Het Jan-Klaassen-spel. Met levende beelden uit onzen tijd
(1863)–August Snieders–VIII.Anna-Bella heeft Max Franck zeer goed beoordeeld. Hadden wij ons niet zoo lang met Plaesteren-Dooc bezig gehouden, wij zouden den edelen jongeling in de kamer van het naaistertje hebben aangetroffen - altijd even kalm, beleefd en eerbiedvol. Juist nu wij aankomen, is hij echter vertrokken en wij zien Anna-Bella in het opene venster blij, opgetogen - ik zou bijna zeggen verwilderd - Plaesteren-Dooc roepende, die juist de straat op en neêr rent, en op de stem van zijne beschermster als een trouwe windhond komt aansnellen. ‘Dooc..... jongen..... wat een geluk! Hebt ge Mijnheer Franck gezien?.... Welnu, weet ge wat hij mij is komen zeggen?.... Weet ge wat er in deze portefeuille steekt?... Och, ge zult er niets van begrijpen....’ zegt het meisje met afgebroken volzinnen. ‘Wel wat steekt er dan in die portefeuille?’ vraagt Dooc kalm. | |
[pagina 67]
| |
‘Uw geluk jongen.’ ‘Dan,’ roept Dooc, ‘dan steekt er een vliegert in!’ en hij neemt eene mannelijke houding aan; hij spreidt de beenen wijd van-een, steekt de borst vooruit, legt de twee handen in-een geslingerd op den rug, en staart met vinnige oogen Anna-Bella aan. ‘Neen, neen! uw geluk.....’ hervat deze. ‘Nu dan, eene hairen muts met eenen tamboer-majoor-stok.’ ‘Beter, beter dan dat!’ ‘Dan, een schip op wielen, met een wit paard er voor.’ ‘Dwazerik, kan zoo iets in die platte brieventasch zitten! Jongen, gij zult nog eens gelukkig zijn, in een groot huis wonen en in eene gouden koets rijden.....’ ‘Ja’ zegt Dooc koeltjes en verlaat nu zijne deftige houding; ‘men moet de kinderen zoo al iets wijs maken..... Tante Anna- Bella, mag ik weêr op straat gaan spelen?’ ‘In het geheel niet! Dooc, gij zijt een groot heer, een baron.....’ Dooc verschommelt zich eens, want het schijnt dat zeker donkerkleurig gezelschap hem op dit oogenblik plaagt. ‘Kom, zet u daar eens neêr en doe eens gelijk een groot heer!’ hervat de tante. ‘Zoo als de oude schoenmaker, wanneer hij dronken is?’ vraangt de jongen. ‘Neen, zóó niet.’ ‘Dan zoo als de smid, wanneer hij prijs met de duiven gewonnen heeft.’ ‘Nu, ja!’ zegt de vrolijke Anna-Bella en ze lacht schaterend. | |
[pagina 68]
| |
‘Maar dan moet ik eene lange pijp hebben.’ ‘Die zult ge hebben, baron!’ en het meisje slaat aan, even als een soldaat voor zijnen generaal. ‘En eene kan goede seef.Ga naar voetnoot(*)’ ‘Die schuimt als Champagne’ antwoordt het meisje. ‘Maar eerst moet ik u dan kleeden gelijk een baron, of gelijk de smid als gij wilt. Hier’ - en het meisje knipt met de schaar een paar overgroote papieren halsboorden, speet die den knaap aan den kraag vast, doet hem een witten halsdoek om, trekt hem Jan-Ooms vest aan, dat zij gisteren gelapt heeft en zet hem, na er een voorschoot in gestopt te hebben, Jan-Oom's hoed op, die hem, niettegenstaande de voorzorg, diep in de oogen valt. Dat alles gebeurt onder het gedurig lagchen van het meisje, en de snedige opmerkingen van Dooc, die nu eens zegt: ‘Tante, is het vandaag dan Vasten-avond of Aller-kinderendag?’ Ofwel: ‘Tante, ik geloof dat wij alle twee gek zijn.’ Ofwel: ‘Tante, gij hebt vergeten den neus van uwen baron af te vegen.’ ‘En nu, baron, houd u stil; ik ga de lange pijp en den wijn halen!’ zegt Anna-Bella, nu de toilette gemaakt is. Anna-Bella ijlt den trap af en Dooc klimt eens even op den | |
[pagina 69]
| |
stoel om zijn potsierlijk figuur in den spiegel te zien en zingt, in die houding, een aria uit de Favorite. Anna-Bella treedt binnen. Een overschot van Jan-oom's tabak stopt de blanke pijp, nadat Dooc ze behoorlijk van binnen heeft vochtig gemaakt. ‘En nu - vuur!’ beveelt hij met eene komieke deftigheid. ‘Ziedaar, baron.’ De knaap strekt den arm uit, neemt den steel der pijp tusschen de voorste vingeren - die op verre na niet aristocratisch wit zijn - en den pijpenkop op de tafel latende rusten, dampt hij als een losgebersten kanon. Plaesteren-Dooc is tooneelspeler geboren! ‘Baron,’ zegt het meisje ‘hebt gij geen dorst?’ ‘Pomp nu de glazen vol!’ antwoordt de kleine schelm, zet den grooten hoed schuins op het hoofd, even als de pogchende smid doet en slaat, even als hij, met de vuist op de tafel - en juist is Dooc op het punt van eene gansche vertooning van den verwaanden buurman op te disschen, nu de deur wordt open gestooten en Jan Darinckx binnen treedt. De jonge werkman blijft verwonderd staan, bij het zien van dat koddig figuur en de uitgelatenheid van Anna-Bella, welke lacht dat haar de tranen over de wangen loopen. Jan schijnt echter geen trek te hebben tot lagchen. ‘Ik zou haast denken, dat ik in een gekkenhuis, of ten minste in een apenhok kom!’ zegt de stoeldraaijer gemelijk. ‘Hola, Jan Darinckx!’ onderbreekt hem Anna-Bella ‘spreek met meer eerbied van baron Judocus Pot, gezegd Plaesteren- | |
[pagina 70]
| |
Dooc! Muts af, Jan Darinckx!’ gaat zij voort en trekt den stoeldraaijer de klak van het hoofd. Maar Dooc ziet wel in de oogen van Jan-oom, dat het hem niet bevalt en hij haast zich, uit zijnen hoed en wammes te kruipen, zich van het overige toestel te ontdoen, en uit vrees voor oorvegen, sluipt hij de kamer uit, zet zich op de trapleuning te paard, glijdt bliksemsnel naar beneden en tuimelt als het ware de straat in. Anna-Bella is eensklaps ernstig geworden - ten minste schijnbaar. ‘Wat zijt gij vervelend!’ mompelt zij. ‘En wat zijt gij dwaas!’ is het antwoord. ‘Nu, gij zult niet weten waarom ik zoo uitgelaten ben; het brandt mij op de lippen om het u te zeggen, maar dat niet - zult ge weten!’ en het meisje doet den nagel van haren duim door hare voortanden knippen. ‘En waarom zijt gij zoo uitgelaten?’ vraagt niettemin de werkman, terwijl hij zich neêrzet en met den elleboog op de tafel rust. ‘En waarom ziet gij er uit, als of ge naar eene begrafenis gingt? Ik! ik heb heden voor duizend francs.....’ ‘Wat?’ ‘Geluk gewonnen!’ zoo spot zij. ‘Dan hebt ge gewis iets anders gedaan, dan stoelen gedraaid!’ antwoordt Jan glimlagchend. ‘Gij, integendeel, hebt ongeluk gehad, niet waar? Ik weet het, manneke’ - en ze steekt schalksch dreigend den wijsvin- | |
[pagina 71]
| |
ger in de hoogte - ‘en dan loopt men met het hoofd gebogen over de straat, dan trekt men een gezigt, als of de wereld tegen zijnen dank stond!’ en het meisje legt goedhartig den arm op den schouder des jongelings. ‘Wie heeft u gezegd, dat het mij tegenslaat?’ vraagt Jan, die reeds een minder zuur gezigt begint te trekken. ‘Ik lees op uw gezigt, gelijk op eene doodkaart.’ ‘Welnu, 't is zoo; zeg me nu wat geluk gij opgedaan hebt?’ en Jan neemt de hand van Anna-Bella vleijend vast, doch zij trekt die terug, en plotseling het hoofdje buiten het raam stekende, roept ze dreigend lagchend: ‘Dooc, Dooc!’ Want de knaap danst, bijna in den hoed van den schoenmaker verdronken, voor dezes venster, den matrozen-dans, hetgeen den ouden, driftigen koppigaard doet blaken van gramschap. ‘En welk geluk dan, Anna-Bella?’ hervat Jan, zonder op de pagerijen van den jongen te letten. ‘Zie, ik zou kwaad op dien.... baron moeten worden; maar wie zou niet lagchen met zijne fratsen!’ zegt het meisje, zonder op de woorden van haren vriend acht te slaan. ‘Gij antwoordt mij niet?’ herhaalt Jan. ‘Wat zijt gij nieuwsgierig!’ ‘Zijt gij dezen avond bij mijne moeder geweest?’ ‘Ja, en wat zou dat?’ vraagt Anna-Bella, moeijelijk haren lach bedwingende. ‘En heeft zij u gezegd wat er mij in het hoofd speelt?’ ‘Dooc, baron Dooc! zult gij ophouden met, op uw hoofd, | |
[pagina 72]
| |
over het gaanpad te wandelen!’ onderbreekt het meisje. De stoeldraaijer wordt eindelijk ongeduldig; hij ook steekt het hoofd buiten het raam en verwittigt den knaap, dat hij eens even naar beneden zal komen. Dooc verstaat wat dit zeggen wil en gaat nu rustig op het gaanpad zitten, fluit een deuntje met dubbelen tongslag, haalt ten slotte een eindje cigaar uit den zak, vraagt vuur aan eenen voorbijganger - die lagchend zijne brandende pijp tegen de cigaar dopt - en gaat kalm zijne Manilla zitten opdampen. ‘Gij doet mij zeer, Anna-Bella, met mij zoo te plagen en zoo te lagchen!’ zegt de goede werkman, en er ligt iets in den toon zijner stem, dat plotselings de spotternij van de lippen en uit de oogen van het naaistertje doet verdwijnen. ‘Och’ zegt zij troostend en laat nu hare fijne in de vingeren grove hand des werkmans rusten; ‘de goede God schikt immers alles ten beste.’ En nu vertelt Anna-Bella, dat Mijnheer Franck haar met een bezoek vereerd en verzekerd heeft, dat de arme Dooc eens een groot heer worden zou - getuige die portefeuille, welke zij koortsachtig opent en de perkamenten en papieren, welke zij bevat, voor Jan Darinckx open spreidt. De werkman begrijpt er niets van; maar Mijnheer Franck heeft het gezegd - en zie! hij krijgt eerbied voor den kleinen deugniet. ‘Dan zal hij ook geen stoeldraaijer worden?’ zegt de jongeling. ‘Bewaar die papieren, zorgvuldig,’ gaat hij voort; ‘vertrouw ze aan niemand - aan niemand!’ | |
[pagina 73]
| |
‘Die Mijnheer Max Franck is een braaf man!’ zegt Anna-Bella, terwijl zij de portefeuille weg sluit. ‘Ik heb hem ook van u - van....’ Zij bloost en hapert. ‘Wat zegt ge?’ ‘Misschien deed ik niet wel..... Ik was op het punt van mijne gouden oorringen naar Jan-OomGa naar voetnoot(*) te dragen.....’ ‘lk vrees de waarheid te raden.’ ‘Och, wel ja, Mijnheer Max Franck zal bij Drummel gaan en hem den schuldbrief afkoopen. Nu, gij moogt u zelven geluk wenschen, Jan, eenen schuldeischer te hebben zoo als Mijnheer Franck.’ ‘Maar waarom, Anna-Bella, maakt gij toch onzen toestand aan eenen vreemdeling kenbaar?’ ‘Och, hij is zoo goed, zoo.....’ ‘Gij spreekt met zoo veel geestdrift van hem.....’ ‘Dat gij jaloers zijt, niet waar?’ lacht Anna-Bella. ‘Anna-Bella!’ zegt de jongeling, op eenigzins gestrengen toon en staart haar vlak in de oogen - maar die oogen zijn zoo helder, zoo rein, zoo puur, zij schijnen hem zelfs eenen hemel vol goedheid toe, dat elk verwijt op zijne lippen smoort en, diep bewogen, als gevoelt hij spijt over eene kortstondige verdenking, het meisje omhelzende, stamelt hij: ‘Ik dank u, ik dank u, Anna-Bella!’ |