| |
X.
't Is heerlijk rustig in het studeervertrek van baron van Dormael. De vensters zijn geopend. De zon schijnt vrolijk in den frisschen hof; de bloemen hebben hier en daar nog een frisschen dauwdrop op hare bladen, die er door de gonzende bijen wordt afgeschud. Nu het gonzen, dan het krakende omslaan van het blad eens boeks, het afgemeten hm, hm! ofwel het toeknippen van de snuifdoos des barons, is alles wat men hoort.
De baron zit in zijnen leuningstoel en leest de Lof der Sotheyt van Erasmus; doch welk de indruk is, die de lezing van dit boek op den baron maakt, laat zich op zijn gelaat juist niet zien.
Men tikt zacht op de deur; op 't zelfde oogenblik wordt deze geopend en het grijze hoofd van den mageren livrei-knecht komt vooruit.
‘Geen belet, Mijnheer de baron?’
‘Kom binnen, Peter.’
Peter is gewapend met eenen pluimbos, dat vreesselijke wapen, hetwelk voor den baron, ten minste in zijne bibliotheek, telkenmale het aanzien krijgt van een dronken en moedwilligen sol- | |
| |
daat, in eene overwonnene stad. Die pluimbos scheurt immers het schilderachtige kleed, dat het stof, na verloop van tijd, op de pleisterbeelden heeft geweven; hij breekt hier eenen teen, daar eenen vinger; hij kwetst de neuzen-collectie - die kostbare collectie, welke gansch de fortuin van zijn hoog-politieken broeder vertegenwoordigt.
De baron wilde de stofferij in zijn kabinet ontwijken en ving altijd in dat geval, een praatjen aan - hetgeen ten gevolge had dat Peter, dien hij wel eens Peter-de-Groote noemde, het vertrek verliet, zoo als hij er in getreden was - altijd in de overtuiging, dat hij wezenlijk het stof had afgenomen.
‘Is Mijnheer Franck, gedurende mijne afwezigheid gekomen, Peter?’
‘Dat is te zeggen, Mijnheer de baron, twee maal.’
‘En wat hebt gij gezegd, om zijne niet-ontvangst ten mijnent te regtvaardigen?’
‘Dat is te zeggen, niets!’ en Peter steekt, na den baron, de twee vingers in dezes gouden snuifdoos, waarna een verschrikkelijk neuzen-concert, tusschen de beide personen, aanvangt.
Peter niest.
‘God zegene u, Peter!’ zegt de baron met het hoofd knikkend.
‘Ik dank u, Mijnheer de baron - ik zegde dan’ gaat Peter voort, den pluimbos onder den arm en in eene magistrale houding, ‘ik zegde hem dan - niets. Dat is te zeggen, dat ik hem toch deed verstaan dat Mijnheer afwezig was.’
De baron opent andermaal zijne snuifdoos en achter de vinge- | |
| |
ren van den eigenaar, gaan zeer familiair die van den knecht binnen, zonder dat de baron er echter acht op slaat.
‘Is alles in orde?’ vraagt de edelman, op het oogenblik dat Peter den vreesselijken kwispel uitsteekt om de stofferij te beginnen.
‘O ja, Mijnheer de baron. 't Zal in den aanvang nog al moeijelijk zijn, om zich aan al dat nieuwe te gewennen - dat is te zeggen.....’
‘Gelooft ge dat, Peter?’
Peter slaat andermaal den kwispel onder den arm en herneemt zijne magistrale houding.
‘Dat is te zeggen, Mijnheer de baron, nieuwe zinnen, nieuwe wetten. Wij zijn het, zoo als het nu gaat, reeds tien of twaalf gewoon.....’
‘Ja, dat is waar.’
‘En zie, mij dunkt dat ik een voorgevoel van de verandering heb gehad, toen voor 't eerst Mijnheer Franck zich zoo vertrouwelijk in uwen leuningstoel kwam neêrzetten, en vooral toen ik dat andere nieuwe gezelschap ontwaarde..... Dat is te zeggen....’
Mijnheer van Dormael opent nogmaals peinzend de snuifdoos en Peter steekt de vingers vooruit - doch knip! de doos vliegt als boosaardig toe, voor dat de knecht het nieskruid bereiken kan. De baron ziet nadenkend vóór zich en denkt nu op de woorden, die Peter-de-Groote zoo even gesproken heeft. Het gekwispel langs eenige boeken roept den baron uit zijne mijmering.
‘Er wordt gebeld, Peter’ zegt de edelman, altijd even klam; ‘'t zal Mijnheer Franck zijn; laat hem.....’
| |
| |
‘Aan de deur blijven, Mijnheer de baron?’
‘Neen, binnenkomen.’
En de baron is van Peter en den pluimbos ontslagen; doch, in zijn hart, heeft hij reeds het voornemen opgevat, zich tegen den wereldschen invloed van dien jongen Max te harnassen; want Peter heeft daar, volgens hem, eene groote waarheid gezegd.
Max Franck treedt binnen.
‘lk moet mij verontschuldigen, Mijnheer Franck’ zegt de edelman; ‘eene afwezigheid van eenige dagen heeft mij belet u ten mijnent te ontvangen.’
‘En is uwe reis naar uw verlangen afgeloopen?’
De baron hemt twee of drie malen.
‘Ik dank u!’ antwoordt hij eindelijk droog weg.
‘Een slecht voorteeken!’ dacht Franck en er speelt een bijna onmerkbaren glimlach om zijne lippen.
‘Ik heb in uwe afwezigheid de door ons besproken zaak vereffend’ vangt de jongeling aan, terwijl hij opstaat, aan het open venster treedt en achteloos eene afhangende bloem ontbladert. ‘Mijnheer Drummel.....’
‘Drummel?’ onderbreekt de baron peinzend; ‘ik ken dien naam. Is dat dezelfde niet wien mijn broeder over vele jaren in proces betrok, voor het verdwijnen van zekere diamanten zijner vrouw?’
Mijnheer Max doet een gebaar, hetwelk bewijst dat zulks hem onbekend is. Hij spreekt daarna voort: ‘Mijnheer Drummel heeft mij den schuldbrief, na eenige moeijelijkheden afgestaan;
| |
| |
de knaap gaat regelmatig ter schole, het huwelijk tusschen den braven werkman en zijne verloofde, zal welhaast plaats hebben - en, mijn waarde baron, gansch het huisgezin wenscht zijnen weldoener te kennen en hem dankbaar te zijn.’
De baron snuift en maakt een vreesselijk gedruisch.
‘Mijn beste heer Franck’ zegt hij met eenigen nadruk, ‘ik wil niet gekend zijn; slechts op voorwaarde dat gij den last der dankbaarheid dragen zoudt, heb ik besloten mijne beurs ten behoeve van die menschen open te stellen.’
‘Uwe reis heeft u niet handelbaarder gemaakt!’ laat Max er fijn lagchend op volgen.
De baron ligt het hoofd op en ziet den jongeling scherp aan.
‘Integendeel’ is 't antwoord. ‘In mijnen jongen tijd, Mijnheer Franck, heerschte er nog kalmte in de natuur en in de menschen.....’
‘Omdat ze sliepen’ denkt Franck.
‘Nu, nu stoomt alles, te water en te land, in eene zoo koortsachtige drift voorwaarts, dat men er duizelig van wordt - en wilt ge wel gelooven, dat men er toen beter kwam dan nu.’
‘Maar hoeveel kwamen er in 't geheel niet, Mijnheer de baron?’
‘En hoeveel breken er onder weg de beenen, Mijnheer Franck?’ vraagt de baron en steekt den jongeling zijne opene snuifdoos toe. ‘Iedereen wil groot en verheven zijn en verder springen dan zijn stok reikt. Men dobbelt ieder dag om, ofwel in eens rijk, of in eens gebrandmerkt te zijn. De pracht verslindt de spaarpenningen, en al die welke van de hoogte, waarop zij
| |
| |
gekomen waren, neêrtuimelen, wreken zich door onder aan den grondslag der zamenleving te knagen en haar te ondermijnen..... Eerzuchtige schrijvers, advokaten zonder zaken, geruineerde speculanten; de loopjongen der drukkerij, die pas de proef van een dagblad lezen kan, droomt van eene minister-portefeuille.....’
‘'t Is waar; maar wij leven in eene maatschappelijke krisis, baron,’ antwoordt Max, bijna onverschillig. ‘Drommels! als men het maatschappelijk kaartspel zoo wild dooreen werpt, gelijk men gedurig doet, en dit bij iedere omwenteling, moet men ons den tijd wel geven, om de kaarten weêr op te rapen en te zien of ze volledig zijn, alvorens geregeld het piketspel te kunnen voortzetten.’
‘De kaarten zijn vervalscht; gij zult er nooit goed meer meê spelen.’
‘Waarom niet? De kaarten zijn zeer goed; maar er zijn grieken in de partij, die ze ten hunnen voordeele mengelen, om des te beter valsch te kunnen spelen - en wij, oneindig minder meêgesleept door boosheid, dan wel door dwaasheid en kortzigtigheid, wij spelen zoo al een weinig valsch meê, zonder het zelf te weten, of als gij wilt zonder het juist te willen.’
De baron trommelt, met zijne vijf vingeren te gelijk, eene storm-marsch, op het deksel zijner gouden snuifdoos en sist een deuntje tusschen de tanden.
‘Ik beken het, de wereld is op verre na geen Paradijs van engelen’ gaat Max voort; ‘ware dit, dan zou iedereen aan de maatschappelijke rijstenpap-schotel plaats moeten vinden: nu slokt er de een de suiker af, de ander slokt de rest binnen, terwijl
| |
| |
de meesten zelfs geene plaats aan tafel vinden, laat staan dat ze een lepel bezitten - dien ze des noods nog zouden kunnen missen! Eenigen, de sterksten of de slimsten, zitten aan tafel en aan de deur vecht en slaat men, en men sterft er van honger. Maar wie heeft die hel gemaakt, tenzij wij zelven, door vervalsching van hart en geest.’
De baron trommelt altijd glimlagchend voort.
‘Indien wij, ongelukkig zijnde’ zegt Max altijd kalm ‘konden opklimmen tot de wezenlijke oorzaak, we zouden altijd iets vinden - misschien eene nietigheid - welke ons zou bewijzen, dat de kiem van het ongeluk aan ons zelven moet toegeweten worden. Men werpt eenen zandkorrel uit; men vindt hem, in later jaren, als eene steenrots terug, die ons dreigt het hoofd te verpletteren - en men beklaagt zich en men vergeet den wegknipten zandkorrel.’
‘Ja, kleinigheden hebben groote gevolgen.’
‘Die zandkorrel is, in het gewone leven, niet zelden eene gekwetste eigenliefde, een scherpe lach, een stekelig woord, een stuk geld; het is in het politieke leven eene domme wet of de domme uitlegging van deze, door een brutalen veldwachter of een kortzigtigen regter. Regeerders en geregeerden vallen zeven malen daags: deze met opzet, gene gedwongen door de omstandigheden. Dat zijn zeven speldeprikken die ontsteken, zweren en groote en pijnlijke wonden voor de zamenleving kunnen worden. Daartoe geeft de krisis, waarin wij verkeeren, natuurlijk meer aanleiding dan vroeger - dan wel zekere tijd, als onverbeterlijk geroemd; want het verleden, ontdaan van al het onaangename, is
| |
| |
niet zelden schooner dan het tegenwoordige, en bekomt door het prisma der herinnering, de schitterendste kleuren - maar de wereld is altijd eene mengeling van goed en kwaad geweest, en zij zal dit blijven tot het einde der eeuwen.’
‘Maar de zedelijke waarde is nu beneden zero gedaald.’
‘Eenzijdig beschouwd, ja; doch tegen-over het kwaad, is er ook eenig goed aan te teekenen. Echter moet ik met u bekennen, dat er, in onze dagen, niet genoeg gedaan wordt ter opbeuring van het zedelijke leven.’
‘Stoffelijkheid, ziedaar de groote beweegkracht in uwe zamenleving!’ onderbreekt de baron eenigzins heftig. ‘Stoffelijkheid leidt tot verdierlijking en verdierlijking kan enkel door grof geweld beteugeld worden. Uwe regeerders weten het wel: - kazernen, forten en gevangenissen zijn het kenmerk van uwen tijd.’
‘Alweêr ten gevolge der valsch spelers, en omdat alle krachten zich niet genoegzaam vereenigen, tot opbeuring van het zedelijke leven, vooral nu het stoffelijke zoo magtig is. Wij zijn den weg eenigzins bijster geworden; wij zoeken, woelen en tasten, en komen telkens uit op bloedige omwentelingen, welke ons, als eens de pestwalm is opgeklaard, niet de door ons gezochte volmaakte zamenleving, maar eene smartelijke en verarmde, zien laat. Hart en geest moeten integendeel hervormd en aan eene betere en regtvaardiger rigting onderworpen worden, en eens’ voegt er Franck glimlagchend bij, al was hij zelfs overtuigd, dat hij nu wat te veel optimist werd - ‘eens zullen de kazernen welke u zoo ergeren, in scholen; vele gevangenissen
| |
| |
in weldadige gestichten en fabrieken; de forten, als gij wilt in feestzalen en de wallen weêr in vruchtbare aardappel- en bloemkool-velden veranderd worden.’
‘Gij zij teen droomer, Mijnheer Franck.’
‘Ik tracht een weinig verder te zien, dan de horizon die ons omgeeft en het verledene wettigt mijne bewering - en zie, wij zouden reeds in onzen tijd, een groot eind wegs afleggen, indien alle welmeenende harten, uit alle hunne krachten bijdroegen, om hot zedelijke leven op te beuren.’
‘En zich niet, gelijk baron van Dormael, achter de vier muren van zijn hotel verschuilden!’
‘Gij zegt daar zoo al iets, Mijnheer de baron.’
‘Gij wilt mij dan tegen wil en dank, de proef met de wereld op nieuw doen beginnen?’ zegt de baron met een spotachtigen glimlach. ‘De wereld heeft mij van mijne jeugd af bedrogen en het leven verbitterd. Toen ik ter school ging, was ik zoo goed ik mijne latijnsche en grieksche opstellen aan mijne luije schoolmakkers liet afschrijven; mijn rug was de lessenaar van ieder achter-buurman, die liever penneke-pik speelde, dan zijn Epitome van buiten leerde, en ik liet mij daarenboven nog ranselen voor de guitenstreken, die zij aan den meester speelden. Toen ik ouder was en vrienden had, zette ik mijne beurs voor hen open, terwijl zij de hunne zorgvuldig toegestropt hielden; ik leende mijn best kleed, en ze vonden dat het hun beter ging dan mij; ik onderteekende welwillend schuldbrieven, en het scheelde niet veel of die heilige justicie zette mij achter de traliën, enkel omdat ik braaf was geweest jegens mijne zoogezegde vrienden. Ik gaf even
| |
| |
gaarne een cent als een goudstuk aan een armen duivel, en men zegde - die goede wereld! - dat ik gek was en men mij onder curateel moest stellen. Ik wilde trouwen, maar ik had eens het ongeluk aan mijne verloofde te zeggen, dat hare vriendin een overschoonen Romeinschen neus had, en ik bekwaam was om dwaasheden te begaan voor een schoonen Romeinschen neus, zonder nu juist in de collectie-drift van mijnen broeder te deelen - en zij, zij had, rampzalig genoeg! een allerwonderlijksten wipneus, 't geen dan ook eene der reden was waarom mijn broeder, de beroemde neuzenkundige, haar trouwde. Haar scheen het gelijk te zijn, de een of de ander, als zij den titel van baronnes maar bekwam en men haren wipneus maar schoon vond. Ik trad later in het politieke leven, en 't was al hansworst wat ik ontmoette: hengelaars naar gunsten, kruis en lint, subsidiën en adelbrieven. En dan - en de baron lacht bitter - ik stichtte eene school voor straatloopers, en 't waren zij die mij in 1830 kwamen uitplunderen: men had hen overtuigd dat ik hun niet genoeg gegeven had.’
Max Franck glimlacht om het goed humeur des barons.
‘Ik weet wat gij wilt antwoorden’ gaat deze voort; ‘dat is altemaal mijne schuld! Welnu, ik heb mij daaraan later niet meer willen schuldig maken; ik hechtte mij aan niets meer, zelfs aan geen hond, aan geene bloem - aan niets dat leefde en vergaan moest. Ik beken, van die overdrijving ben ik eenigzins terug gekomen; maar, gij zult den zege niet behalen, Mijnheer Max! Gij zult mij niet doen beminnen, wat ik voor het minste veracht, en de vijand zal deze vesting niet binnen treden, tenzij over mijne doodkist.’
| |
| |
De deur gaat open en bedeesd ziet een allerliefst bruinlokkig meisje, in keurig kleedsel, in het vertrek rond. Zij kan zeventien jaar oud zijn; hare gestalte is rank en boven de middelmatige. Het gelaat is eirond, de wangen zijn zacht gevuld en ligtelijk gepurperd; de neus, fijn geteekend, herinnert den Romeinschen profiel. Er ligt iets flikkerends en vrolijks in het blaauwige en vochtige oog, en de weelderige, opwaarts gestreken hairen zijn als een natuurlijke diadeem boven haar welgevormd voorhoofd. De mollige blanke hals, zich bevallig plooijend en de ronde arm, die uit het sierlijk met kant omzette négligé piept - kortom het geheel, verraadt eene prachtige, levenslustige jeugd en voorspelt voor lateren leeftijd eene schoone en statige vrouw.
Max Franck verrast, neemt eene eerbiedige houding aan en staart op dat wezen, hetwelk hem aan eene fee, aan eene tooververschijning doet denken, want nooit heeft hij immers de aanwezigheid van een jong vrouwelijk wezen, in het huis des barons kunnen vermoeden.
De baron ook ziet op, glimlacht de ons onbekende toe, en zich tot den jongeling wendende, zegt hij in het Fransch:
‘Mijnheer Franck, ik stel u mijne nicht, de dochter mijns overleden broeders voor, welke gisteren met mij hier is aangekomen.’
Eene buiging van weêrskanten.
‘Verlangt gij iets, lieve?’ vraagt de baron.
‘Ik zocht Peter, oom.....’ en na het uitspreken dier woorden verdween dat lieftallige wezen weêr, hetwelk in die graftombe van een hotel, een wel wonderlijk figuur maken moest.
| |
| |
‘Ik zegde dan,’ zoo spreekt de baron voort, ‘mijn waardste, dat de vijand deze vesting niet zal binnen treden.....’
‘Helaas, mijn waardste heer, maak u tot de uiterste verdediging gereed; zoek uit uw oud arsenaal alle mogelijke wapens, argumenten van vier-en-twintig ponders, bijeen; roep Peter-de-Groote zelfs tot uwe hulp; want de vijand is reeds in de vesting.’
‘En wie zou hij zijn, Mijnheer Franck?’
‘Uwe lieve nicht, die ik daar zoo even heb zien verschijnen; jeugd en schoonheid kunnen niet in den engen kring der muren suffen, en gij zult u verheugen met haar, wanneer gij hier alles zult zien verjongen en vervrolijken. 't Is een gevaarlijke vijand, mijn beste van Dormael - en ik heb het reeds bemerkt, zij heeft een overheerlijken Romeinschen neus.’
De baron glimlacht ongeloovig en drukt den jongeling hartelijk de hand.
|
|