling bij Marietta als het ware verdrongen; het meisje zelve, dat een uur te voren zoo verliefd scheen te zijn, had in alles bewezen, dat zij door die heeren - die in kleeding en manieren zoo verre boven Tony verheven waren - verkoos gevleid te worden.
Tony gevoelt nu al de folteringen der jaloezij; hij haat de vrienden, die zoo ligt den zegepraal over hem behaald hebben - neen! hij haat iedereen, gansch de wereld vermengt hij in zijne magtelooze vervloeking. Hij haat vooral zijne familie en hare beschermers, en hij begrijpt niet hoe die rijke menschen zich het hoofd kunnen breken met dat gemeene en domme werkvolk.
De maan giet een zilverachtig licht over de wandeling, van waar men het huis van Mijnheer Bareel zien kan. Blaauwig verheft het zich uit de donkere massa boomen, welke het deels omringen. Aan de twee bovenvensters en ook boven de deur is er licht: 't zijn twee vurige oogen en een vurige mond, die den rampzalige, akelig spottend, toegrijnzen.
Naast Tony strekt zich een watervlak uit, hetwelk door eene ligte kabbeling bewogen wordt, en, wonderlijke speling! iedere rimpel kaatst de ronde schijf der maan terug, hetgeen eene gansche reeks gouden schijven vormt - als of eene mysterieuse hand, de hand van Satan, daar, onder in het water, eene zich steeds hernieuwende reeks blinkende goudstukken vallen laat.
De legende vertelt ons hoe in vroeger tijd de duivel op aarde verscheen, om er zielen op te koopen; doch de mode is veran- | |
| |
derd. De vorst der hel is thans een rentenierend koopman geworden; hij heeft zijne commis-voyageurs - de jenever en het goud, die zijne zaken met een verwonderlijk goed geluk behartigen!
Tony Darenge zet zich op eene bank neêr, en de kin in den palm der eene hand latende rusten, staart hij naar de fantastische goudstukken in het water. Hij ziet ze dalen, in de zwarte diepte verdwijnen en zich weêr hernieuwen, zoo dikwijls de wind de watervlakte kabbelen doet.
Geld moet hij hebben; want hij gevoelt maar al te wel, dat hij anders nooit de pronkende jongelingen, bij Marietta in de schaduw zal kunnen stellen. Hij benijdt de rijken, vloekt zijne geboorte, welke hem het schandmerk der vernedering op het voorhoofd gedrukt heeft. Goud, al moet er dan ook bloed aenkleven!
Tony siddert een oogenblik - want zie, 't is als of hij daar, tusschen het lover een spooksel ziet, dat het aangezigt zijns vaders heeft. De dooden zijn niet altijd dood - zegt men; zij rijzen soms uit hunne rust op en misschien hebben de misdadige denkbeelden van den zoon, de rust van den eerlijken stoeldraaijer gestoord.
Wat maakt Tony dien avond zoo weekhartig? Hij, die anders beweert, dat alle bijgeloovige vrees, hem tijdens zijne kindschheid ingeboezemd, reeds lang is weggedampt - even als de nevelen van den wijn, die de hersens bedwelmt, na eenige uren rustens wegdampen! Hij wil dat denkbeeld verzetten; doch het blijft hem bij: 't is een der laatste sprankels van het versmoorde geweten.
| |
| |
De afgebroken toonen van een dronkemans-lied klinken Tony in het oor.
Eene zwarte menschelijke gestalte treedt welhaast te voorschijn; zij is in zwart gala, waaraan zelfs de witte halsdoek niet ontbreekt. Op den arm draagt die gestalte eene soort van witten mantel, waarover kruiselings eene zwarte streep loopt.
De vreemdeling waggelt een oogenblik, en zet zich nu op dezelfde bank neêr, op welke Tony gezeten is.
‘We zullen een oogenblikje rusten!’ mompelt hij.
Tony beziet den vreemdeling en beeft; er ligt iets spottends, iets sarcastisch in zijn bleek gelaat; iets wonderlijks in die verwaarloosde balkleeding, iets onbegrijpelijks in dien witten mantel, met die zwarte kruiselings loopende streep, op den arm - en indien die kerel eensklaps aan Tony zegde: ‘Wilt gij uwe ziel verkoopen?’ hij zou denken dat Satan zijne rust verlaten heeft, en in het kleedsel van eenen advokaat of eenen dansmeester voor hem zit.
De vreemde blaast, ligt den hoed op en wischt met zijnen mouw het zweet van het voorhoofd.
‘Gij hebt misschien een langen weg afgelegd?’ vraagt Tony, zonder eigenlijk te weten wat hij zegde.
‘Inderdaad!’ is het korte antwoord; en Tony is in zoodanige stemming, dat hij gaarne heen zou gaan. ‘Ik kom van 't kerkhof.’
Dat antwoord klinkt akelig en er kriemelt Tony iets op het hoofd, als of zijne hairen te bergen rijzen; doch eensklaps gaat er een licht voor zijnen geest op: - hij herkent Mos, de lijkbidder, die in pontificaal, en met een droefheid huichelend gelaat, is heen
| |
| |
gegaan, maar die onder weg zooveel slokjes had gedronken, dat het verdriet ten eenemale was weggespoeld.
‘Wien hebt gij er zoo laat doen onderstoppen?’ vraagt nu Tony meer gerust gesteld.
‘Bah! een kind van een paar maanden!’ zegt Mos onverschillig en spuwt op de grond.
‘Gij komt regt vrolijk van dien droeven pligt terug?’
‘Bah! denkt ge dat zoo iets mij aan het hart komt. Ik zou er de menschen wel levend kunnen instoppen, als er dat maar van komt!’ - en bij het woordje dat schuift hij den duim over den wijsvinger, om het geld-tellen te verbeelden. ‘Geld is de ziel van alles.’
‘Dat is waar.’
‘Wat is de wereld?’ gaat Mos met het cynismus zelfs in den toon der stem voort. ‘Wat anders dan een zamenzijn, waarin de eene mensch de egchel is van den andere. De behendigste en stoutste haalt het meeste binnen! De een zuigt bloed uit de levenden, de ander uit de dooden. Toen de cholera in onze stad heerschte, was het een heerlijke tijd voor ons.’
‘En indien die ziekte u zelf eens hadde aangetast?’
‘Bah! als 't op is, zegt men, is het koken gedaan! Dan komen op hunne beurt mijne confraters en zij kloppen mij zooveel centen uit de beugeltesch als zij kunnen - ik ben zeker, dat ze geen halven cent uit oud confraterschap zullen laten vallen: nu, om 't even, ik zou het ook niet doen!’ en de ruwe kerel lacht, want hij meent daar iets zeer aardigs gezegd te hebben.
| |
| |
Mos haalt eene flesch te voorschijn, waaruit een sterke jeneverreuk opstijgt, klokt een paar malen en reikt de flesch aan Tony; deze weigert. Mos slaat er den slop weêr op en gaat voort:
‘Gij zijt nog jong, Mijnheer; de oude Mos wil u een goeden raad geven, die geld waard is. Neem niets ter hand, dat geene klinkende munt geeft. Sommige woelen hier voor roem en eer, hangen den eerlijken mensch uit en loopen met hunne teenen door de schoenen, terwijl anderen die minder gevoelig en naauwgezet zijn, door hen, rijk worden, en als Pietje-de-Dood hen eindelijk weghaalt en ze ginder op het kerkhof geborgen zijn, graast een jaar nadien de geit van den doodgraver op hun graf, en die wordt er rond en vet.’
Tony lacht.
‘Toen ik jong was, droomde ik van al wat schoon was. Ik was bij meester Klincko ter school geweest en maakte gedichten aan de maan en aan de bloemen; ik had de hoop van een groot man - dat wil zeggen, een arme duivel te worden. Mijn vader was echter een praktisch man; hij klopte er gelukkig ieder rijmwoord uit en bestemde mij, om hem als lijkbidder op te volgen. Toen ik bang van de dood was, wreef hij mij een paar malen met mijnen neus over het rimpelig vel van eene oude woekeraarster, leerde mij hoe ik een bedroefd gezigt trekken moest - en ik zelf, want ik ben wel zeker eene uilzondering tusschen al de lijkbidders - ik leerde zelve, hoe ik na de begrafenis eenen flikker kon slaan in de danszaal, zonder mij al te veel aan opspraak bloot te stellen. Ik ben er een welgesteld man meê geworden. Mijne zonen vinden het ambt niet deftig genoeg meer,
| |
| |
hoewel de oude Mos zijne schaapkens daardoor op het droog heeft gezet; zij zoeken een anderen weg en zullen andere levende volbloedigen vinden, om ze af te tappen.’
‘Gij zijt een groot wijsgeer, Mos.’
‘Trach te doen zoo als ik, jonge heer; bekommer u niet te veel om 't geen men geweten noemt, want dan blijft ge zeker gansch uw leven door een arme drommel. Sommige neuswijzen zullen u den steen wel willen toewerpen, maar de massa aanbidt het gouden kalf en zal u vereeren en ontzien. Binnen kort verlaat ik mijne zaken en ga, even buiten de stad, rentenieren; men noemt mij lid der commissiën tot verbetering der losgelaten gevangenen, tot uitroeijing der bedelarij en dronkenschap, tot inrigting van begrafenis-fondsen - en Mos wordt nog eens lid van den gemeente-raad gekozen, in welken hij tijd zal hebben om te rusten, te slapen en op de eeuwigheid te denken.’
Mos is een monster voor u, voor mij, lezer; voor Tony was hij een engel!
Lang is dat cynieke mensch reeds verdwenen, eer Tony opstaat en zegt:
‘Laat ons gaan, Mos heeft gelijk.’
Tony Darenge gaat de stadspoort binnen, bereikt weldra eene eenzame straat en houdt voor een oud huis, waar beneden de vensters nog door zware traliën tegen elken ongenoodigden indringer, beschut zijn, stil. De deur heeft nog een ijzeren kijkuit en is ruimschoots met verroeste spijkerkoppen beslagen.
Tony trekt aan eene afhangende koord, want de ijzeren beltrekker is sinds lang verdwenen en niet meer hersteld; de bel
| |
| |
binnen is blijkbaar gescheurd, want zij geeft even veel klank alsof men op een ijzeren pot zou slaan.
Het geritsel langs binnen verwittigt Tony, dat men zich eerst vergewiste wie zoo laat nog schelt.
‘Wat wilt gij?’ vraagt eene stem van binnen.
‘Ik moet Mijnheer Drummel spreken.’
‘'t Is te laat, kom morgen weêr.’
‘Onmogelijk, 't zou ten zijnen nadeele zijn.’
‘Wie zijt gij?’
‘Ik kom van wege Mijnheer Bareel-Van Dinter.’
‘Wel zeker?’
‘Drommels!’ mompelt Tony ongeduldig.
De persoon, met wie Darenge gesproken heeft, verwijdert zich; eene poos nadien opent men, en in het heldere schijnsel der maan ziet hij eene lange vrouw, mager als een geraamte en slordig gekleed. Na de deur weêr zorgvuldig gesloten te hebben, leidt de akelige portierster den jongeling door een donkeren gang, hem vriendschappelijk aanbevelende, ‘van den hals niet te breken’ over het houtwerk en de steenhoopen, die er opgestapeld liggen.
Aan het einde van den gang pinkt een flaauw lichtje - een klein olielampke, bij hetwelk een oud manneke, in een boek met vuilen perkamenten omslag - 't was het Oud Testament - zit te lezen. In dat vrome boek las hij niet toen er gebeld werd; de woekeraar was integendeel op dat oogenblik aan 't cijferen en bezig met fondsen te tellen; maar hij had alles haastig weggestopt en het vrome boek genomen en opgeslagen.
Drummel is mager, graauw van haren, rimpelig van gezigt;
| |
| |
zijn neus schijnt zijne kin te willen kussen; zijne oogen moeten vinnig zijn, want hij leest nog zonder bril: wij kunnen er ons echter niet van overtuigen, dewijl eene groote groene klep, met een koordje achter de ooren vastgemaakt, die spiegels der ziel beschaduwt. Zijn grijze jas ziet er zoo arm uit, als de meubels welke hem omringen.
Nu Tony Darenge binnen treedt ziet het manneke, onder zijne groene klep, naar hem op en hij herkent inderdaad den klerk van Mijnheer Bareel-Van Dinter.
‘Wat genoegen u te zien, Mijnheer! Zet u; ik was een oogenblik in de lezing van dit heilige boek verslonden. Wat verlangt Mijnheer Bareel?’
‘Mijnheer Drummel, regtuit gezegd; ik kom niet voor hem; ik kom voor mij zelven.’
De oude ziet den jongeling ongerust aan.
‘Ik zal maar met de deur in huis vallen, Mijnheer Drummel; ik heb geld noodig.’
‘Geld!’ roept het manneke en springt regt, als steekt hem eensklaps eene slang. ‘Mijnheer, komt ge hier 's avonds ingedrongen met slechte inzigten? Kaat, zwarte tooverheks, waar blijft ge? Leidt Mijnheer buiten!
De akelige portierster verschijnt plotseling in de opene deur met een ontzaggelijken bezemstok gewapend.
‘Een weinig geduld, Mijnheer Drummel,’ zegt Tony; ‘wij zijn eerlijke menschen, en ik kom u een eerlijken voorslag doen om te zamen een stuivertje te winnen.’
‘Ho, ho, hu, hu! Maar Mijnheer, ik heb geen geld.’
| |
| |
‘Ik weet het wel,’ antwoordt Tony met een fijnen spotlach, en ik vraag u verschooning, dat ik zoo baldadig mijne gedachte kennen deed.’
‘Gij zoudt iemand den doodschrik op het lijf jagen, Mijnheer!’ zegt Drummel verwijtend, terwijl hij zich weêr neêrzet en teeken doet aan de schildwacht om te verdwijnen.
‘Luister!’ en Tony spreekt nu fluisterend, en Drummel steekt allengs al verder het bovenlijf over de tafel heen, en houdt de opene hand aan het oor, opdat er hem niets ontgaan moge.
Nu staat het oude manneke op om de deur te sluiten, en weêr gezeten zegt hij:
‘Gij zegt dan dat er zeven honderd francs te winnen zijn.’
‘Neen, ik zeg dat ik een schuldbrief van zeven honderd francs te koop weet, dien gij misschien voor twee honderd kunt inkoopen, en waarvan u de volle som zal uitbetaald worden. Dat is vijf honderd francs zuivere winst: drie honderd francs voor u, twee honderd voor mij.’
‘Ik begrijp u niet.’
‘De rekening is toch klaar als de zon.’
‘En waar is die kleine winst te verwezenlijken; want men moet toch wel iets doen voor het dagelijksche brood?’
‘Ho, ho! Mijnheer Drummel, ik verkoop mijn geheim zoo ligt niet!.... Dan heb ik een tweede geheim: wat zoudt gij zeggen, als ik u eene portefeuille met oude papieren in de hand speelde, die bewijzen, dat eene der grootste fortuinen van de stad in onwettige handen is? En zoudt gij niet denken dat het eene winstgevende zaak - en daarbij eene eerlijke zaak - zijn zou, indien
| |
| |
wij ons daarmeê bezig hielden, om den Cesar te doen geven wat den Cesar is.’
‘Inderdaad, een edel, een Christelijk werk!’
‘En vooral voordeelig!’
‘Gij ziet er een goede jongen uit; ook heeft Mijnheer Bareel-Van Dinter mij reeds dikwijls over u gesproken; ja, ja, gunstig over u gesproken! En zie, maar dat blijft ons geheim, hij heeft inzigten met u..... Mejuffer Marietta..... een lief kind..... en splint.....’
De zwarte tooverheks met haren bezemstok, komt even door de spleet der deur piepen.
‘Kaat, ik heb uw gezelschap niet noodig!’ zegt Drummel barsch, en Kaat, die de rol van bulhond schijnt te spelen, verdwijnt.
‘En, mijn beste jonge heer, waar is die portefeuille?’ vraagt de woekeraar.
‘Ho, ho! Mijnheer Drummel, gij stoomt als een locomotief vooruit. Eerst de eene en dan de andere zaak. Vooreerst geeft gij mij twee honderd francs, en ik doe u den bezitter van den schuldbrief kennen.’
‘Lieve hemel! maar ik bezit ze niet. Luister, zeg mij uw geheim, en ik ben in staat om uwen patroon te dwingen, u tot schoonzoon te nemen; 't was eene heerlijke zaak!’
‘Daarover later; thans moet er klinkende specie zijn.’
‘Maar ik herhaal u, dat ik voor het oogenblik geen vijffrancsstuk in het bezit heb.’,
‘Dat weet ik beter.’
| |
| |
‘En - waar zou de waarborg zijn?’
‘Als ik een enkel woord spreek, zult gij volkomen overtuigd zijn, dat die onfeilbaar is.’
Drummel zit te peinzen en den jongeling scherp beziende, schudt hij spottend het hoofd.
‘Dan wend ik mij tot een ander!’ en Tony staat op.
‘Wat zijt gij driftig!’ zegt Drummel op zijne beurt.
‘Luister, hebt gij dezer dagen niet eenen schuldbrief aan een rijk heer verkocht en die u mild kapitaal en intrest betaalde? Ja, ja, 't is zoo; ik weet alles: het was eene schuldbekentenis ten laste van zekeren stoeldraaijer.’
‘Nu, ja’ zegt Drummel en kwam weêr nieuwsgierig met het bovenlijf over de tafel.
‘Welnu, die rijke heer.....’
‘Ik heb te vergeefs zijnen naam gevraagd.’
‘Ik ken hem; die rijke heer is op dit oogenblik genegen om alle de schulden voor die familie af te doen’ - de schurk wist er niets van - ‘en ik weet, zoo als ik u zegde, nog eene laatste schuldbekentenis van zeven honderd francs zitten, die de eigenaar sedert lang als scheurpapier aanziet.’
‘Wat ge daar zegt verdient nadenken. Inderdaad..... En gij vraagt?....’
‘Een deel der winst, die ik op vijf honderd francs schat; twee honderd francs.’
‘Ho, ho! hu, hu! dat is te veel - veel te veel.’
‘Geene duit minder; daarbij eisch ik honderd francs onmiddelijk te betalen.’
| |
| |
‘Nooit - dat nooit. Kaat, leid Mijnheer buiten?’ doch ditmaal verschijnt de gewapende magt niet, als of zij begrijpt dat het bevel niet gemeend is.
‘Nu, vaarwel dan,’ en Tony doet andermaal eene beweging om heen te gaan.
‘Wat verzekering geeft gij, dat de schuldbekentenis bestaat?’
‘Ik kan ze u toonen.’
Drummel aarzelt nog.
‘Kom morgen eens weêr, mijne lieve jonge heer?’ smeekt het manneke vleijend. ‘Ge weet, Mejuffer Marietta.....’
‘Neen, de zaak moet heden avond afgedaan worden!’ onderbreekt Tony - en dat wordt zóó nadrukkelijk gezegd, dat, na tweemaal te zijn terug gekeerd, om nog eenige inlichtingen te bekomen, Drummel met een vuil, zwart en versleten bankpapier in de hand terug komt: hij heeft gewis het meest versletene van allen gezocht! 't Kost nog veel, eer hij het billet geven kan; 't wordt nog dikwyls terug getrokken en weêr toegesteken; er word nog herhaalde malen gezucht, beroep gedaan op Tony's eerlijkheid; er wordt gesmeekt, dat hij toch een oud, arm man niet mag bedriegen en ruïneeren - maar eindelijk, nu Tony het papier grijpen kan en zich overtuigd heeft, dat het wel degelijk gangbare munt is, trekt hij de schuldbekentenis uit den zak, die hij aan den lessenaar zijns meesters, voor dien avond, ontvreemd heeft.
‘Ho ho! hu, hu! Mijnheer Bareel-Van Dinter!’ zegt Drummel, eenigzins licht in de zaek ziende. ‘En de goedwillige kooper?’
| |
| |
‘Mijnheer Max Franck, de vriend van baron van Dormael.’ Drummel is overtuigd, dat de winst zeker is; hij wrijft zich de handen - maar het rouwt hem toch dat lieve, kostbare bankbillet zoo loszinnig, zoo onvoorzigtig gegeven te hebben.
‘En de portefeuille?’ vraagt Drummel in den donkeren gang.
‘Daarover later!’ is het antwoord. ‘Ga, koop morgen den schuldbrief, doch laat mij den tijd het papier weêr op zijne plaats te leggen, waar ik het dezen morgen gevonden heb.’
Tony is op straat.
Drummel staat in den donkeren gang te suffen en over het gebeurde na te denken: - hij begrijpt niet hoe hij zoo weekhartig, zoo goedzakkig geweest is, het geld voorafgaandelijk ter hand te stellen. Hij is een oogenblik boos op zwarte Kaat, omdat zij den indringer niet aan de deur heeft gezet, toen hij zulks nadrukkelijk bevolen had; hij wenscht dat die jonge schurk in den gang den hals gebroken hadde, dewijl hij nu toch het geheim kent. Welk een slapelooze nacht gaat hij te gemoet! Maar ha! daar valt hem iets in: wanneer die jongeling hem bedrogen heeft, dan zal hij zich wreken, wreken door hem bij Mijnheer Bareel-Van Dinter aan te klagen.
En Tony?
Zie, daar snelt hij in de straat voort, met den bloedprijs, den Judas-penning, voor welken hij zijne oude moeder verkocht heeft, in den zak. Hij heeft zelfs de hoop niet dat Mijnheer Max, die zware schuld-erkentenis zal afkoopen: - neen, hij wil ze doen overgaan in de handen van Drummel - want hij weet het wel,
| |
| |
die Drummel is de geest des kwaads, de bloedzuiger der armen!
‘Mos heeft gelijk’ mompelt Tony opgeruimd, en hij drukt het eerlooze bankpapier, dat in zijnen zijzak steekt, innig tegen het hart.
|
|