| |
VII.
Nicolaas Beets beschreef den ronden Hollandschen jongen, Wap den Italiaansche, Victor Hugo en Jules Janin den onstuimigen gamin van Parijs, Potgieter schetste den knaap uit het noorden: Plaesteren-Dooc verdiende door een hunner herdacht te worden, doch dewijl de knaap tegen wil en dank ongeduldig is om in het licht te treden, en hij voor het oogenblik geen anderen inleider ontmoet dan mij, zal ik hem maar zoo goed mogelijk introduceeren.
De knaap was en is nog wel de grootste deugniet van gansch de buurt, en men ziet het aan zijn vinnig oog, zijn borstelig, kort geknipt hair; aan de vlugheid zijner bewegingen, die met de vlugheid van zijnen geest overeenstemmen. Als een echte vagebond - we spreken vooral van zijn gouden vrijen tijd, toen zijn vader nog leefde - als een echte vagebond heeft hij er weinig om gegeven of hij, des zomers, onder het vaderlijk dak of buiten op eenen huisdorpel, op eenen stapel planken aan de Schelde, of het gras der vest logeerde.
| |
| |
Dooc was destijds meer dan nu de kwelduivel van gansch de buurt, oud en jong moest zijne guitenstreken onderstaan, en de oude schoenmaker is meer dan eens doodbleek van gramschap geworden - doch eer hij den spanriem gegrepen had, om den schavuit eens duchtig te ranselen, stond deze reeds verre van daar op den hoek der straat, op het hoogste der stellaadje bij zijnen vader, of zat op een hoogen boomtak op de vest - en zette van daar, spottend, den schoenmaker eenen neus.
De vader klopte op den kleinen deugniet als op stokvisch; wel huilde de knaap dan geweldig en beloofde hij ‘het nooit meer te zullen doen;’ maar zoo haast de tranen waren opgedroogd, sprong Dooc weêr zingend door de straat, plaagde, als de zon scherp scheen, Anna-Bella met zijn spiegelglas, bond den ouden hond van den smid een rammelend ijzer aan den staart, deed de appelkraam in de hoogte vliegen, hield het koperen bekken aan de deur des barbiers, voor de schijf zijner steentjes, danste, wandelde op zijn hoofd - en er rolt nu nog de gebuurte eenen steen van het hart, als men in de verte het muziek der soldaten hoort, hetgeen haar voor eenigen tijd van den plaagstok verlost.
Ziet, daar stapt Dooc, statig als een tamboer-majoor, vooruit met den eenen arm in de zijde, met den andere de beweging van den stok makende - en altijd het eindje gevonden cigaar in den mond. Ofwel hij danst op de maat der trommel of der muziek, en maakt zulke gekke sprongen, dat het den ernstigen tamboermajoor - de nec plus ultra van les hommes graves - zelfs lagchen doet.
| |
| |
Dooc zwemt als een waterhond, duikelt als eene eend, klimt op de boomen als eene kat, is stout in het vechten, springt zeeltje tegen het vlugste meisje. Zijne toilette, toen zijn vader nog leefde, hinderde hem niet in zijne bewegingen: een hemd had hij zelden of nooit gedragen; eene broek tot de knieën opgestroopt, zoo iets of wat van een oud gekleurd ondervest, waar over een zwart wammes, dat altijd toegeknoopt was - ziedaar zijne kleeding op den grooten Paaschdag gelijk op den werkdag; in den winter voegde men er enkel een paar klompen en stukken van kousen bij. Klompen en kousen, ziedaar zijne weelde!
De zak van de broek is breed en diep: er zit daar een gansch arsenaal van instrumenten in, om de menschen te plagen; maar vooral een spel vuile, zwarte en aan de vier hoeken omgekrulde kaarten, maken deel van den voorraad. Zij zeggen u dat Dooc een verklaarde vriend is van het troeven op het grastapijt der vesting, en wat het kiem- of lotospel aangaat - niemand zingt zoo schoon, zoo verstaanbaar en toch zoo snel, de uitgekomen nummers als Plaesteren-Dooc: onder-en-boven (no 69), twee kapstoken (no 77), Judas (no 13), de hairen van ons Lieven Heer (no 11) enz; maar ook niemand kiest gezwinder het hazenpad, als de policie-commissaris de spelers op het echte groene tapijt betrapt.
Want, weet het wel, lezer, de policie-reglementen, die goede vaderlijke, liefdevolle policie-reglementen, verbieden dat gevloekte spel, dat troeven voor een paar centen, aan dat onvoorzienend arme volk - maar het gouvernement laat nog altijd toe dat onze huisvaders, onze verloren zonen te Spa hunne for- | |
| |
tuin op de roulette wagen en, na alles in de wereld verspeeld te hebben, door een pistoolschot hunne ziel naar den duivel jagen.
Voor de diensten die Dooc bewijst, krijgt hij nu en dan van de volwassene spelers een enkelen cent; ook als hij het een of ander naai- of handwerk, uit de buurt, bij den eigenaar thuis brengt. Wel legt hij soms den witten halskraag of het gesteven overhemd, eenen oogenblik op de pas beregende straatsteenen of het gras neêr, om den eenen of anderen jongen eens even de ooren te wasschen; maar, wees gerust! alles zal slipt op zijne bestemming komen, zoo wel als hij ijverig met de prijswinnende duif loopt, of trouw eene fakkel draagt bij elke serenade, welke er gegeven wordt. Is hij vermoeid, hij wipt achter op een rijtuig, of wel, hij, de vriend van iedereen, kloutert naast den vigilantkoetsier op den bok, is gelukkig als een millionnair en wordt door al de straatjongens benijd.
De schouwburg is voor Plaesteren-Dooc eene soort van hemel; sedert men hem, in een voorgaanden winter, een ingangkaartje heeft toegeworpen en hij deel maakte van de engelen des Paradijzes, vindt men hem geregeld aan de deur des theaters, waar daarenboven een ruime voorraad van deels opgerookte cigaren te vinden is. Terug gekeerd uit de schouwburgzaal, lalt hij dagen achtereen de aria's uit de Favorite en de Huguenots, of declameert op hoogen toon, dit of dat stuk uit een der Fransche pyrotechnische drama's, die, onder het verleidende opschrift van Nationaal Tooneel, met premie uit de stadskas, hier te lande worden ingevoerd, bij gevaar van de Belgische nationaliteit eindelijk in de lucht te doen springen!
| |
| |
Niemand kan een tooneelstuk vertellen, zoo als Plaesteren-Dooc: hij kent de tooneelisten allen bij naam, zoo als hij ook de legenden van de straten van Antwerpen met naam en dagteekening weet op te sausen. De hoofdpersoon van een drama of kluchtspel, is altijd ‘'ne keunink’ en de eerste tooneeliste ‘de keuningin’ - en als het geheugen aan den knaap te kort schiet, heeft hij verbeeldingskracht genoeg, om de zaak door eigen vinding rond te maken.
Onderwijs heeft de knaap, zoo lang zijn vader leefde, niet genoten; de kerk was hij ontloopen en men had te vergeefs getracht, hem in de gemeente-school te doen opnemen. Daar worden ieder jaar eenige honderde sollicitanten naar het brood des geestes weg gezonden - en evenwel vragen zekere kortzigtige Politiekers gedurig het verpligtend onderwijs!
Deugniet is de knaap, ik herhaal het; maar zijne vingers zijn eerlijk en hoewel de liefdevolle moeder-justicie op hem waakt, om hem, bij de eerste gelegenheid de beste naar een verbeterhuis te zenden, is zij er nooit in gelukt Plaesteren-Dooc op eene schelmerij te betrappen.
O, die zorgvollezamenleving, welkeer schier niet aan denkt den knaap te vormen, zijn hart te beschaven, te veredelen en een eerlijk werkman van hem te maken; maar die aan moeder-justicie gelast met scherp oog toe te zien, om bij de eerste overtreding de geringste, den knaap bij het oor te grijpen, hem in de gevangenis te zetten en hem alzoo een brandmerk op het voorhoofd te drukken - in de gevangenis, waar hem den weg wordt aangewezen - naar de eerlijkheid? Neen, vaak naar het schavot.
| |
| |
O, goede en zorgvolle moeder!
Maar Plaesteren-Dooc is, zeg ik, een eerlijke deugniet; hij houdt aan zijne vrijheid, aan Gods lieven zonneschijn en klaterenden regen; aan Gods vervaarlijken donder en schrikkelijk dansenden bliksem. Hij leeft vrolijk en lustig, heeft gelukkig bij een eerlijk hart, een scherp oog en vlugge beenen - en zoo gewapend, lacht hij de handhavers der regterlijke magt vierkant uit.
Anna-Bella had juist niet veel genegenheid voor den plaagstok; zij kende hem door het uiterlijke en gewis dat pleitte niet in zijn voordeel; zij had nooit gezien, dat er in dien ruwen wildzang een hart zat - een hart, dat voor een goed gevoel klopte. Daarom ook gaven de geburen weinig acht op den kleinen schelm, toen hij naast het lijk zijns vaders zat.
Wie weet! de groote menschen, zelfs de meest beschaafde, zijn dikwijls zoo kleingeestig in hunne wraak - wie weet of er niet waren, die hem het ongeluk toewenschten! Maar Anna-Bella zag den knaap weenen, en het waren geene tranen, door het akelige van het tooneel, door den schrik afgedwongen - neen! het waren tranen die haar zegden: ‘Hij begrijpt dat hij zijnen vader verloren heeft.’
Het meisje beurde den knaap op, en die wildzang, die schrik der buurt, dat galgen-aas zag haar vreesachtig, zelfs zoetaardig aan en in dien blik las zij dankbaarheid. Zij nam den knaap meê, tot groote afkeuring der buren, en spreidde hem voor dien nacht een zoo zacht mogelijk bed.
Vóór het slapen gaan, deed zij hem voor den vader bidden,
| |
| |
wiens lijk reeds naar het doodenhuis gebragt was en die morgen overmorgen, met het doodskarreke en in sterken draf - de voerman heeft immers zooveel ander werk af te haspelen! - naar den grafkuil zal gebragt worden; ofwel, die den dag nadien op de snijbank gelegd en door de volgelingen van Vesalus, met even weinig eerbied aan stukken gesneden wordt, als de slager den rosbeaf van den os snijdt: - zij deed hem bidden voor de ziel des wroeters; maar de knaap bleef in het Onze Vader steken; hij peinsde telkens wel op het vervolg, maar brabbelde het een door het ander. Het waren klanken, die vroeger zijn oor getroffen hadden; maar die hem nu vreemd geworden waren.
‘Arm kind!’ mompelde Anna-Bella.
Dooc had telkens nieuwe tranen in de oogen als Anna-Bella van zijnen vader sprak, en tranen, dacht het meisje, zal de goede God voor het oogenblik wel voor eene bede aannemen. Hij had een hart, die knaap! maar dat hart was een vuursteen, die zielloos bleef zoo lang er geen forsche slag met het staal op gegeven werd.
Een paar oude kleedingstukken en eenige papieren, in eene oude lederen portefeuille besloten en met eenen riem toegebonden, was alles wat de metsendiener bezat; Anna-Bella maakte van zijne beste kleederen een betamelijk kleedingstuk voor Dooc en sloot de portefeuille in de kas, zonder zelfs te zien wat ze eigenlijk bevatte.
‘Wat wilt gij met den kleinen schurk aanvangen!’ vroeg haar de schoenmaker eenige dagen later.
| |
| |
‘Bij mij houden!’ zegde Anna-Bella.
‘Zijt gij dwaas!’
‘Toch niet.’
‘Nu ieder zijn goesting!’ lachte de smid en hij wenschte Plaesteren-Dooc op tien uren van daar.
Men had van het wees- of het zoogezegd knechtjeshuis gesproken; maar Dooc kreeg den doodschrik op het lijf, bij de gedachte van achter die groote poort - voor hem eene gevangenis - gesteken te worden. De vrijheid, o de vrijheid was hem zoo lief!
‘Och,’ zegde hij met eene smeekende stem tot Anna-Bella; ‘laat mij bij u blijven; ik zal al doen wat gij zegt!’ en de knaap klampte zich aan de kleederen zijner goede beschermster vast - en zoo bleef de jongen bij Anna-Bella, welke zich van lieverlede aan hem gewende, hem leerde bidden en ter kerke zond, zijn ijzeren wil door zachtheid plooide en er eindelijk in gelukte hem ter schole te doen gaan.
Denk niet dat de knaap plotseling van duivel, engel is geworden! - o neen! de woeste natuur borrelt nog dikwijls naar boven; hij is nog het haantje vooruit in gansch de buurt; hij zingt, danst, vecht, troeft nog altijd en de kamer is hem des winters te benaauwd, als hij weet dat er komedie gespeeld wordt; maar Jan Darinckx is daar, om hem van tijd tot tijd de ooren te wasschen, wanneer goede woorden niet baten, en hem te doen gevoelen dat er magt boven magt is.
‘Ziedaar, tante Anna-Bella, dat is voor u!’ zegde eens de knaap en wierp een vijffrancs-stuk op tafel, zich haastig omkeerende, om weêr naar de vrije straat terug te keeren.
| |
| |
‘Wat, een vijffrancs-stuk?’ riep het meisje verbaasd; ‘waar hebt gij dat gehaald?’
‘Dat heeft een heer mij voor u gegeven’ riep de jongen reeds van beneden den trap.
‘Zult gij hier komen?.... Dooc, Dooc!’ want het eerlijk kind dacht bijna aan eenen diefstal.
Een andere stap deed zich op den trap hooren, en toen het meisje den jongen schoorvoetend dacht te zien verschijnen, trad eerbiedig een vreemdeling binnen.
't Was Max Franck.
‘Verontrust u niet,’ zegde hij ‘'t is eerlijk gekregen geld.’
‘Mijnheer.....’
‘Vergeef me, dat ik hier binnenkom; maar een menschenviend stelt belang in dien armen jongen, en ik wilde mij voor hem overtuigen, of die knaap inderdaad eerlijke gevoelens in het hart heeft.....’
‘O, die heeft hij, Mijnheer!’ onderbrak Anna-Bella snel.
En zoo had Max Franck de geschiedenis van den kleinen zanger vernomen, en hij kon moeijelijk zijne tranen bedwingen, toen hij de edelmoedigheid van Anna-Bella voor het weeskind beregende; zoo leerde hij de familie Darinckx kennen, want het meisje had het hart op de lippen; zoo keeg hij de portefeuille, welke hem nadien bewees, dat Plaesteren-Dooc een adellijk wapen voeren kon, en de afstammeling was van het gekende geslacht Pot's - hetwelk eens vorsten aan zijne tafel ontving.
Doch sinds dien dag, en 't was nu straks eene maand geleden, was Max Franck niet meer in de kamer verschenen, en Anna- | |
| |
Bella begon spijt te gevoelen, aan dien vreemdeling de portefeuille te hebben toevertrouwd, welke zij zelf niet wist wat ze bevatte.
‘Maar’ dacht zij dan ‘hij heeft toch een zoo eerlijk uitzigt, die Mijnheer Franck.’
|
|