Het Jan-Klaassen-spel. Met levende beelden uit onzen tijd
(1863)–August Snieders–
[pagina 24]
| |
Dinter bij den zijne had gevoegd. Dat klonk reeds iets wat aristocratisch, hoewel de heer Bareel, in vroeger jaren, een bloedroode democraat was geweest. Wie was het niet min of meer, op de banken der school! De heer Bareel had een wisselkantoor, en ging voor een welhebbend man door. Zijn uiterlijk was deftig, zijne kleeding zorgvol, zijne spraak kalm en afgemeten, zijn glimlach vriendelijk en innemend - kortom, de heer Bareel-Van Dinter had al de wenschelijke hoedanigheden, om zich gunstig in de wereld voor te doen; maar toch waren velen voor hem op hunne hoede. Ondernemend, dat hij was: in hoeveel twijfelachtige anonieme of commanditaire vennootschappen, ter exploitatie van alle mogelijke en onmogelijke nijverheden, hij betrokken was geweest, weet de hemel! Wel waren er eenige op leerzame processen en schandelijke vonnissen uitgedraaid, maar Mijnheer Bareel-Van Dinter was door dat alles, zonder kleêrscheuren heen geslibberd, en terwijl anderen met het brandmerkende vonnis van moeder justicie werden beladen, was en bleef hij, in de oogen der wereld, een slim en doorzigtig man. En rijk! riepen zijne pluimstrijkende vrienden; en rijk! klonk het voort en voort, door al de standen der samenleving en de man won dagelijks meer en meer krediet, en als hij zich soms in geldverlegenheid bevonden had - en dat gebeurt immers aan den rijkste wel eens - zou de een of andere heel gaarne zijne beurs voor den vriendelijken Bareel-Van Dinter hebben open getrokken. De wisselaar bewoonde des zomers een klein lief landhuis, even | |
[pagina 25]
| |
buiten de stad en had zijn kantoor binnen de muren. In de vrije uren, was het een wezenlijk geluk voor Tony naar buiten te slenteren en in dien familie-kring eenige uren door te brengen. De patroon kende den oorsprong van den stoeldraaijers-zoon niet: er waren zoo veel Darinckxsen, Daringsen in de stad - daarbij Tony werd algemeen Darenge geheeten en had wel eens ter loops voorgegeven, dat hij van Fransche afkomst zijnde, geene regtstreeksche familie in de stad had. Overigens wat gaf dit ook aan Mijnheer Bareel! - en als ik mij niet vergis, zag de slimme en doorzigtige speculant van den beginne af reeds, dat Tony hem, op gegeven oogenblik, uitmuntend in deze of gene operatie zou kunnen dienen. Dat was de reden, dat hij oogluikend eene zekere gemeenzaamheid tusschen den klerk en zijne eenige dochter toeliet. Het kind heet Marieke; maar men noemt haar Marietta: dat klinkt zoo wat zuidsch en het meisje heeft zoo iets wat Spaansch in zich: ‘Vind u dat niet?’ vroeg de moeder voor het minst tien maal daags. Marietta's gelaat is eerder mager dan vol, hare trekken zijn fijn, de neus schalksch opgewipt; hare wangen zijn eenigzins gepurperd; hare fijne zwarte wenkbraauwen overwelven twee bruine en wijd opengesplitste oogen; haar blik is levendig en de gestruivelde hairen, die haar blank voorhoofd als bekroonen, verhoogen de levendigheid van het geheel. Hare gestalte is middelmatig en rank; er ligt, voor den fijnen waarnemer, in hare beweging en in haren oogslag en zelfs soms in hare woorden, meer ontwikeling van den geest, meer doortraptheid, dan men aan hare | |
[pagina 26]
| |
jaren zou geven: - dat is zonder twijfel het erfdeel van den vader. Het meisje was als kind reeds eene coquette, opvliegend, grillig, snel van het eene uiterste tot het andere overgaande; zij zocht vroegtijdig naar het geheim van te willen behagen; kende geen anderen wil, dan den hare en moest bij de minste grillen ingevolgd worden. Voor de kindermeid was zij eene duivelin, gelijk zij dit worden moest voor diegenen, welke zij in later leeftijd door de banden des harten aan zich verbinden zou. Aan wie de schuld? Aan de ouders, aan de opvoeding. Marietta was in de weelde opgevoed en had zich vroegtijdig de gedachte eigen gemaakt, dat haar vader rijk genoeg was, om in al hare grillen te voorzien. Zij leerde reeds vroeg haren burgerstand vergeten, omdat haar vader haar afzonderde van de gemeene kinderen, en haar eindelijk in eene der grootste en duurste kostscholen plaatste, waar slechts kinderen uit den hoogen stand inwonen en deze verlaten met de gedachte, dat hetgeen zij geleerd hebben grootendeels slechts zóó lang dienen moet, tot dat ze - 't is zeker edelmoedig! - voor hunne vaders, een adellijken of rijken schoonzoon hebben gevonden. 't Was nogmaals eene speculatie van den vader; ook van de moeder? Och, neen! die laatste is een onbeduidend, kortzigtig schepsel, en welke den schijn letterlijk voor de wezenlijkheid neemt. De heer Bareel-Van Dinter wenschte in hoogere kringen in aanzien te komen, en de toekomst spiegelde hem die glansrijke intrede voor. In de school maakte de dochter immers rijke ken- | |
[pagina 27]
| |
nissen en eens terug gekeerd, zou diezelfde kennismaking haar bij al de rijke familiën de deuren openen, en ook die rijke familiën zouden bij den vader komen, en ligt - als de dochter eene slimme hengelaarster was, zou zij den eenen of anderen broeder of neef van hare oude kostschoolvriendinnen, wel aan haren liefde-haak krijgen. Ditmaal was de heer Bareel-Van Dinter zoo blind als een mol: de vader doodde den speculant in hem. Schoolvriendschap, in het onderhavige geval, gelijkt bij de vrouwen, aan den bloemtuil waarmeê zij op het bal verschijnen: één nacht heeft hij geschitterd en 's morgens schept men hem op, met de assche en den afgeknaagden schapenpoot. Bij de vrouw keert alles tot de orde, zoo als men dit noemt, zoo haast zij hare intrede in de wereld doet; bij den man gebeurt dit over het algemeen ter gelegenheid van zijn huwelijk. Toen Marietta, van de kostschool terug gekeerd, zich dezelfde gemeenzaamheid veroorloofde, gelijk die welke zij voorheen als kind bewees, ontving zij eene koele teregtwijzing en de deuren der salons, welke zij reeds van verre voor zich geopend had gedroomd, bleven als graftomben gesloten. Zij worstelde een oogenblik, doch zij gevoelde zich onmagtig. Dat kwetste haren trots, en om zich te wreken wilde zij hare mededingsters, door eene alles verpletterende pracht, van hare schoonheid en haren rijkdom overtuigen. Heerlijke fabel van den kikvorsch en den os! De coquetterie, dat gevaarlijk spel, waaraan de vrouw zich zoo gaarne overgeeft, ontwikkelde zich in haar: zij werd buiten- | |
[pagina 28]
| |
sporig praalzuchtig en verkwistend; zij wilde ieders oogen tot zich trekken. De spiegel, die haar - o de vleijer! - gedurig zegde hoe schoon zij was, werd haar vriend; de toilette was haar lievelingswerk; Fransche romans waren hare zielespijs en zij dweepte niets minder dan eene ‘schaking per gazbol en den czaar tot cozijn.’ Zij wilde rijk zijn als Monte-Christo - en dan, dan zou zij al die kleine nufjes, met titel en wapen, welke haar nu niet meer willen kennen, doen wegkrimpen van afgunst en jaloezij! Arme zinnelooze, welke zich het hoofd afbeult, het hart doorwondt - denkende anderen te folteren en welke niemand foltert dan zich-zelve! Die zich in het hoofd geprent heeft dat ze vliegen kan, en vergeet dat zij bestemd is, gelijk de gewone menschelijke martelaren, op hare voetjes te gaan! Op de wandeling, op het bal, op het concert, in den schouwburg, in welke vereeniging ook, was Marietta te vinden; zij wilde, blijkbaar, boven alle anderen heerschen en gelukte er in een aantal aanbidders aan haren voetstap te kluisteren. Juist die zucht maakte voor een ieder den toegang gemakkelijk, en dit laatste eens bewezen, verdwenen de ernstige pretendenten en er dartelden een aantal vlinders rondom de schoone bloem. Wat men te veel, te dikwijls ziet, verveelt al spoedig; dat verslijt in de oogen van het algemeen, en die stelling is vooral op de vrouwen toepasselijk. Men had Marietta te veel gezien, en zij was, in den letterlijken zin des woords, in de oogen des publieks versleten - alvorens oud te zijn. ‘Alweêr zij!’ zegden de deftige huismoeders, en niemand - | |
[pagina 29]
| |
niemand fluisterde meer dat mysterieus, dat zoo begoochelend ‘wie is zij?’ 't geen bewijst, dat haar levensboek voor iedereen niet open ligt, en het slechts aan vertrouwden gegeven is, eene enkele bladzij daarin te spellen. Een der aanbidders is Tony Darenge; hij had met Marietta gewalst, al zijne bevalligheid ten toon gespreid, zich stout getoond - en dat willen zekere vrouwen - en hoewel Marietta zich in den beginne vrij gestoord hield, had Tony het toch zoo verre gebragt, dat het meisje hem zekere vereerende aandacht schonk - hoewel zij soms wel meer genegenheid scheen te betuigen aan Jonkheer van Dobbelsteen, met nog een aantal andere van's en de's, wien zijne ouders wel niet veel fortuin, maar toch een met de el gemeten titel hadden achter gelaten - en daarmeê maakt men nog altijd fortuin in de wereld. De stoeldraaijers-jongen was verblind door al de pracht, welke hij bij den heer Bareel opmerkte: een bloemrijke tuin, sierlijke en vrolijke salons, lieve menschen, milde schenkers - kortom, de hooge wereld, zoo dacht Tony, en van dat oogenblik had hij het noodig geoordeeld zich-zelven te verheffen, zijne kleeding weeldiger, zijne vertering grooter te maken - om ten minste de gelukkige concurrent van Jonkheer van Dobbelsteen te wezen. O, Marietta kende reeds vroeg dat vreesselijke spel, sommiger vrouwen zoo eigen: dat, van harten te vermorzelen, zonder den glinster der hoop te verdooven; want scheen zij soms voor den jongen vriend haars vaders niet onverschillig, dan toch was het dikwijls, ten minste voor een fijneren minder verblind waarnemer | |
[pagina 30]
| |
dan Tony, blijkbaar genoeg, dat zij met den vermomden stoeldraaijers-zoon den spot dreef. |
|