Het Jan-Klaassen-spel. Met levende beelden uit onzen tijd
(1863)–August Snieders–IV.‘Was dat de werkman niet, waarvan gij mij onlangs gesproken hebt, Mijnheer Franck?’ vraegt de oude heer aan den jongeren man, nu de familie Darinckx op de wandeling, de twee, den lezer nog onbekende, heeren voorbij getreden is. ‘Inderdaad, heer baron!’ luidt het antwoord. ‘En gij stelt nog altijd belang in hen, even als in den kleinen afstammeling der eens zoo schitterende familie?’ ‘En ik hoop dat die belangstelling door u zal gedeeld worden.....’ laat er de jonge man op volgen, en hij werpt een doorvorschenden oogslag op het strakke gelaat van den ouden edelman. Deze antwoordt echter niet. ‘Hebt gij de familie-papieren doorzocht?’ zoo gaat hij na eene poos voort. Er is niet den minsten twijfel over de echtheid dier stukken; die kleine vagebond is wel degelijk een der laatste overblijfsels van dien adel. Sic transit gloria mundi, baron! De oude heer laat een beduidend: ‘hm, hm!’ hooren, en ploft de vingers in zijne gouden snuifdoos. | |
[pagina 31]
| |
Laat ons den baron van Dormael en Max Frank nader leeren kennen. In eene afgelegene straat van Antwerpen, valt het oog tamelijk onaangenaam, op een blinden muur, in welke enkel eene oude koetspoort toegang tot het inwendige verleent, en deze poort blijft nog, bijna voor iedereen, onverbiddelijk gesloten - zelfs zoodanig, dat het achter dien muur gebouwde huis, door de buren als eene soort van grafkelder aanzien wordt. Wanneer de oude portier de poort opent, treedt men in een hoogen, oudverwetschen gang, met vochtigen blaauw steenen vloer en effene witte muren; aan den regterkant is een gothisch heiligen beeld geplaatst, onder hetwelk onbewegelijk eene oude lamp hangt, welke in vroeger dagen des avonds den gang moet verlicht hebben, doch in welke nu de spin haar web heeft geweven; als men het oog op de dubbele glazen achterdeur werpt, laat zich, gelukkig, daar een bloemrijken hof raden, hetgeen die sombere catacombe eenigzins vervrolijkt. Links gaat men in de vertrekken: zoo als zij nu zijn, moeten zij over twintig of vijf-en-twintig jaren ook geweest zijn; het zijn nog dezelfde stoelen, dezelfde tafels, dezelfde vloertapijten, dezelfde behangsels. De mode, die grillige opschikker, heeft te vergeefs aan die kamerdeuren geklopt. Men kan zich daar zelfs zeer gemakkelijk eene halve eeuw in onzen tijd terug droomen - te meer, daar de eigenaar baron van Dormael, zijn portier en de keukenmeid wonderwel met het hun omringende overeenstemmen: de twee laatsten zijn, in die eenzaamheid en rust, waarachtig perkamenten menschen geworden! | |
[pagina 32]
| |
In de voornaamste zaal van het huis, hangen een aantal familie-portretten, die in de halve duisternis schijnen te leven en zich geweldig te vervelen. Soms hoort men in die mysterieuse zaal een grommend of zuchtend geluid. Zou dat de wind zijn? - Neen, het schijnt dat de achtbare voorzaten van den baron eigenlijk van verveling morren en zuchten, over het verdorren van hun roemrijken stamboom. ‘Gij schijnt u dapper te vervelen, oude over-over-grootvader, met uw ijzeren vest aan en stalen slaapmuts op!’ zegt spottend het portret van een onbeschaamden muscadijn in een groen fluweelen kleed, en die het pointu en pincé van zijnen tijd nog niet vergeten heeft. Maar de over-over-grootvader zwijgt en blijft, leunende op zijnen sabel van vier voeten lang, den blanc-bec even streng aanzien als hij zulks sedert tachtig jaren deed, toen voor 't eerst die caricatuur van zijn riddergeslacht aan den muur werd opgehangen - want die caricatuur is uit den tijd, toen men alles deed wat mogelijk was, om aan geen redelijk mensch te gelijken. Zij droeg labbermouwen, een langen staart aan de witte valsche pruik, en het scheen den oude als zag hij den nar van zijn geslacht. ‘Ja, 't is hier potstausend vervelend’ mompelt het portret van eenen ridder, die naast zijn strijdros, van vermoeijenis op eenen steen is gaan zitten. ‘Vechten die mannen dan nooit ridderlijk meer?’ ‘Ja wel, in den hoek van den haard’ antwoordt een paadje, met den toon van verachting. ‘Gisteren nacht zweefde mijn geest door dit huis en ik zocht | |
[pagina 33]
| |
er te vergeefs naar de wapenzaal!’ mompelt een ander portret. ‘Zij is naar den kelder en de keuken verplaatst’ lacht de muscadijn, ‘en het tournooi, o achtbare voorzaat, zult gij in de eetzaal vinden.’ Al de portretten rilden; maar het portret, ginds in den hoek, met opgewipten neus en in het pak van eenen incroyable, uit de dagen van Robespierre gesteken, glimlacht. ‘En wie zitten er dan in de Staten van den lande en den raad des vorsten?’ vraagt een statig portret in tabbaart en eene ontzaggelijke kadodder-pruik op. ‘De zonen uwer schoenlappers en pruikmakers!’ antwoordt de conventionnele. ‘Het plebs, het gepeupel is overal: men heeft, ons verjaagd en zich-zelven in de plaats gezet, zoo als onze voorzaten eens de beste plaats innamen.’ ‘En dat hebt gij geduld?’ wordt er gemompeld en de degens kletteren, de oogen vlammen, de wenkbraauwen fronsen zich. ‘O adellijke voorvaderen! men had ons het hoofd van de schouders geslagen, en wij moesten het met onze twee handen vasthouden!’ zegt de conventionnele weêr. ‘En met wie dansen dan de hertoginnen en markiezinnen de sarabande of de menuët?’ fezelt een fijn nufje, dat kersversch enen kring van précieuses scheen verlaten te hebben. ‘Och, met wie anders dan met de zoons van uwe kameniers en uwe asschepoetsters!’ ‘Horresco! wat is dat voor eene wereld geworden?’ mompelt het achtbaar portret eens raadheers, en hij slaat de oogen op van het boek, waarin hij sedert twee honderd jaren leest. | |
[pagina 34]
| |
‘De omgekeerde. Haar kenmerk is de vrijheid, of iets dat men zóó noemt; hare streving de gelijkheid. De adel is eene schim; de arbeid eene wezenlijkheid. Geest en kapitaal vormen de oppermagt. Er ligt eene onmeetlijke diepte tusschen onze wereld, die met onze vaders in den nuit des dupesGa naar voetnoot(*) eindigt, en die welke over vijftig jaren begonnen is. Onze perkamenten waren versleten en onze nazaten moeten er nieuwe trachten te winnen, in de koortsachtige woeling van geest en kapitaal.’ ‘Men wil er dus....’ mompelt eene dame met een toegestropt mondje; ‘men wil er dus.... ‘Épiciers van maken!’ spot de muscadijn. Al de portretten trillen in hunne gouden, met wapens en spreuken omzette, lijsten. De over-over-grootvader vertrekt zenuwachtig zijn reusachtigen knevel en stoot met verachting de snuifdoos van zich af, die eene oude matrone hem schijnt toe te steken. In diepe gedachten verzonken, mompelt hij: ‘En moest ik daarom in verre en vreemde landen gaan oorlogen, en aan honderd Sarazenen de ooren afhakken!’ De man heeft regt, niet waar, zich na dat alles kolossaal te vervelen! Baron van Dormael is de afstammeling van die adellijke voorzaten, en hij heeft, in zeker opzigt, wel iets geërfd van het vooroordeel, dat wij zoo even hebben hooren uiten; doch in zoodanigen zin, dat ik mij zeer wel met hem kan vereenzelvigen. | |
[pagina 35]
| |
Hij is altijd een man van 1815 geweest, een van die welke de vorming van het vereenigd koningrijk der Nederlanden als het beste werk van het Weener-Congres aanschouwd hebben. In de dagen van Koning Willem spreidde de adel nog begoocheling rondom zich: er waren adellijke stamhouders, die het hoofd nog fier boven den steeds klimmenden volksstroom opgeheven hielden. Zij waren een nog gevierd deel in den grondwettelijken regeringsvorm, en men vond ze in de wetgevende ligchamen, op de trappen des troons, gelijk in de raadzaal des Konings. 1830, die uit het hart des volks opgewelde beweging, had een meer populair karakter, en door de vrije verkiezingen zag men weldra hoe de volksjongen, den nu onbeschermden aristocraat verdrong en hem zelfs zeer dikwijls eene plaats aan de politieke bruiloftstafel misgunde, juist zoo als zijne voorzaten, den laat en lijfeigene eenige plaats ontzegd hadden. Die verbanning is overdreven: het talent, de ondervinding, de invloed, de lange diensten werden en worden nog miskend, en kinderen op de schoolbanken droomen, ijdel en ligtzinnig, reeds eene plaats op de banken der Kamer, en zweren bij kris en kras! dat zij minister zullen worden - even als men in mijnen kindertijd zegde, dat wij het ‘barbieren’ of het ‘schoolmeesteren’ zouden aanleeren, om door de wereld te komen. Baron van Dormael had dus in een eersten stap op het constitutionneel grondgebied toegestemd; maar toen men den droom van vele eeuwen, het vereenigd koningrijk der Nederlanden vernietigde; toen men, volgens hem, een eeuwig problema in de plaats van een voor hem reeds opgelost vraagpunt, op de | |
[pagina 36]
| |
zuidelijke provinciën toepaste, en men een rijk vormde, dat zich onder regtstreekschen invloed van Frankrijk bewegen zou - toen trok hij zich uit het staalkundige leven terug, bleef zijnen eed getrouw en werd een van die toonbeelden, welke zelfs door de hevigste bestrijders der vroegere regering, nadien geëerbiedigd werden. Zoo deed een Geelhand, zoo deed een De Liagre! Baron van Dormael dreef zijnen haat tot het uiterste; hij werd niet alleen de staatkundige, maar ook de burgerlijke wereld afkeerig; hij stopte de ooren voor wat er rondom hem gebeurde en de samenleving mogt, in korten tijd omgekeerd worden als een handschoen, zijn huis, zijn persoon bleven zoo ongevoelig voor de hervorming, als de ijskoning voor den kouden straal der winterzon. Treed nu zijn kabinet binnen, waar hij den ganschen dag doorbrengt. De muren zijn met boeken bezet - kostbare werken der oudere, doch weinig der nieuwere letterkunde. Aan den eenen kant hangt eene oude landkaart der Nederlanden; daar onder staat het marmeren borstbeeld van Koning Willem, met eene ligte rouwkrep overdekt. Ziet verder: Hier een wereldbol, daarnaast op de schouwplaat eene gothische, gebeeldbouwde eikenhouten pendule; curiositeiten in schelpen, glinsterende klompen chimische stoffen en mineralen; eenige opgezette vogels; daarboven eene trofee van sabels, lansen, krissen en pijlen; in den hoek een vak met prachtig gekleurde vlinders, aan den muur gespijkerde en verdroogde vleêrmuizen, | |
[pagina 37]
| |
adders en scorpioenen; aan den anderen kant Japansche en Oostersche aardigheden; hier en daar pleisterbeelden, aan welke het stof een kleedsel had gegeven, 't geen door den beeldhouwer vergeten was geworden. De oude lessenaar, voorzien van een aantal schuiven, bevat collectiën van penningen en munten; er is eene wonderlijke verzameling van doodkaarten, beenen knoopen, van zegels in lak, van pleisteren afgietsels van menschenneuzen - doch de drie laatsten hooren eigenlijk niet tot de liefhebberij des barons; maar wel tot die zijns overleden broeders, welke zijne fortuin verloren heeft met achter menschen te loopen, die eenen wonderlijken neus hadden, om hen heel ernstig te vragen: ‘Och, mijnheer, de uwe ontbreekt in mijne verzameling; sta mij toe uwen neus te laten afgieten!’ hetgeen hem niet alleen dikwijls veel geld, maar ook menig blaauw oog gekost heeft. Onverschillig! een echt verzamelaar kent geene hinderpalen en eene collectie neuzen - dat was eenig in de wereld. De baron had er een dol vermaak in, nadien zijne menschelijke gevels vóór zich in gelid te zetten, en dan hield hij zich den buik vast van 't lagchen, om grillen die moeder natuur zich veroorloofde. Om een aardigen neus te zien, reisde hij naar St.-Petersburg of naar Rome - tot dat hij eindelijk, zeer laat gewis! ernstig werd, zich met de hooge politiek ging bemoeijen, om eindelijk in bekrompen omstandigheden te sterven. Al wat de baron van Dormael van hem erfde, waren de kostbare pleisteren neuzen. De kamer, welke ik beschrijf, is dus regt schilderachtig, en zij | |
[pagina 38]
| |
is dit des te meer, aangezien de vensters in den zomer altijd open staan en de wijngaard en klimop-planten er frissche, geurige en bloemrijke gordijnen voor geweven hebben, welke den stekenden zonnestraal beletten. Voor den lessenaar zit baron van Dormael - een mager, kalm en deftig grijsaard, wiens nog heldere, zwarte oogen wonderlijk afsteken bij het mager gelaat, de witte glad liggende wenkbraauwen en luchtig witte hairen, die hem tamelijk verward op het hoofd staan. Een scherpe waarnemer kan zich, zelts bij den eersten oogslag, gewis niet meer vereenigen met het oordeel, dat het publiek over den edelman strijkt: voor de menschen is hij een egoïst, een schrok, een menschenhater - een gek, die zich alleen met zijne boeken, schriften, printen, vlinders, penningen en neuzen ophoudt; die met niemand vriendschap aanknoopt, uit vrees dat die vriendschap hem centen kosten zal, en die om dezelfde reden paarden noch honden houdt. Hij is integendeel niets anders dan een man, gekrenkt in zijne gevoelens, bedrogen door die welke zich zijne vrienden noemden, te leur gesteld in zijne verwachtingen en die het ongelijk heeft zijnen afkeer, niet op de bepaalde oorzaken, maar op het algemeen der samenleving toe te passen. Baron van Dormael bevindt zich in een dier crisissen van het leven, die wij allen, min of meer kort, op zekere tijdperken ondervinden; maar die bij hem straks tien jaren duurt en van lieverlede een gewone toestand is geworden. Dat heeft Max Franck, een jonge man van ongeveer acht-en-twintig jaren, ondervonden, toen hij eens, door eene toevallige | |
[pagina 39]
| |
noodzakelijkheid, met den baron in aanraking gekomen was, en door edelmoedige, regtzinnige en gegronde denkbeelden, tegen wil en dank, de aandacht van den ouden edelman getrokken heeft. De heer van Dormael vindt in Max Franck iets van den degelijken mensch terug, dien hij beweerde, in de hedendaagsche jongelingschap, uitgestorven te zijn. Max is geen vijand van den adel, en toch hekelt hij vrijmoedig den adel van tegenwoordig, die vergeet, dat men niet meer door de zestien kwartieren, maar door talent in de wereld schittert. Hij hecht zijne goedkeuring aan 1815, doch hij betuigt zijne bewondering voor de ontwikkeling die er sedert 1830 plaats greep; hij heeft zijne gedachte-vertakkingen in het verledene, en wil dat daar het voetstuk gezocht wordt, voor het beeld des nieuweren tijds, opdat de natie haar eigen kenmerk, niettegenstaande de wenteling der eeuwen, zou behouden. Max Franck is een Vlaming die de Fransche strekking, de vreemde centralisatie-politiek, als eene noodlottigheid bestrijdt en juist door die strekking, aan het duurzaam bestaan van een onafhankelijk België twijfelt, indien eene even magtige en tegenstrijdige beweging niet in de balans kan geworpen worden. Niet alleen op het terrein der staatkunde, maar als wijsgeer, als mensch vindt baron van Dormael in hem eenen weêrklank van 't geen hij zelf denkt en gevoelt. Franck, onafhankelijk door eene middelmatige fortuin en alleen in de wereld, heeft gereisd, gelezen, gehoord en gezien; hij heeft de wereld leeren kennen en beoordeeld en zich, sterk door ondervinding, vroegtijdig eene eigene gedragslinie voorgeschreven, die hem als maatschappelijk mensch, als Christen moesten doen beminnen en hoogachten | |
[pagina 40]
| |
- niet door de wufte salon-wereld, die hem droog, scherp, hekelzuchtig, zelfs vervelend vindt; maar door de menschen met geest en hart. Zijn uiterlijk is niet schoon, maar er ligt iets onderscheiden in dat scherp geteekend en donker gelaat; de oogen zijn vinnig en toch kalm; de wangen hoekig en om de fijne lippen, door een zwarten knevel beschaduwd, speelt soms die geestige glimlach, welke aan dezen behaagt, aan anderen eene soort van schrik inboezemt, omdat hij meer doet denken dan de mond uitspreekt. Zijne toilette is behoorlijk, doch eigenlijk niet verzorgd; hij toont genoegzaam dat hij geen slaaf van den mode wil zijn. Zelfs is hij er inderdaad oproerig tegen, en alleen uit eerbied voor de hem omringende wereld, volgt hij van verre zijne slangen-kronkelingen en gekke sprongen. Dat alles te zamen genomen, heeft Max Franck uit de spreekkamer, in de binnenkamer en van deze in het kabinet van baron van Dormael doen treden, waar de oude edelman, verwonderd over zich-zelven, dat hij zich nog met de menschen wilde verzoenen, hem een vertrouwelijken leuningstoel toeschoof. In den beginne heeft de baron den invloed, die de jonge man op hem uitoefende, gevoeld en toen hij de eerste maal de kamer verlaten had, door geen vreemd wezen sedert tien jaren betreden, had de edelman morrend in zich-zelven gezegd: ‘Ik wil niet dat hij nog hier kome!’ en hij trommelde nadenkend met de vingeren op zijne gouden snuifdoos. Maar toen hij den volgenden dag niet kwam, miste hem de baron, om over zijne heerlijke oude boeken, zijne sterkwater- | |
[pagina 41]
| |
platen, zijne penningen, zijne munten - ja zelfs over de knoopen- en neuzen-collectiën - te spreken, en bij zijne wederkomst heette de grijsaard hem weêr van harte welkom. Max Franck verzoende den ouden man weêr van lieverlede met de zamenleving, met zekere menschen; maar toen hij eens met den baron eene wandeling deed, zag deze in kleeding er uit, als iemand uit de voorwereld. De man droeg een vreesselijk langen jas, eene broek die tot boven de enkels kwam, witte kousen en lage schoenen, en hij had eenen hoed op, zoo als wij ons niet meer herinneren dat er ooit bestaan hebben - en 't was de straatjongens niet te wijten dat zij om de caricatuur lachten. Een enkele, armoedig gekleedde knaap, lachte niet, maar vroeg integendeel of hij eens een deuntje zingen mogt - en 't was de oude man zijn goed en kinderlijk hart van over vijftig jaren had terug gevonden, want hij lachte welwillend, en toen de knaap met eene heldere stem eene aria uit eene Opera geradbraakt had, vroeg hij hem, opgetogen om het uitzigt van den knaap en zijnen aanleg voor den zang: ‘Hoe heet gij?’ ‘Plaesteren-Dooc’ was 't antwoord. ‘En uw vader dan?’ ‘Ik heb geen vader meêr; men heette hem Plaesteren-Jan.’ ‘En wie is uwe moeder?’ De knaap hief de schouders op. ‘Arme jongen! En bij wie woont gij dan, mijn kind?’ ‘Bij Anna-Bella, in de straat aan de Roôpoortvest.’ ‘Ziedaar,’ en de baron haalde een groot zilverstuk uit den | |
[pagina 42]
| |
zak en reikte het den knaap toe. ‘Zult gij dit aan Anna-Bella geven?’ ‘Indien gij zegt, dat ik het moet doen, ja!’ antwoordde de jongen met eene ruwe openhartigheid, terwijl de overtuiging van hetgeen hij zegde, hem in de oogen tintelde. En dat is de knaap, van wien onze twee wandelaars spraken, en het was bij die gelegenheid dat Max Franck de familie Darinckx en Anna-Bella had leeren kennen en van deze laatste eene tesch met papieren en perkamenten had meê gebragt, die bewezen, dat de arme Plaesteren-Dooc, een afstammeling was eener vroeger, in Antwerpen, glansrijke familie, en uit welker zijtakken de voornaamste adel van deze stad haren oorsprong neemt. Ik spreek u niet door inbeelding: - wie kent er in Antwerpen de familie Pot niet, en wie weet niet dat de laatste telgen van dit geslacht thans tot in den geringsten stand der zamenleving zijn afgedaald? Inderdaad Sic transit gloria mundi. En toen Max Franck die woorden uitsprak, zegde ik, liet de baron een beduidend: ‘hm, hm!’ hooren, en sprak eerst na eene geruime poos in dezer voege voort: ‘Mijnheer Franck, gij dringt mij terug in de wereld, die ik sedert tien jaren niet meer kende. Ik vrees hare aanraking, niettegenstaande gij mij hebt doen zien, dat ik haar al te streng beoordeelde, of liever mijne veroordeeling te algemeen maakte. Ik ben van 't geen gij, Mijnheer Franck, eene ziekte gelieft te noemen, niet genezen. Handel naar goeddunken met den knaap, mijne kas staat voor u open; doch ik wil niet dat mijn naam | |
[pagina 43]
| |
daarin betrokken zij. Ik verlang geenen dank voor een handvol geld, en door onbewustheid is ten minste de ondankbaarheid vergeeflijk. Zoo heb ik jaren gehandeld, zoo handel ik nog.’ Dat was met nadruk gezegd. |
|