zien en weten aan wien hun kind haar hartje had toevertrouwd.
Toen eens Jan Darinckx, op eenen avond, over zijne onderdeur geleund, zijn pijpje rookte, trippelde het lieve blonde meisje daar voorbij.
‘Wat een lief molleke!’ dacht Jan en hij blikte het meisje achterna.
‘Wat een flinke jongen!’ dacht het meisje en draaide het hoofdje nog eens om, toen zij de deur eenige stappen voorbij was. Hunne oogslagen hadden elkander ontmoet; het meisje had gebloosd en Jan had haar vrijmoedig toegeknikt. Den volgenden dag moest het meisje nog eens voorbij den draaijerswinkel, en 't was of er de drommel meê speelde, maar Jan Darinckx zag naar de klok, liet klos en beitel liggen, ging weêr over de onderdeur liggen en stopte nogmaals zijne pijp.
‘Zie, daar is ze weêr!’ mompelde Jan, toen hij het meisje zag aankomen; en zijn hart klopte.
‘Zie, daar ligt hij weêr over zijne onderdeur’ dacht Anna-Bella, en zij sloeg het oog naar beneden en trippelde voorbij.
‘Dat is geen toeval’ dacht Jan.
‘Neen, dat is geen toeval’ dacht Anna-Bella; maar dezen keer zag zij niet om; ze had wel gewild, maar ze durfde niet.
‘Nu ben ik nieuwsgierig’ dacht Anna-Bella den volgenden dag, ‘of hij weêr over zijne onderdeur zal liggen! Ik wil niets van hem weten, maar 't is enkel uit eene aardigheid.....’
‘Nu ben ik toch wel eens nieuwsgierig’ dacht Jan ‘of ze weêr komen zal.’
En noch de een noch de andere waren te leur gesteld, en dit-