| |
V.
Ik wil u bij Anna-Bella, het fijn-naaistertje, binnen leiden; doch er is heden in het huis van den stoeldraaijer, onverwachts iets voorgevallen, waarvan de lezer in dit hoofdstuk reeds het spoor zal vinden; het moet onze nog verspreidde poppen meer bijeen brengen, om ze daarna in behoorlijke orde te doen optreden en spelen.
Er is een regt vrolijk gezelschap in de kamer van Tony Darenge, welke zijn hoofdkwartier op de eerste verdieping van een kleinen modewinkel heeft gekozen. Een zestal jongelingen - dezelfde die wij op de wandeling ontmoet hebben - zijn er vergaderd.
De eene gast heeft al wat meer dons om de kin dan de andere; maar de meesten zijn toch in dien toestand, welke men vleesch noch visch noemt; de meesten zijn, ik beken het, te groot om met de knikkers en den vlieger te spelen, maar te jong om in eenig mannelijk gezelschap in aanmerking te komen.
| |
| |
Dat begint zoo wat te leven.
Hunne eerste liefde was de dochter van den portier, in deze of gene school, voor welke zij de krakelingen en bitterkoekjes uit moeders bonbon-doos roofden, omdat zij dachten dat, met den krakeling of het bitterkoekje, ook de liefde in het hart van het slimme portiers-kind zou dalen: - ze kwamen, helaas! slechts in eene altijd hongerige maag te regt.
Die eerste liefde zijn zij gisteren ontwassen; gisteren werden ze nog zoo bleek als een doodkleed, als ze heimelijk eens den damp uit vaders Manilla trokken; hunne oogen draaiden in het hoofd, gelijk die van stervende schelvisschen, als de geur van den Cantenac hunne reukzenuwen slechts gekitteld had - en ze bloosden, de lieve jongens! als eene dame op jaren - 't zijn die maar welke zich zoodanige familiariteit veroorloven - hun vriendschappelijk eenen kus gaf.
En nu?
O, 't zijn kinderen uit de broeikas; ze zijn met vijf-en-twintig graden warmte van schooljongen man geworden!
Nu verdampen zij de Manilla's met het dozijn; de zakken zitten opgevuld met alle mogelijke rook-instrumenten; ze drinken - ik geloof dat ik eigenlijk een stroomachtiger woord zou moeten vinden - ze drinken Champagne en trappen zegepralend op de lijken, zoo als zij de ledige flesschen noemen; ze tasten nu niet meer in de bonbon-doos van mama, maar in de geldkas van papa, want ze hebben reeds minnaressen - luistert, zelfs tweegevechten gehad; ze bezoeken het bal en de Opera, aanbidden (vanverre) de zangeressen, maken schulden, roemen er op, hebben
| |
| |
vaders door slimme streken bedrogen, moeders om den tuin geleid. Ze lagchen - en waarom zouden zij dat niet doen! - met God en duivel, en blazen met hunne argumenten Kerk en troon omverre - want, lezer, hoed af voor die grondige geleerdheid - want ze hebben Pigault-Lebrun en Alexandre Dumas gelezen!
Kortom, ze zijn reeds wat men des hommes blasés noemt; ze spotten met alles, zien in alles leugen en bedrog en vinden alleen nog - och armen! - dat Byron de waarheid zegde, toen hij in wilde wanhoop zong:
Drinken wij - wie zou niet? want ter wereld is toch,
In den beker alleen noch verraad, noch bedrog.
Arme gekken!
In kleeding en manieren apen zij alles na wat vreemd en overdreven is: men hangt den Franschman of den Engelschman uit - en wat ze vooral niet willen doen zien, is, dat zij Antwerpsche, Vlaamsche jongens zijn. Als men eenen bult heeft, tracht men hem zooveel mogelijk te verbergen, en zich Vlaamsch toonen, dat zou immers den burgerlijken bult, waarmeê zij geboren zijn, verraden!
Het zijn, zoo als ik reeds gezegd heb, burger-jongens - een enkele uitgezonderd - maar die altemaal in plaats van in het zadel te stijgen, zich over het paard hebben heen geligt: het is, dat zij hunne wenschen niet binnen de palen van hunnen maatschappelijken stand weten te beperken. Een hunner, zeg ik, maakt onderscheid: het is de twee-en-twintig jarige Jonkheer van
| |
| |
Dobbelsteen - een schoon gefriseerde hairbos, met puntigen knevel, maar zonder een grein hersens; een jongen wien het aan tact in den omgang onbreekt, maar wie zeer goed de hoofdvereischte van eenen man uit de hooge wereld kent - namelijk, van een sierlijken knoop in zijnen halsdas te leggen. Buiten eenige kringen van zijns gelijken, waar men hem heeft leeren kennen, gestooten, wreekt hij zich hierover door - zoo als hij dat noemt - zich als een volksman aan te stellen. Als of de volksvriend geen eergevoel, geen ziele-adel hadde!
Jonkheer van Dobbelsteen is een pochhans nummer een; zijne fortuin heeft hij in zijne gesprekken, vijfmaal grooter gemaakt dan zij is; zijn geslachtboom schiet zijne wortels door tien eeuwen heen; in de toekomst - als hij de vreugde zat zijn zal - huwt hij de schoonste en rijkste aristocratische, welke er in den omtrek bestaat. Hij heeft overal het hoogste woord, heeft alles gezien, alles gelezen, weet alles en liegt, om zich uit de netten te redden welke hij zich-zelven spant, met eene onbeschaamdheid, die u, lezer, zoo wel als mij, somtijds aan ons eigen bestaan zou doen twijfelen.
Gij beweert, lezer, dat gij het origineel van dit portret kent, en dat ik mij aan eene personaliteit schuldig maak? Welnu, vraag het aan den door u bedoelden persoon zelven, of dit op hem toepasselijk is - en ik zal geregtvaardigd zijn, want hij zal elke overeenkomst van die schets met zijn karakter, loochenen.
De vensters der kamer, waar het gezelschap zich bevindt, staan open; het is warm en men dampt als stoomschouwen - daarbij Jonker van Dobbelsteen wil aan den stillen, braven geestelijke, die
| |
| |
aan den overkant der straat, eene nederige kamer bewoont, doen zien hoe zij - de gewaande wijsgeeren van onzen tijd - de wereld verstaan. Hij wil hem doen zien, dat er voor hen maar een God is, dien der bonnes gens:
‘En dat de zijne’ raast hij voort ‘een vervelend wezen, eene mumie is, die men sinds langs op pensioen had dienen te zetten, als onbekwaam tot de dienst.’
En allen barsten, bij die godslastering, in schaterlagchen uit.
Men zingt, men raast, men ligt en leunt, in de hemdsmouwen, de beenen uitgestrekt op stoelen en sopha; men stelt toasten in op den progrès humain - want ze zijn ook staatkundig, eigenlijk maar eene modezucht, en dingen naar den schitterenden naam van la milice de l'avenir - dat is dat zij de speelbal zijn van eene der partijen, en aan de slimsten dienen om, langs hunne schouders, naar boven te klimmen.
Zij drinken aan de vreugde, aan het genot, aan de vrouwen en aan welke vrouwen dan nog!.... Het koren wordt met het kaf vermengd; want voor hen zijn al de vrouwen gelijk. Die hersenloozen vergeten, dat zij eene moeder, dat zij zusters hebben! Doch, laat ons zeggen: ‘Heere, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.’
‘Aan Marietta,’ roept een hunner, ‘aan de schoone Marietta, aan de betooverende Marietta, die.....’ maar hij herinnert zich de zinsneê niet meer, welke hij 's middags uit en Fransch roman van buiten heeft geleerd. Een luid rumoer onderbreekt den mislukten redenaar; de romers worden opgeheven ven men klinkt vooral met van Dobbelsteen ter harer eere.
| |
| |
Dezes houding en glimlach is wel geschikt, om allen in de gedachte te bevestigen, dat de Jonker, Marietta aan zijne zegekar kluistert; Tony heeft gezwegen, maar de bliksemstraal die aan zijn oog ontsprongen is, moet ons overtuigen, dat er zich op dit oogenblik, een diepen haat jegens zijnen mededinger in zijn hart wortelt.
Op dat oogenblik wordt er zacht op de deur geklopt, hetgeen waarschijnlijk reeds vroeger gedaan, doch niet gehoord werd, door dien de schuimende jeugd al te veel rumoer maakt. Ditmaal wekt het vreesachtige kloppen echter de aandacht op.
‘Some body knocks!’ roept de Jonker, die, in sommige oogenblikken wondergaarne den Engelschman speelt en voor een lord doorgaat, en die dit vooral, door den vorm zijner bakkebaarden, eene excentrieke kleeding en een vreesselijk zwaren six-pence doet blijken.
‘Entrez!’ roepen drie of vier anderen, zonder dat iemand zich verroert.
‘Herein!’ bulderen eenige anderen.
Niemand verschijnt.
‘Lord! It is probably a pretty girl!’ lacht met wijd opgezette keel de Jonker, en wrijft zich de handen en trommelt met de hakken zijner laarzen op de tafel, dat al de flesschen en glazen dansen en klingelen.
De deur gaat open.
Op den dorpel verschijnt een oud vrouwke, met een katoenen mantel om, en dat bedeesd en bevend in de kamer en op het woelig gezelschap blikt.
| |
| |
‘Drommels, dat moet eene tooverheks zijn!’ roept een der gasten.
‘Hoerrah! zij zal ons de toekomst uit de kaarten of uit het koffijdik voorzeggen!’
‘Yes, o yes! fetch a seat for this lady!’ juicht de Engelschman opspringend, groote buigingen voor de bevende oude vrouw makende; - doch Tony is vooruit gesprongen, heeft de bezoekster buiten de deur gestoten en deze laatste achter zich toe getrokken. Hij hoort den spotlach daar binnen, en hij bloost - maar hij heeft niet gebloosd, toen men zijne moeder hoonde, want die arme vrouw is inderdaad zijne moeder.
‘Wat wilt ge hebben?’ rigt Tony der arme vrouw, met koortsachtige gejaagdheid toe.
‘Och, Tony’ zegt het moederke ‘ge moet het niet kwalijk nemen, dat ik hier kom.....’
‘Gij komt wel ten onpas’ is het ruwe antwoord.
‘Ik wil het gelooven, Tony; maar ik wist niet.....’
‘Gij weet wel, dat ge hier niet komen moet; als gij iets te zeggen hebt, kunt ge mij wel verwittigen en dan zal ik den een anderen avond naar huis komen.’
‘Ja maar, Tony’ en het oude vrouwke heeft groote tranen in de oogen; ‘wij konden niet meer wachten. 't Is, ziet ge.....’
‘Welnu?’
‘Men is ons zoo even komen zeggen, dat wij het van Mijnheer Drummel geleende geld, moeten terug geven; ge weet wel dat geld om u voort te helpen en dat gij beloofdet zelf te zullen geven..... Mijnheer Drummel wil onze meubels aanslaan.....’
| |
| |
‘En denkt ge dan dat het geld mij op den rug groeit?’
‘Gij zijt rijk, zegt men; gij gaat schoon gekleed, gij tracteert uwe vrienden..... Och, geeft ons dertig of veertig francs, dan zal Mijnheer Drummel alweêr voor een tijdje te vreden zijn en ik, ik zal u op mijne knieën danken.’
‘Dertig of veertig francs? Maar ik bezit ze niet;’ antwoordt de ondankbare zoon ‘ik leef nu op krediet. Dat Jan die schuld betale, en als hij het geld niet heeft, dat hij werke zoo als ik.’
‘Jan? maar de arme jongen werkt van den vroegen morgen tot den laten avond; hij heeft reeds veel schuld afgedaan; maar nu - nu kan hij niet meer. Och Tony-lief, heb medelijden met uwe moeder!’ - en zij weent en vouwt de van ouderdom bevende handen zamen.
Binnen houdt het gedruisch aan; men doet langs daar pogingen om de deur open te trekken, welke Tony langs buiten gesloten houdt. Bij die beweging is hij bleek geworden, want hij ziet het gevaar, dat zijne vrienden eindelijk zouden te weten komen, dat die vrouw zijne moeder is.
‘Ga heen, ga heen!’ smeekt hij; ‘ik zal dezen avond het geld brengen. In Gods naam ga heen....’
‘Och, Tony, dat hebt gij laatst nog gezegd, toen ik u op de straat aansprak en gij u schaamdet voor de menschen....’
‘Neen, neen! ik zal komen; maar ga heen, ga heen toch.... Of wilt gij mijn ongeluk!’
Het razen en tieren binnen houdt nog altijd aan; men klopt en bonst met de ledige flesschen op de deur; men hoort glazen en
| |
| |
flesschen in stukken vliegen, en op het oogenblik dat moederke Darinckx, bevreesd voor het helsche gedruisch, den trap afdaalt, moet Tony toegeven.
De deur vliegt open.
Met een uitzinnig gelach stormen de loshoofden buiten de kamer. Het oude vrouwke hoort haren rampzaligen zoon nog zeggen:
‘Wat bekommert gij u om mijn waschwijf.’
Zij heeft den moed niet den schurk te beschamen, te ontmaskeren - of neen zij, is te goedhartig. Toch voelt zij, hoe eenvoudig en onbeschaafd ook, dat dit de genadeslag is. Dat is de voetzool, die haar eindelijk onbarmhartig op het hart gedrukt en waaronder dit als verpletterd wordt!
|
|