Het Jan-Klaassen-spel. Met levende beelden uit onzen tijd
(1863)–August Snieders–
[pagina 74]
| |
IX.Baron Judocus Pot, bijgenaamd Plaesteren-Dooc, heeft eindelijk zijne cigaar opgerookt en slentert, zonder nog in het minste aan zijn baronschap te denken, den hoek der straat om; hij wil zien of de buurt, in de avondschemering, hem eenig tijdverdrijf oplevert. Naauwelijks is hij echter aan de eerste huizen gekomen, of hij staat voor een groot heer stil, die er echter wel wat verwaarloosd uitziet. Zijne hairen zijn eenigzins verward, zijn gezigt rood opgeblazen; zijne oogen zijn dwalend en zijne tong stottert. Dooc moet juist niet zien, dat zijn fijn geplooid hemd met een aantal wijnplakken gemarmerd is, om hem - altijd op behoorlijken afstand - te zeggen: ‘Ge hebt den reus gezien, Mijnheerke!’Ga naar voetnoot(*) Maar Dooc herkent plotseling den heer, die hem tot tweemaal toe, bij het intreden des theaters, zijne half opgebrande cigaar heeft toegeworpen, die hem daarenboven eens eene tegen-kaart gegeven heeft; daarbij het is diezelfde heer, die onlangs bij tante Anna-Bella gekomen is, waar hij - en het oog van den knaap is vinnig genoeg om dit gezien te hebben - echter in 't geheel niet welkom was. | |
[pagina 75]
| |
Het is Tony Darenge, die zich onder den naam van ‘Mijnheer Tony’ bij Anna-Bella heeft doen kennen, zoodat het meisje destijds niet wist dat hij de broeder van haren Jan is; doch dat bezoek - het gevolg eener ontmoeting - had het meisje stipt verborgen gehouden. Waarom zou ze haren vriend eene noodelooze jaloezij in het hart werpen? ‘O, Mijnheer zijt gij het!’ zegt Dooc, de muts even opligtende. ‘Is Juffer Anna-Bella thuis?’ is Tony's vraag. ‘Neen..... ja.....’ antwoordt Dooc, en bij het laatste woord komt er iets spottends om den mond van den straatjongen spelen, en er vonkelt iets duivelsch in zijne oogen. ‘Neen?.... ja?.... Schapenkop! Het schijnt dat ge den gek met mij scheert.’ ‘Wel ja, Mijnheer.’ ‘Hoe?’ en Tony's oog vonkelde van gramschap. ‘Ik wil zeggen, dat ze zeker thuis is.’ ‘Des te beter. Is zij alleen?’ ‘Moedermensch alleen.’ ‘Zeer zeker?’ ‘Vast wel.’ ‘Gaat gij er heen, Mijnheer?’ Tony knikt. ‘Ja, maar.....’ ‘Welnu?’ ‘Mijnheer, ze kan den rook van de cigaar niet verdragen, en ik zie dat ge dampt gelijk de overzetboot.’ | |
[pagina 76]
| |
‘Schelm!’ malt Tony en werpt den deugniet de brandende cigaar toe, die hoopt er zich heerlijk op te vergasten. Dooc ziet nu den rijken heer, om den hoek loerend, achterna. O, ware Anna-Bella alleen geweest, hij zou het tegendeel gezegd hebben; maar nu juist is Jan-oom, die in geene goede luim is, daar - en deze zal den ‘lastverkooper,’ na wiens bezoek zijne tante geweend heeft, wel eene duchtige ‘pandoering’ geven, en de knaap lacht reeds bij de gedachte wat genoegen hij smaken zal, als hij dien windmaker onder Jan-oom's sterke hand zal zien buigen en plooijen. Dooc gaat op den vensterdorpel van den schoenmaker zitten: er zal daar boven komedie gespeeld worden, en hij vindt op dien dorpel eene eerste en kostelooze plaats. ‘Slechte cigaar’ mompelt de knaap, terwijl hij eene grimas maakt, en de Cuba langzaam onder den neus heen en weêr beweegt om er den geur van op te vangen. ‘Veel te versch - bah! - cigaren van een cent 't stuk!’ laat hij er spottend op volgen. Dooc is, geloof het mij, een echte kenner. Toch steekt hij de cigaar andermaal in den mond en dampt voort. Ik moet opmerken dat Dooc voor het oogenblik misgerekend heeft, voor wat de aanwezigheid van Jan Darinckx betreft; deze heeft juist Anna-Bella's kamer verlaten, op het oogenblik dat Mijnheer Tony den hoek der straat omdraait. Anna-Bella zit alleen; de avond is gevallen en geeft aan de verschillende voorwerpen in de kleine kamer, onduidelijke vormen. Zij zit nabij het venster, op welks bank eenige bloemen | |
[pagina 77]
| |
bloeijen, en waardoor het vertrek met een aangenamen geur vervuld wordt. Op dat oogenblik is zij eindeloos gelukkig, want er schemert, na het bezoek van Max Franck, eene schoone toekomst voor allen die haar lief zijn. ‘Anna-Bella!’ klinkt eene stem uit de duisternis. Het meisje dat, in hare droomen, het geklons op den trap niet gehoord heeft, ontwaakt bij het hooren van die stem. ‘Kindlief’ hervat Tony, naderbij tredende, ‘gij droomt zoo diep als het Lieve-Vrouwe beeld op den hoek uwer straat.’ ‘Mijnheer.....’ spreekt zij, opstaande, en er ligt in den toon der stem eene fierheid, die den onbeschaamdste zou doen aarzelen; maar Tony is geen man om daar acht op te geven. ‘Ik ben zoo vrij u wat gezelschap te komen houden, lieve Anna-Bella.’ ‘Gij weet wel, Mijnheer, dat ik met uw gezelschap in 't geheel niet hoog loop.’ Begrijpt ge nu, nieuwsgierige lezeres, waarom Anna-Bella op de wandeling, toen Tony voorbij trad, bloosde? ‘Altoos even boos; foei, dat staat zoo slecht aan uw lief gezigtje.’ ‘Wat verlangt ge, Mijnheer?’ ‘Wel, drommels! schoon kind, gij weet wel dat uwe lieve oogen, twee heldere starren aan den hemel ontroofd, mij het hoofd hebben doen draaijen.’ Tony nadert en wil zacht hare hand grijpen; maar Anna-Bella trekt ze schielijk terug en neemt eene houding aan, die alles behalve vriendelijk is. | |
[pagina 78]
| |
‘Gij, falsaris!’ mompelt zij. ‘Ik heb u reeds gezegd, dat ik verloofd ben aan - een eerlijken jongen, dien gij.....’ ‘Waarschijnlijk een werkman!’ zegt Tony met verachting. ‘Maar Anna-Bella, hebt gij dan nooit in den spiegel gezien en u overtuigd, hoe schoon ge zijt? Waarom wilt ge hardnekkig voortgaan uwe lieve oogen en uwe blanke handjes, door het nachtwerk, te bederven? Geloof mij, gij zijt geroepen om in de wereld te schitteren.’ ‘Ja, zoo als gij, misschien!’ onderbreekt het meisje met den toon der verachting in de stem. ‘Zoo als ik, en gij met mij.’ ‘Met deugd en eer onder de voeten te trappen, niet waar? Met mij te verlagen, en een van die eerlooze wezens, kortom, met u gelijk te worden.’ ‘Anna-Bella, dat meent ge niet.’ ‘Neen, dat komt uit het hart, Mijnheer. O, ik ken u sedert eenige uren. Ik wist tot dan toe niet dat hij, die mij met zijne liefde plaagde, iemand was, die.....’ ‘Welnu?’ onderbreekt Tony op onthutsten toon. ‘Ik ken u wel, Mijnheer; ik weet nu dat Mijnheer Tony, de zoon is van eene arme stoeldraaijers-familie; ik weet wat die familie voor hem deed, om hem groot in de wereld te maken en hoe hij die weldaden beloont.’ Tony bedwingt zich, maar behoudt zijne kalmte. ‘Wie heeft u dat wijs gemaakt, kind-lief?’ ‘Och, huichel niet: gij heet Toon Darinckx; uwe moeder woont op de vest, in het kleine huis met den houten gevel; gij | |
[pagina 79]
| |
hebt, nog slechts eenige uren geleden, uwe moeder zoo grof beleedigd en bespot, dat het arm mensch er ziek van is - en daarom haat ik u en noem u eenen deugniet.’ De jonge losbol stuurt het meisje een grammoedigen blik toe. ‘En weet gij wel wie ik ben?’ zoo spreekt het meisje voort. ‘Ik ben eene arme wees, welke voor haar dagelijksch brood wil werken. Gij zoudt mij van dien eerlijken weg willen afleiden; doch ik heb beschermers, die gij niet onder de oogen zoudt durven zien: uwe moeder, uw broeder.’ Die woorden doen een wonderbaar uitwerksel op den jongeling. ‘Gij schertst’ zegt hij, ‘en om die donkere wolk van uw aangezigtje te verdrijven, zal ik de vrijheid nemen u eens vriendschappelijk te omhelzen.’ ‘Raak mij niet aan; of hebt gij dan geenen eerbied voor haar, die eens de vrouw uws broeders worden zal?’ Die woorden ontstellen Tony: wat zonderling toeval! Maar toch laat de ellendeling zijne prooi niet schieten. Al houdt er Anna-Bella geenen hond op na, toch is er op dat oogenblik iets dat den indringer plotseling bij de beenen grijpt, zich als een geheel slangennest om deze slingert, en hem zoo vinnig in zijne magere stelten bijt, dat hij een fellen schreeuw laat hooren. Schoppen, stampen, schreeuwen helpt niets: baron Judocus heeft uitmuntende tanden en nagels. Hij is heimelijk naar boven geslopen, en heeft, in de duisternis verscholen, het oogenblik bespied, dat Mijnheer Darenge al te lastig wordt. | |
[pagina 80]
| |
Ook Jan Darinckx komt op dit oogenblik terug; in drie of vier sprongen staat hij in de kamer en nu hij, in het schemerlicht, zijnen broeder herkent, voelt hij zijne hairen te berge rijzen en beeft hij van het hoofd tot de voeten. ‘Kerel!’ roept hij op verschrikkelijken toon uit; ‘kerel! verwek uw acte van berouw! Bloed, bloed moet ik hebben!’ De doodschrik maakt zich van den lafaard meester. Op hetzelfde oogenblik dat Jan Darinckx die ijselijke woorden uitspreekt, slingeren Anna-Bella's armen zich om zijnen hals, en hare tranen bevochtigen zijne wangen. Dat alles bluscht toch het gloeijende van den broederhaat niet. Straks heeft hij de moeder, nu de verloofde beleedigd! Jan Darinckx poogt zich te vergeefs uit Anna-Bella's armen los te maken. ‘Ik ben hier gekomen om het geld te brengen, dat moeder mij gevraagd heeft!’ huichelt de ontaarde zoon en broeder. ‘Wij hebben niets, niets van u noodig!’ roept het meisje hem toe. ‘Ga heen, of God weet wat u overkomt. Jan, in 's hemels naam, Jan, maak uwe moeder en mij niet ongelukkig!’ Anna-Bella was de engel des vredes. ‘Ik vergeef het hem!’ stamelt de werkman; en nu zakt hij op eenen stoel neêr, laat het hoofd tusschen de twee handen vallen en tranen stroomen hem overvloedig uit de oogen. Doe wel aan die welke u haten! Maar zoo denkt er de kleine Dooc niet over, want nu Tony ter halver wege den trap is afgedaald, krijgt hij eenklaps eene storting van ruim een halven emmer water op het hoofd, die hem, weinig Evangelisch, door | |
[pagina 81]
| |
den kleinen deugniet wordt toegediend. Dat zal echter een grooter uitwerksel gehad hebben, dan het absolvo van broêr Jan. |
|