In en om het kleine stadje. Limburgsche schetsen en novellen
(1887)–Emile Seipgens–
[pagina 37]
| |
Wullem Looimans
| |
[pagina 38]
| |
en hier en daar danig uitgesleten waren; de houten zoldering met haar lange kepers en ribben was donkerbruin en boven den breeden schoorsteenmantel bijna zwart geworden van den rook uit den open haard; de muren waren blauwachtig-wit gekalkt en niet geheel en al van vochtigheid vrij te pleiten. Ook de oude tafel met afhangende bladen op vier gedraaide pooten in 't midden van 't vertrek, de kleinere tafel, die wel eenmaal blauw geverfd moest geweest zijn, tusschen de twee lage vensters met vierkante in lood gevatte ruitjes naar de straat, de plompe oude stoelen naast de deur met de eenvoudige klink, de zaaikorf aan den spijker in den wand, en aan de zoldering een verroeste ijzeren kroon met lange haken, waaraan een paar hammen en eenige gerookte worsten, - dat alles geeft aan 't geheel een meer boersch dan steedsch voorkomen, vooral thans, nu de groote ruimte slechts karig verlicht is door de bolvormige koperen olielamp, die met een pin in de daartoe aangebrachte opening in den schoorsteenmantel steekt. Naast den haard. zoodat de rosse schijn der lamp op zijn groot en breed gelaat valt, in een soort van gestoelte met hoogen houten rug. die, evenals de schutplanken, aan weerszijden tot op den voet van 't gevaarte afdaalt, - daar zit hij, Wullem Looimans, de Gierebast. Wullem is ongeveer veertig jaar oud en een groote, zware, iets logge kerel, met handen en voeten, die bijzonder ontwikkeld zijn van al 't werken dat hij gedaan heeft. Zijn voeten steken in witte wollen | |
[pagina 39]
| |
sokken, waar groote bruinachtige klompen los om heen zitten. Zijn broek van bruine verschoten ‘pilau’, die onder iets te kort en boven veel te breed is, wordt opgehouden door twee leeren riemen, die kruiselings over den gebreiden, niet meer zeer zindelijken borstrok van 't bovenlijf gaan; een wollen bouffante van groen en rood, driemaal om den hals gedraaid, voltooit zijn toilet. Of Wullem Looimans werkelijk een gierigaard is, zooals de booze wereld zegt? Zeker is het, dat hij nooit getrouwd is geweest, nooit uitgaat, niet rookt, nooit een borrel en alleen in 't snikheete van den zomer bij den zwaren arbeid eenig dun bier drinkt. Zeker is het ook dat Wullem er warmpjes inzit, want, al is zijn huisje van binnen en van buiten ook nog zoo eenvoudig, zooveel te beter ziet het er uit in schuur en stalling, die, achter zijne woning, in de Polver-torenstraat uitkomen, en 't is immers geen geheim dat hij een morgen of zes bouw- en akkerland buiten de Maaspoort bezit, nu en dan heimelijk bij den notaris Borné binnensluipt om alweer een kapitaaltje uit te zetten; de oortjes, de halve centjes opspaart voor de menigvuldige armen die 's Maandags hun gang van deur tot deur doen - en werkt en zwoegt van den morgen tot den avond. Bij 't schemeren van den dag is hij uit de veeren. wekt Han, de oude koemeid, met een forschen klop op de deur, gaat dan op zijn klompen langs den mesthoop over de binnenplaats naar den paardenstal, waar hij This, den knecht, uit zijn bed haalt, en vervolgens door | |
[pagina 40]
| |
de schuur naar de stallen in de Polvertorenstraat. - ‘Juu, vaers! op, Zwartkop! overeind, Gries!’ klinkt het hier, en een oogenblik later staan de acht beesten aan hun trog te kauwen, slurpen de zes varkens hun slobbering binnen, terwijl het schaap in zijn hoek het groene voeder tusschen de tanden maalt en This den ouden schimmel roskamt en den roskam nu en dan op de steenen uitslaat. Wullem kan niet nalaten een blik te werpen op dat schaap, want daar houdt hij veel van, dat heeft hij 't vorige jaar, toen 't nog een lam was, zelf grootgebracht, met een klomp, waaraan hij een rietpijpje had bevestigd. Tegen zeven uur heeft Han het ontbijt klaar - een ketel slappe koffie met de melk er in, en voor ieder drie sneden roggebrood, die Wullem zelf maar zuinig met boter besmeert. Onder het koffiedrinken wordt met een enkel woord het werk geregeld dat er dien dag te doen valt, hetgeen This en Han zwijgend in hun geheugen prenten. Tien minuten later, als Han den koeketel over 't vuur haalt en This naar 't veld gaat, neemt Wullem een groote mand, plaatst ze op den kruiwagen en kruit naar de verschillende huizen, waar de aardappelschillen en ander afval uit de keuken voor hem bewaard worden. Dat is werk wat Wullem zelf verrichten moet, want hij kan 't niemand anders overlaten den afval op een halve, een heele, soms anderhalve pint melk te taxeeren, die hij er voor in ruil geeft; evenzoo moet Wullem tweemaal in de week zelf met de groote mand naar de brouwerij, als de brouwer den vorigen dag ge- | |
[pagina 41]
| |
brouwd heeft, om te zorgen dat deze de ‘vatsmand,’ waarmede hij den draf uitmeet, voor acht centen goed vol doet - want draf met gekookte varkensaardappelen en schillen onder elkander gestampt, dat is het beste veevoeder wat Wullem kent. Tegen negen uur volgt hij This naar 't veld en 't komt er hem niet op aan of hij met de kar vol beetwortels terugkomt of naast den ledigen mestwagen loopt - want Wullem verricht alle werk, juist zoo goed als This - als hij niet den blauwen kiel moet overschieten om den een of ander achterstalligen betaler om den intrest te gaan manen - en wee den ongelukkige, die 't geld niet op uur en tijd heeft gereed liggen! Wullem is onophoudelijk, soms driemaal daags aan zijn deur, dat de buren er schande van spreken, tot hij den cijns tot den laatsten duit toe binnen heeft. Voor 't overige heeft Wullem met niemand iets uit te staan; Zondags gaat hij in de blauwe jas, met de groote lakensche pet op, naar de Hoogmis, spreekt liefst met niemand, gaat des middags nog eens buiten de Maaspoort opnemen hoe de vruchten staan en tijgt 's maandagsmorgens weer op dezelfde wijze aan 't zwoegen en 't slaven, tot hij 's avonds komt uitrusten in het groot gestoelte naast den haard. Dat is Wullem zijn eenig genot, als hij daar zit te dutten, half droomend, half wakend, en aan niets denkt.... in den winter soms met den klomp het vuur wat oprakelt, in den zomer een der menigvuldige vliegen afweert, die uit den koestal naar binnen dwalen en soms zijn breede, bleeke tronie | |
[pagina 42]
| |
bezoeken. Een enkele maal, als This en Han al te bed zijn, ontsluit hij de lade der kleine tafel en haalt er een in perkament gebonden boekje uit - een almanak van 't jaar 1809, het eenige boek dat hij in de nalatenschap zijns vaders vond, en waarin nog wit papier genoeg was om de dagen aan te teekenen waarop hij intrest moet ontvangen - en of de vervaldag nu dit jaar een Woensdag of een Donderdag is, dat komt er minder op aan, als Wullem maar weet dat het de 19de of de 20ste is. Waaraan zou Wullem ook anders denken? Hij heeft immers met niemand iets te maken en wat gaan hem de nieuwigheden van 't kleine stadje aan? Als er brand komt, zegt Wullem: ‘Dan motte ze maer veurzichtig zîn’ en als er een paartje trouwt: ‘'t Zal wâl weer ermooi gêven’ - en hij dut weer in. Nauwe familiebetrekkingen heeft Wullem niet - een paar neven, die 't goed kunnen stellen en waarvoor hij dus niet behoeft te zorgen. Zijn moeder heeft hij nooit gekend, maar 't moet een goed mensch geweest zijn, anders weet hij niets van haar. Zijn vader was juist zoo'n man als hij nu is, die den geheelen dag werkte en die hem op zijn twaalfde jaar op de Fransche school had gedaan, nadat hij in de stadsschool goed lezen, schrijven en voldoende rekenen tot en met den regel van drieen had geleerd - maar 't Fransch had er niet recht in gewild, en toen hij veertien jaar was had zijn vader hem op den akker kunnen gebruiken. Wie was er dan nog meer? De oude Peternel, die bij zijne ouders diende, | |
[pagina 43]
| |
was juist zoo'n mensch geweest als Han nu is, behalve dat ze soms een liedje zong, wat Han nooit doet, en de oude Stoffel, die hem als knaap wel eens op t paard had getild, was niet vlijtiger of trager geweest dan This nu is - uitgezonderd dat hij stotterde. Aan wie zou Wullem nu nog denken? Ja, er was nog wel iemand - maar daar dacht hij liever in 't geheel niet aan... Dat was Treeske Michels, die aan 't ander einde van de Putstraat woont.... Als hij een enkelen keer dààraan denkt.. dat was de schoonste tijd van zijn leven!... en dien schoonen tijd heeft Treeske hem vergald!.... Hij was zes en twintig jaar, sinds twee jaren in 't volle genot van zijns vaders versterf, en had het kapitaal, dat hij gevonden had, staande op 't huis in de Putstraat, op den toen nog kleinen stal in de Polvertorenstraat en op de twee morgen land buiten de Maaspoort, al half afgelegd!.... Pordjènn! wat sloeg hem 't harte hoog, als hij Zondags door de Putstraat ging met stijve boordjes om den hals en de korte Duitsche pijp, met kwastjes als eikeltjes van geel en goud, in den mond!.. Hoe menig lief gezichtje hem nakeek! Maar hij had zijn oog op Treeske laten vallen, al was ze ook zeven jaar jonger dan hij; hij had haar bespied en was haar nagegaan waar ze ging, en eindelijk had hij haar gezegd dat hij haar lief had.... en Treeske had gebloosd en niet geantwoord en hare hand niet teruggetrokken uit de zijne! Bijna vier maanden had zijn geluk geduurd, tot er een neef van Trees terugkeerde uit Parijs, waar hij het schoen- | |
[pagina 44]
| |
maken leerde, een neef, die polka-haar, verlakte schoentjes en een groot open vest droeg, naar allerlei odeurs riekte en een cigarette rookte.... Geen kreet, geen zucht heeft Wullem geslaakt, toen hij Treeske in een bruin zijden kleedje aan den arm van den vroolijken ‘Bottier de Paris’, zoooals de heele stad hem noemde, naar de Haffertsche kermis zag gaan, langs zijn deur, zonder zijn huisje aan te zien.... Maar 't was hem of op eens geen bloed, maar louter gal door al zijne aderen stroomde, of al de liefde, die hij in 't harte droeg, zich op eens veranderde in onmetelijken menschenhaat.... En toen hij vernomen heeft dat Treeske's moeder in de heele buurt gezegd had ‘dat een Parijzer bottinewinkel toch wat anders was dan een spoelingsfust en een mestkar’ - toen is de geldduivel in zijn ziel gevaren, toen heeft hij een duren eed afgelegd, dat hij toonen zoude dat een mestvork meer geld kon verdienen dan een schoenmakersriem, en is eerst voor goed aan 't werk getrokken!.... Maar ook 't volgend jaar, toen de ‘bottier’ met de noorderzon en een gedeelte van Treeske's fortuintje vertrokken was, heeft Wullem gezwegen en gedaan of hij haar niet zag, als hij haar tegenkwam, en 't hoofd een anderen kant gedraaid, zoo als hij nog doet. En daar zit ze nu in haar vier en dertigste jaar op 't bovenkamertje van haar huisje aan 't einde van de Putstraat, en past haar ouden, ziekelijken oom op, in de hoop nog een stuivertje van hem te erven voor haar ouden dag! Maar daaraan denkt Wullem Looimans thans niet. | |
[pagina 45]
| |
En toch is hij knorrig. 't Is laat, veel later geworden dan gewoonlijk en de Gierebast heeft slaap - maar een slaap, waaruit hij ontwaakt bij 't minste geritsel. Want hij wacht met ongeduld op de thuiskomst van This en van Han, die beiden uit zijn, Han naar de nabruiloft van hare nicht, die den vorigen Dinsdag getrouwd is, en This naar de Haffertsche kermis - dat is This zijn goed recht, zooals hij bedongen heeft, toen hij gehuurd werd.... Dat het een en 't ander nu ook juist op denzelfden dag moest vallen... èn Haffertsche kermis èn de nabruiloft.... Dat kan laat, dat kan wel middernacht worden!.... Zoo even is Wullem nog opgeschrikt en naar den paardenstal gegaan, in de meening dat de schimmel zoo onrustig was.... maar 't is niets geweest.... niets, dan de wind, die opkwam en de wolken langs de maan joeg.... Hoor!.... was dat niet een deur die openging?.... Nogmaals springt Wullem op en gaat knorrend over de binnenplaats.... Zou This ook met opzet den grendel van de poort hebben gelaten, om langs dien weg binnen te komen, als 't soms wat laat wordt?.... Dan zou hem toch de drommel halen!.... Maar hij weet toch wel dat Wullem opblijft!.... Wullem opent den koestal en een hevige windvlaag waait hem tegen, want de achterpoort staat wagenwijd open.... en hoor.... wat is dat?.... wat is dat voor een geluid?.... Een klagend geluid.... hi.... hie.... hi, hoort hij tusschen 't loeien van den wind.... Dat is.... geen geluid van een ziek beest.... niet eens van een | |
[pagina 46]
| |
zieke kat.... Zouden 't ook ratten zijn?.... Wullem spitst de ooren en gaat op den valen schijn aan, die door de poort valt.... Jezus-Mariajante-Deus! Dat is 't geluid van een weenend kind!.... Nog een stap naar de plaats waar 't gejammer van daan komt, en Wullem staat voor de groote mand met draf en aardappelschillen.... en daar.... daar voor hem, op de mand, ligt het.... - een pasgeboren kind, in eenige lompen gehuld!.... Wullem wijkt twee schreden terug, slaat de beide handen aan 't hoofd en kan niet gelooven wat hij ziet.... Een kind!... Wie heeft dat er neergelegd?... Met een sprong is hij in de Polvertorenstraat.. en kijkt... en tuurt.... maar de straat is ledig. In een oogwenk staat hij weer voor de mand met aardappelschillen en voor 't kind, dat daar achterover ligt, zich niet bewegen kan en weent.... Dat snijdt Wullem door 't hart.... Weer doet hij een sprong op de poort aan en is op 't punt om hulp te roepen... maar 't woord sterft op zijn lippen... wie zou hem hooren?... Thans beeft Wullem aan alle ledematen.. Wat moet hij doen?.... Het wichtje aanvatten durft hij niet... dat heeft hij nog nooit gedaan.... Wie heeft het in Christus' naam van zich kunnen verkrijgen, dat hulpeloos schepsel in weer en wind, in dien stal, aan zich zelf over te laten!... 't Kind zwijgt en draait het hoofd ter zijde... ‘Boe!’ loeit de vaers.... ‘Stil, vaers!’ en Wullem stampvoet van ongeduld.... Hij luistert en 't kind blijft zwijgen.... ‘Zou 't sterven?.... mogelijk dood zijn?’ En thans | |
[pagina 47]
| |
steekt Wullem de groote handen uit, grijpt het arme ding vast en spoedt er mee naar binnen... En terwijl Wullem over de plaats ijlt, huilt het kind... Goddank!.... het leeft!... Dat alles is het werk van weinige seconden geweest. Binnen gekomen, houdt Wullem het kind in den rossen schijn der lamp en bekijkt het hoofdje, dat zich wrevelig heen en weer draait, en voelt onder zijn handen de krampachtige beweging van het lichaampje, dat zich schijnt te willen ontwringen aan het zware pak van lompen... Wat moet hij doen?... de luren los maken?... maar dat kan hij niet.... Hulp halen!... Ja, de buren wekken!... Waar zal hij 't kind neer-leggen?.... Op de groote tafel?.... Neen! 't zou er af kunnen vallen.... Wacht, in den zaaikorf!.... Wullem grijpt den zaaikorf van den wand, plaatst dien op den grond naast den haard, en legt het kind er in.... Nu de deur uit... ledig is ook de Putstraat, geen menschelijk wezen vertoont zich.... slechts de maan, die nu en dan achter de voortgezweepte wolken te voorschijn komt.... Met beide vuisten bonst Wullem op de deur van zijn naasten buurman, rechts.... Wie daar woont, bedenkt hij niet.... ‘Hulp!’ roept hij, ‘hulp!’ en zonder antwoord af te wachten stormt hij weer naar binnen. ‘Maria-Jozep!’ bromt de Gierebast half luid, ‘wât mot ich mit dat kind beginnen?’ En toch buigt hij de knie, zet zich naast den zaaikorf en kan zijn oogen van het schepseltje niet afwenden. Zie, onder 't huilen likt het herhaaldelijk | |
[pagina 48]
| |
met de tong om de lippen... plotseling zwijgt het, laat het hoofdje achterover vallen, en het mondje blijft half open... Zou 't honger hebben?.. Wullem springt op, neemt de lamp en spoedt naar den stal. Hier grijpt hij den klomp van de richel, den klomp met het rietpijpje er aan, waarmee hij 't vorig jaar het lam heeft grootgebracht.. Met een voetstoot doet hij ‘de Gries’ opstaan, houdt den duim der linkerhand voor de opening van het pijpje, en melkt eenige slagen in den klomp.... dan loopt hij naar de pomp, verdunt de melk met water, en een oogenblik daarna houdt hij het rietpijpje aan de lippen van het kind, dat gretig zuigt.... Terwijl Wullem daar zoo zit en 't kind drenkt, klinkt er op eens een hooge kopstem: - ‘Wât is d'r te doon, meister Looimans?... is d r brand... Geer zolt eemesGa naar voetnoot1) in z'nen eerste slaop de schrik op 't liif jagen!’ en eene lange, magere vrouwengestalte in nachtgewaad staat achter hem - vrouw Striep, de buurvrouw rechts, waar hij zoo even op de deur bonsde. - ‘Sjuut, sjuut!’ beveelt Wullem zonder op te zien, terwijl hij met de linkerhand een sussend gebaar naar achteren maakt. - ‘Wât!... e kînd!’ roept vrouw Striep, die naderbij is gekomen en de handen in elkander slaat. - ‘Gered! gered! het lèèft!’ antwoordt Wullem, terwijl hij opstaat en den ledigen klomp op de tafel legt. | |
[pagina 49]
| |
- ‘Groote God in den hemel, e kînd!’ zegt vrouw Striep ‘wo kumt dat van dan, meister Looimans?... e kînd!’ En te gelijker tijd grijpt zij het wichtje uit den zaaikorf, legt het op de tafel en begint de lompen, die voor luren moeten dienen, los te maken. Die vrouw Striep, die helleveeg, is anders een buurvrouw, waar Wullem liefst zoo weinig mogelijk mee te doen heeft - maar nu ze daar is en 't kind in handen heeft, nu is hij toch blij en voelt zich verlicht... Manshand kan geen kind hanteeren.... - ‘E kînd... e kînd...’ herhaalt vrouw Striep, terwijl ze een eind touw losmaakt, waarmede de luren zijn saamgebonden ‘meister Looimans, wie komt geerGa naar voetnoot1) dao aan?’ - ‘Gevonjden...’ antwoordt Wullem, ‘in den stal... op de èèrdappelemand...’ - ‘Jè noe! gevonjden!’ gaat de helleveeg voort, terwijl zij eenige spelden losmaakt, ‘geer zolt neet weten, wèè uchGa naar voetnoot2) dat d'r neer hèèt gelagd!... 't is of 't oet eurGa naar voetnoot3) gezicht gesnejen is!... - ‘Vrouw Striep!’ schreeuwt Looimans. Maar, alsof ze de uitroeping van Looimans niet gehoord had, houdt vrouw Striep thans het weenende kind, dat geheel van zijn pak ontdaan is, op de beide handen, steekt het Wullem toe en zegt: - ‘'t Is e jungske.’ Daaraan had Wullem nog niet gedacht. Beurtelings | |
[pagina 50]
| |
kijkt hij 't kind en vrouw Striep aan en weet niet wat hij antwoorden moet. - ‘Jao, jao, e jungske!’ herhaalt vrouw Striep ‘proficiat!’ - ‘Maer... vrouw Striep... geer zolt toch niet dinken..’ ijvert Wullem, wiens groot gelaat thans kersrood is. - ‘Kom, kom!’ gaat het wijf voort ‘dao velt geinen tiid te verleezen... höbt geer werm water?...’ - ‘Werm water?...’ - ‘Jao, 't kînd mot gewasse wèrden. En deukGa naar voetnoot1)?... alt lieneGa naar voetnoot2)?...’ - ‘Alt liene...’ zegt Wullem nadenkend, ‘dat is allemaol opgegaon toen de schummel lest ene kranke poot had... maer ich zal 'n hemd van mich haolen... of e bedlaken...’ - ‘Baai.. of flanel!’ snauwt vrouw Striep hem toe. - ‘Ene borstrok van mich’.. biedt Wullem aan ‘of de pèèrdsdèken...’ - ‘Wât pèèrdsdèken! wât borstrok met groote knuipGa naar voetnoot3)! roept vrouw Striep afkeurend, die van Wullems onredzaamheid gebruik maakt om haar wichtigheid te laten gelden, ‘maer wacht, ich zal uch helpen!... Dè!... halt vast!’ En zonder antwoord af te wachten, duwt ze Wullem in den grooten stoel, plaatst het kind op zijn knieën, beveelt nogmaals aan: ‘Good vasthalden!’ en ijlt de deur uit. | |
[pagina 51]
| |
Nauwelijks is Wullem eenige oogenblikken alleen met het kind, dat hij strak en stijf zoo ver mogelijk van zich af steekt, of er strompelt iets met zwaren tred den gang in. De deur van 't vertrek vliegt open en This zwaait naar binnen met vuurrood gezicht, kleine oogjes, de pet op 't linker oor en een walmende pijp in den mond. - ‘Gooien... aovend, meister!... Nog op?...’ Juist op 't oogenblik als This die woorden gesproken heeft, laat het kind zich luider hooren. Plotseling draait This zich om en roept in den gang: - ‘Kets!’ - ‘Wilst du dich wâl stil halden!’ buldert Wullem, die woedend is en zich niet durft te bewegen. - ‘Ein kat, meister’, antwoordt This dood bedaard met een zwaai van 't bovenlijf. - ‘Zuus-te dan neet wât er gaonde is?’ - ‘Wât er gaonde is?’ herhaalt This. ‘Geer meint toch neet dat ich dronken bön?... hik!’ - ‘Kiik dan toch wie ich hie zit!’ schreeuwt Wullem, die tevens een gevoel in de keel krijgt, of er tranen opwelden. Op die woorden strompelt This naderbij en grijpt zich aan den schoorsteenmantel vast, om niet te vallen. - ‘Terök!’ dondert Wullem thans en haalt het kind nader tot zich - het kînd dat hij gered heeft. ‘Da!’ roept This ‘e kînd!.... noe zeg ich niks meer!’ En alsof het plotseling gezicht van het kind hem ontnuchtert, gaan zijne oogen wagenwijd open en blijft hij voor zijn meester staan.... | |
[pagina 52]
| |
Terwijl This daar zoo staat, maar al den vinger in de hoogte heft en op het punt is om er toch nog iets bij te voegen, doet zich buiten een luidruchtig gejoel hooren, schaterlachende mannen- en gierende meisjesstemmen, een paar die ‘Hossen mot je maar!’ inzetten en dan een algemeen: ‘Nacht Han!.... slaop wâl, Han!’ Wullem is opgestaan, als in doodsangst, en tracht zich in den donkersten hoek der kamer te verbergen - doch reeds is Han met verhit gelaat, met loshangende linten en verschoven muts, blazend en hijgend binnengestormd. - ‘Jezus Maria, e kînd!’ gilt ze, en eer Wullem haar met een enkel woord of met een teeken der hand het zwijgen heeft kunnen opleggen, is ze reeds aan de straatdeur en roept: ‘Gauw, gaauw!... e kînd, e kînd!...’ Thans stormen een twaalftal vroolijke en opgewonden bruiloftsgasten binnen en verdringen zich om Wullem, die 't kind op den arm houdt. - ‘Gevonjen....’ antwoordt hij op de menigvuldige vragen, ‘in de stal.... op de èèrdappelemand.... - ‘Noe zolt 'r zègge!’ zegt er een. - ‘Ze kosten het alèvel nörgens bèter gebracht höbbe’ schertst een ander. - ‘Dan motte veer zeker morgen op de soekerkeurkesGa naar voetnoot1) komme, meister Looimans?’ grinnikt een jonge meid. | |
[pagina 53]
| |
- ‘Numt mich neet kwaolik, meister!’ merkt This met veel gewicht aan, ‘'t kan van grooten adel zin!’ - ‘Dat hèèt me meer gezeen!’ bevestigt een ander. - ‘Van grooten adel of neet’ valt Han er tusschen, ‘wèè zal zich hie in hoes mit dat kind bezig halden?.... Ich höb gein verstand van zoo'ne schreeuvertGa naar voetnoot1).... as d'r van nacht e kalf gekomme wâs, dat had mich neet könne schelen.... maer e kînd!....’ - ‘Noe nog schoonder!’ klinkt de stem van vrouw Striep, die met een pak luren terugkeert, ‘kompleet de verkeerde wèreld.... eerst e kînd en dan de broeloft!’ - ‘Dat hèèt me meer gezeen!’ schertst de ander van straks. - ‘Is 't al geduipt?’ vraagt Lange-Teun ernstig. - ‘Wât geduipt!’ antwoordt vrouw Striep, ‘'t is 'ne sterke bengel van 'ne jong, dat kan wâl wachten tot morgen!’ - ‘'t Kan wâl behekst zin of van ein kwaoi hand geraakt... of den duvel in persoon...’ bromt Han tusschen de tanden. - ‘Allo! händ' aan 't werk!’ beveelt vrouw Striep, ‘de kètel euver 't vuur en water werm gemaakt!’ - ‘Is de politie al gehaold?’ vraagt Lange-Teun even ernstig. - ‘De politie? Nèè!’ stortert Wullem. Ook daaraan had hij nog niet gedacht. - ‘Die deent onmiddelik gehaold te wèrden. Wilt geer d'r hèr, meister Looimans, of zal ich 't veur uch | |
[pagina 54]
| |
doon?’ En nu Wullem nog een oogenblik draalt, gaat Lange-Teun de deur uit. In een oogwenk zijn alle handen aan 't werk. Wullem haalt water, Han legt vuur aan, de jonge meisjes fluisteren elkander iets toe en vragen elkander in t geheim, ‘van wie 't wel zijn zou?’, vrouw Striep legt de luren terecht en This redeneert ‘dat zoo'e kînd eemes gelök kan aanbringen.... as 't van grooten adel is....’ Intusschen staat Wullem naast den ketel, die langzaam begint te zieden, tuurt in de vlam en kan nog maar niet gelooven wat er gebeurd is... Van al hetgeen om hem henen geschiedt, hoort hij niets... De politie... de politie.. ja, die moet het dan maar meenemen.... want houden kan hij 't ook niet... En dan?.... en dan?.... Dan moet God maar zorgen dat het in de wijde wereld terecht komt... Wat gaat het hem dan ook verder aan?... Wat hij later doen kan... graag... maar houden?... dat is immers letterlijk onmogelijk.. en wat zouden de menschen wel zeggen?.... Als Lange-Teun met twee politie-agenten verschijnt, zit vrouw Striep met het aangekleede kind op een stoel, dien ze heen en weer beweegt onder 't zingen van: Slaop, kindje, slaop,
Dao boete steit e schaop
waarbij 't kind is ingesluimerd. - ‘Wât zolt geer van nacht mit dat kînd beginnen?’ vraagt Wullem, ‘geer kont het toch ouch | |
[pagina 55]
| |
neet in de wacht op de helGa naar voetnoot1) brits laote ligge....’ - ‘Dat höbbe veer ouch al gedacht,’ zegt de oudste der twee dienaren van de wet, ‘ich zal mîn vrouw wekken en vraogen of zî 't deze nacht bî heur wilt nèmen... dan hèèt ze ten minste gezelschap....’ Wullem knikt, tast in den broekzak, en duwt zwijgend en onopgemerkt den agent een groot zilverstuk in de vuist....
Eenige oogenblikken later staat Wullem aan de straatdeur en tuurt in de donkere Putstraat een paar agenten van politie na, waarvan de een een slapend kind in den arm houdt.... Een stuk of tien lustig koutende bruiloftsgasten volgen hen, om 't kindje uitgeleide te doen.... Plotseling blijft de heele groep in de duisternis staan en buigt langzaam de knie ter aarde.... Ook Wullem knielt; want in de verte, dat naderend licht en die klinkende schel.... dat is de berechting.... de koster voorop, gevolgd door den priester in alba en stola, die nog zoo laat de laatste zielespijs aan een stervende brengt... Voor wie zal dat wezen?... Zachtjes opent Treeske Michels de deur en laat den priester binnen.... - ‘WonjerGa naar voetnoot2), wonjer!’ denkt Wullem, ‘dao ein erm minselève, dat ten ind geit - hie ein erm minselève dat begint.... Wât ein nacht, wât ein nacht!....’ | |
[pagina 56]
| |
II.
| |
[pagina 57]
| |
Natuurlijk is in den beginne de geheimzinnige gebeurtenis het onderwerp van alle gesprekken geweest en heeft men zich verdiept in allerlei vermoedens, verloren in allerlei gissingen; zelfs de bijzonderheid, dat er dien nacht een troep schaarslijpers in de open lucht bij de stad hadden gekampeerd, bleef niet onaangeroerd, doch kon ook geen meerder licht over 't voorval verspreiden. Wullem is herhaaldelijk op het politiebureau ontboden voor nieuwe bijzonderheden en uit het oog verloren formaliteiten, tot de commissaris eindelijk de schouders heeft opgehaald, en de heele stad, jong en oud, de vrouwen niet het minst, elkander eerst half lachend, later met een zekere verontwaardiging, in het oor heeft gefluisterd, dat Wullem Looimans wel 't best zou weten wie de moeder van den vondeling was, zoo'n gierebast! - hetgeen echter ook tot niets anders geleid heeft dan tot eene hevige woordenwisseling tusschen Wullem en vrouw Striep, die overal had rondgebazuind ‘dat het wâs of het oet Wullem zî gezicht gesnejen wâs.’ Ook heeft Wullem, daags na de gebeurtenis, de zondagsche jas moeten aantrekken om, op verzoek van mijnheer Pastoor, als peetoom tegenwoordig te zijn bij het H. Doopsel, waar op voorstel van den heer Pastoor en met Wullems goedvinden, het kind den naam van Vincent ontving, naar den H. Vincentius à Paulo, den beschermheilige der verlatenen en vondelingen, waarna het aan het armbestuur werd overgegeven, dat het deed opnemen in het weeshuis. Dat het heele stadje zich met hem ophield en wat | |
[pagina 58]
| |
er zoo over hem verteld werd, is voor Wullem geen geheim gebleven. This heeft hem onder 't mest opladen en het aardappelen pooten op de hoogte gehouden van alles, wat hij zoo links en rechts vernomen had, en Han heeft een paar malen te kennen gegeven, dat zij er ernstig over dacht om te vertrekken, ten einde niet in opspraak te geraken.... Wullem heeft de schouders opgehaald en aan Han gezegd, dat zij zelve maar moest weten wat zij te doen had. En toch, al heeft Wullem gezwegen, dat alles heeft hem diep gegriefd.... Wie gaf iemand het recht om hem te verdenken?.... Kon hij 't helpen dat het kind in zijn stal gevonden werd, en had hij 't arme schepsel niet onmiddellijk aan de politie overgegeven? Zou hij dat gedaan hebben als 't zijn kind was?.... En toch, als al die babbelaars en kwaadspreeksters eens wisten met hoeveel hartzeer hij 't kind had zien wegdragen, en dat hij - ja, bij God! dat hij 't gehouden had, als hij kans gezien had om 't groot te brengen!.... Te midden van al die onaangenaamheden, die iemand wrevelig maken, is er nog iets gebeurd wat Wullem getroffen heeft en hem geen rust laat.... de oude Michels, de oom van Treeske, is gestorven en heeft haar slechts een onbeduidend legaatje vermaakt - al het overige is voor een klein gedeelte aan 't Weeshuis ten deel gevallen, en voor een groot gedeelte aan de Kerk, voor zielmissen.... Hoe zou Wullem dat bericht vroeger met inwendig genoegen en een glimlach op de lippen ontvangen | |
[pagina 59]
| |
hebben, hij, wiens leven door Treeske vergald was, door Treeske, die den grooten bottinewinkel moest hebben!.... En thans, te midden van al die beslommeringen en al dien wrevel brengt het hem tot nadenken, maakt het hem bijna het harte week.... Daar zit ze nu en heeft niets meer.... de historie van ‘Vischje, vischje uit de zee.. Wou je nog hooger zijn as God?....?’ 't Is gek, maar 't is of dat kind hem geheel en al veranderd heeft.... Nu hij - ja, dat moet hij toch! - nu hij voor dat kind moet zorgen, zou hij haast voor de heele wereld willen zorgen.... ook voor Treeske!. En toen hij den eerstvolgenden Zondag naar de kerk - doch deze maal naar de vroegmis - gegaan is, heeft hij wel gezien hoe alle blikken op hem gevestigd waren en hem bleven nastaren, tot hij, te midden van al 't gewoel, Treeske met de lange zwarte rouwfalie om 't hoofd heeft ontwaard, en - heeft hij goed gezien? -'t was of Treeske's blik, doch plotseling als een bliksemstraal, zijn blik ontmoette, en zij met een onbeschrijfelijke uitdrukking van schaamte en ootmoed het hoofd ter neder boog.... Langzamerhand is echter de kalmte teruggekeerd in Wullem's gemoed... en al spoedig, wellicht met nog meer ijver dan vroeger, is hij weer aan 't werk getogen - maar den vondeling vergeten... neen, dat kan hij niet! Herhaaldelijk is hij dan ook des zondagsnamiddags naar 't weeshuis gegaan, waar een vriendelijke non hem naar 't bedje van Vincent heeft gevoerd. | |
[pagina 60]
| |
Veel gezegd en veel gevraagd heeft Wullem niet, maar door een herhaald knikken met het hoofd en een enkel: ‘'t ligt hie schoon.... 't ligt hie as in 'nen hemel’ zijn hooge tevredenheid te kennen gegeven en de non een groot geldstuk in de hand willen, stoppen, die, altijd even vriendelijk doch zwijgend, hem naar de groote offerbus aan den ingang van 't gesticht heeft geleid. Wullem heeft nooit geweten dat het weeshuis zoo goed en zoo schoon was. Ook op eene andere plaats is Wullem geweest. Een week of drie na 't voorval heeft hem de lust bekropen om eens persoonlijk te hooren en te zien wat de menschen wel van hem dachten en van hem zeiden, en tegen 't vallen van den avond is hij in ‘'t Gouden Kruis’ bij Peter Willems binnengeslopen, een kleine, stille herberg, waar geen van die jonge lawaaimakers, maar alleen eenige bedaarde burgers, oudere lieden, komen, die er in den vooravond hun glas bier drinken. Hij heeft een praatje met Willems, over den prijs der aardappelen, voorgewend en binnen den brouwer ontmoet, die hem den draf verkoopt. Een oogenblik later zijn er nog andere gasten gekomen, zelfs een paar oude vrienden uit zijn jeugd, die hem hartelijk de hand gedrukt, naar den vondeling en de heele gebeurtenis gevraagd en niet het minste gerept hebben van alle praatjes en vertelsels. Dat heeft Wullem goed gedaan. De menschen zijn veel vriendelijker dan hij zich altijd voorstelde Ook daar is hij nu en dan teruggekeerd, heeft er kunnen praten over den akker en 't vee - en 't is hem net | |
[pagina 61]
| |
geweest of hij met nog meer genoegen en ijver aan 't werk is gegaan. Ja, 't is zelfs in den laatsten tijd gebeurd - maar niemand mag het weten, wat zou het anders nog worden met alle kleine debiteuren, die een kapitaaltje van Wullem hebben? - 't is zelfs gebeurd, dat hij aan Dorus den schoenmaker een halfjaar intrest heeft kwijt gescholden.... in ‘'t Gouden Kruis’ had hij toevallig vernomen dat de ziekelijke Dorus heimelijk gebrek leed - en waarom had de vrouw van Dorus, toen hij binnenkwam en zij bloedige tranen zat te huilen, ook zoo'n klein kind op den schoot... juist zoo'n kind als Vincent, toen hij gevonden werd? Zelfs heeft Wullem in den laatsten tijd zijn oude vrienden bijna geregeld opgezocht, zoodat vrouw Striep gezegd heeft: - ‘Zoo'ne gierebast!.. dèè mot nog elken aovend oetgaan zî pintje beer drinken!.. dèè durft nog onder de luu komme!’ Zoo is het langzaam verder gegaan, tot voor een dag of tien; het stadje heeft het zonderling voorval al lang vergeten en Wullem is in den laatsten tijd niet meer in 't weeshuis geweest, in de overtuiging dat het kind er werd opgepast en verzorgd als een prins. Voor een dag of tien alzoo, was Wullem met This op den akker bezig buiten de Maaspoort, toen een troep schaarslijpers, een heele famielje met een paar volwassen dochters en een hoop kinderen van elken leeftijd, met hun karretje over den grintweg trok. - ‘Just zoo'n bende as toen,’ zegt Wullem. | |
[pagina 62]
| |
- ‘Jao, 't is getGa naar voetnoot1) schoons!’ antwoordt This, ‘'t kînd is al good op wèeg om 'ne scheeresliiper te wèrden!’ - ‘Om scheeresliiper te wèrden?’ vraagt Looimans, ‘dat zolle de begiinen op 't weishoes d'r toch neet van make!’ - ‘Op 't weishoes?’ spot This, ‘jao, fluitepiepe! Berb de Koemoel zal d'r wâl get anders van make!’ - ‘Berb de Koemoel, de vrouw van de Zâtte Dragonder?... Bazel-ste, This?.... wat hèèt die d'r mit te make?...’ - ‘Wèèt geer dan neet, meister, dat het kînd bî Berb is, in de Kânjelstraot?’ Wullem leunt op zijn spade en blijft This met groote oogen aanstaren - ‘Jao, jao, meister!’ gaat This voort, ‘de Zâtte Dragonder hèèt het mich Zondâg aovend zelf verteld... Dat is nommer zes, zagt-hèGa naar voetnoot2)....’ - ‘En 't weishoes?’ vraagt Wullem, die This met stijgende verbazing aan blijft zien. - ‘'t Weishoes hèèt het kînd dao oetbestèèd, meister, wie ze dat neumen.... Op 't weishoes is gein plaats meer, sinds de viif jongste kînder van Dorus de schoenmeeker d'r in gekomme zin.... veur veerteen daag gelejen....’ - ‘Du lugstGa naar voetnoot3), This! du lugst!....’ - ‘En ich zèg uch dat ich 't van de Zâtte Dragonder zelf höb!’ Op die bevestiging van This werpt Wullem de | |
[pagina 63]
| |
spade van zich af, dat ze zes pas verder in den grond terecht komt. ‘Dat zol den drommel haole!’ roept hij, ‘dao mot ich bî zîn!’ En zonder zich verder te bedenken, spoedt Wullem zich naar de stad. Eerst huiswaarts, de zondagsche jas aan, en dan naar 't weeshuis. Dezelfde vriendelijke non ontvangt hem, maar 't kind, waarvoor Looimans zich interesseerde, is er niet meer.... Uitbesteed! Zal de Révérende-Mère vragen. Komt terug met het antwoord: Kanjelstraat No. 37. Te vergeefs tracht Wullem nadere ophelderingen te erlangen. Op zijn wel wat verwarde vragen naar rede en oorzaak, antwoordt de goede zuster alleen nog: ‘waarschijnlijk wegens overbevolking,’ en blijft zwijgend doch geduldig met neergeslagen oogen wachten, tot het Looimans zal believen heen te gaan. Wullem begrijpt, dat hier alles niets dan tijdverlies en vergeefsche moeite is en spoedt zich naar de Kanjelstraat. - ‘Dat zol toch de schwèrenood haole!’ bromt Wullem, op straat gekomen, in zich zelven, ‘bî Berb de Koemoel!.... Nommer zes!...’ En nu treedt het oogenblik weer voor zijn geest, waarop hij Vincent voor 't eerst zag liggen op de mand met veevoeder in den lichtschemer der opengewaaide stalpoort.... Dat menschelijk wezen, dat zeker gestorven was, als hij 't niet gered had, als hij het niet had laten drinken uit den klomp van het zooglam - thans bij Berb de Koemoel! | |
[pagina 64]
| |
De Kanjelstraat is een achterbuurt, tamelijk lang maar niet al te breed, niet breed genoeg dat er aan weerskanten langs de huizen een goot werd aangelegd - deze loopt in 't midden door de straat. Karren en wagens komen hier dan ook zelden. De huizen zien er vochtig en donker uit, binnen hoort men hier en daar 't geregeld slaan van een weefgetouw, buiten liggen ginds en verder groote hoopen met kinderen te spelen voor de eene of andere huisdeur. Anders is op dit uur op straat niemand te zien. De mannen zijn aan hun werk in de fabriek of op den akker; slechts een enkele vrouw, die in haar ellendig morgengewaad niet gaarne gezien wordt, snelt naar het dichtstbij gelegen winkeltje, om het streng noodzakelijke te halen Wullem stapt in den gang van het huis No. 37, dat hij ongeveer in 't midden der straat vindt, en opent de klink der eerste beste deur, aan zijn linkerhand. 't Vertrek binnentreden is echter onmogelijk. Een dikke, grauwachtig-witte, alles behalve aangename walm slaat hem tegen. Wullem is veel gewoon, in den stal en op den akker - maar in dezen atmospheer kan hij 't niet uithouden. Hij laat de deur open, blijft in den gang staan en ziet een oogwenk den stoom na, die door den gang, langs de straatdeur ontsnapt - een zoetachtige, flauwe en toch prikkelende lucht van zeepsop en loog, die opstijgt uit den grooten ijzeren ketel, waarin een groote wasch op de kachel staat te koken. Wullem herinnert zich - Berb wascht voor 't garnizoen | |
[pagina 65]
| |
- Wacht, ich zal den raam aopzetten!’ klinkt de stem van de Koemoel, en nu er al zooveel walm ontsnapt is dat het oog in de ruimte kan dringen, ziet Wullem een heel eskadron militaire kleedingstukken in rijen achter elkander opgehangen aan lange koorden, die door 't heele vertrek gaan. Zie maar, nu Berb achter eene der rijen te voorschijn komt en 't ongeluk heeft met den grooten potlepel, waarmee ze de wasch regeert, een der touwen aan te raken, beginnen alle rijen phantastisch op en neer te dansen. Terwijl Berb het raam aan de straat open stoot, laat zich aan den anderen kant het geween van eenige kinderstemmen hoeren Zonder daarop te letten, blijft Berb aan 't raam staan, legt den potlepel onder den linkerarm en vraagt: - ‘Wât mot er?’ Berb is een sterk, groot wijf, met een groot en grof gelaat, waarop twee uitpuilende oogen, en een vooruitstekende mond, die niet weinig aan den muil van een visch herinnert. - ‘Is hie dat kînd.... dat bî mich gevonje wèrde?’ - ‘Bî Looimans in de Polvertorenstraot?.... Kom maer binnen!’ Bij 't binnentreden valt Wullem's oog het eerst op een paar kinderen, die achter de deur op den grond zitten - een paar meisjes van een jaar of vier, waarvan het eene het hoofdje scheef draagt en den hals met een dikken bonten doek omwonden heeft. Daarnaast, in een stoeltje, zit een jongen met een waterhoofd, die zeker iets ouder dan de beide meisjes is, | |
[pagina 66]
| |
doch wiens leeftijd zich op den eersten blik moeilijk laat bepalen, wegens het vervaarlijk groote hoofd en de groote en toch van alle uitdrukking ontbloote oogen, die steeds op een punt gevestigd zijn. Neen, nu hij Berb ontwaart, die naderbij komt, brengt hij de rechterhand aan den mond en zuigt op de toppen der vingers. Zie, nu Berb de kleedingstukken op zij schuift om Wullem een weg te banen, laat zij den potlepel van de eene in de andere hand overgaan, en 't knaapje krimpt met angstigen blik op 't gevreesde wapen ineen. Zulks blijft echter voor Berb geheel en al onopgemerkt, die Wullem naar een bed geleidt, in eene opening in den muur, een soort van alkoof. Hier liggen nog drie wurmen in den donker. De Koemoel neemt er een uit, steekt het Wullem toe en zegt: - ‘Dao is de bengel!’ Ja, dat is Vincent.... Wullem herkent het kind.... maar - of verbeeldt hij 't zich slechts? - 't ziet er slecht uit. - ‘En wie lang is het kînd noe al hie?’ vraagt hij. - ‘Dat weurdt aanstaonde Zaoterdâg zes wèèken.’ - ‘Zes wèèken!’ mompelt Wullem wrevelig. ‘En wèè hèèt het hie gebracht?’ - ‘Wât 'n vraog!’ snauwt Berb, ‘wèè anders as de heeren, die ouch die viif andere bî mich bestèèd höbbe? Dacht geer döksGa naar voetnoot1) dat ich 't veur mî plezeer had in hoes gehaold?’ | |
[pagina 67]
| |
Willem staat een oogenblik sprakeloos. Zijn ziel gloeit van verontwaardiging Dan tracht hij zoo kalm mogelijk te zeggen: - ‘Zolt geer dat kînd neet bî mich wille bringe, in de Putstraot?’ - ‘Bî uch?.... Wât geit uch dat kînd aan, of höbt geer d'r döks get aan te zèggen, en is 't neet veur niks bî uch gevonjen? Of kont geer 't döks veur minder doon as veur acht cents daags, zooas ich? - ‘Acht cents daags!’ barst Willem los. - ‘Mint geer dat het te veul is veur al de èèrdappele die 't èt, veur ein heel pint melk en drie sneje wittebrood daags? Of wilt geer ze alle zes höbbe en komt geer hie om e fatsoenlik mîns het brood oet de mond te stoote?.... As geer meint dat het neet good weurdt opgepast en neet zîn zaak kriigt, mot geer maer nao de heere gaon!’ Intusschen heeft Berb 't kind weer naast de anderen in 't bed gelegd, waaruit thans een huilend trio stijgt, en is met de armen in de zij voor Looimans gaan staan. Naar de Heeren gaan!.... Daar heeft Wullem nog niet aan gedacht. IJlings keert hij zich om en gaat, en hoort niet eens meer wat de Koemoel hem naroept. Op het weeshuis, bij de Heeren, heeft Wullem het hard te verantwoorden gehad. Men heeft hem in een groot vertrek gelaten, waar een der Heeren Regenten achter een balie in groote boeken zat te bladeren - een klein dik heertje, dat zich onmiddellijk heel driftig maakte en met een heelen omhaal van woorden ver- | |
[pagina 68]
| |
klaard heeft dat hem, Wullem, de zaak niet aanging, dat het Weeshuis moest weten wat het deed, dat hij, Wullem, in de kas van 't gesticht niet kijken kon, dat het al heel welletjes was dat het huis zoo'n kind tot zich genomen had, waarvan men niet eens wist hoe 't in de wereld was gekomen, en dat meester Looimans zich maar met zijn eigen zaken moest bemoeien - waarop Wullem ook boos geworden is en verklaard heeft, dat het ongepermitteerd was en dat hij zich nog liever zelf met het grootbrengen van dat kind wilde belasten - waarop het heertje weer, met nog grooteren omhaal van woorden en aanhaling van artikelen uit het burgerlijk wetboek, aan Wullem heeft duidelijk gemaakt, dat hij het kind kon reclameeren, dat de Regenten er wel niets tegen zouden hebben om hem het kind af te staan, maar dat hij het dan ook houden en geheel en al er als vader over staan moest en er verder voor te zorgen had. Een oogenblik heeft een hevige strijd gewoeld in het binnenste van Wullem Looimans Hij is het heertje strak blijven aanzien, tot eindelijk het hooge woord er uit is gekomen: - ‘Good, good!.... dan eisch ich het kînd op!... dan zal ich het grootbringe en d'r van make wât ich kan!’ Gelukkig is er dienzelfden namiddag nog een vergadering van Regenten geweest, waar Wullem is moeten verschijnen en een akte heeft moeten teekenen. Tegen den avond heeft eene non, onder geleide van den weesvader, den kleinen Vincent bij Looimans in de Putstraat gebracht. | |
[pagina 69]
| |
Dat is weer een opschudding, een gemompel en heimelijk lachen geweest in de Putstraat en in 't heele stadje, nog erger dan de eerste maal, toen 't knaapje gevonden werd. Daags na 't terugbrengen heeft Han haar plunje saamgepakt en verklaard niet langer te willen blijven, en vrouw Striep heeft tegen iedereen gebabbeld: - ‘Wât zègt geer noe!.. Hob ich 't neet altiid gezagd?’ En met een glimlach op 't van genoegen stralend gelaat, zegt Wullem tegen This: - ‘'t Is toch e wonjer, dat ich altiid euver dat kind mot waken!’ Daags na 't vertrek van Han, is Han's nicht gekomen dezelfde die 't vorig jaar getrouwd is en wier eersteling voor een paar weken gestorven is. Zij heeft zich aangeboden om 't kind tot zich te nemen voor twintig centen daags. Wullem kent haar, 't is een brave zindelijke vrouw, en de gierebast heeft niet afgedongen. Maar zoodra zij haar pleegkind gezien heeft, heeft zij de handen in elkander geslagen en uitgeroepen: - ‘Och God! meister Looimans! dat kînd is doodkrank!... Nèè, dao kan ich mich neet mit belaste!. dat sturft binne drie wèèke!... ao, dat ken ich.... het zuut er pront zoo oet as mîn Toontje veerteen daag veur zînen dood, och-erm!.. Laot maer onmiddellik den dokter komme, dèè is hie neudiger as ich!’ Die vrouw heeft gelijk gehad; Vincent is doodziek | |
[pagina 70]
| |
geworden en Wullem is heel alleen met hem gebleven.... En daar zit hij nu, aan den morgen van den zesden nacht, dien hij doorwaakte naast het wiegje.... Niemand is hem behulpzaam geweest.... Soms heeft een der buren aan This gevraagd, hoe 't ging - mogelijk uit nieuwsgierigheid, mogelijk uit deelneming voor 't kind, niet voor hem, dien zij bekladden en beschimpten. Een enkele heeft aangeraden een Zuster van Liefde te laten komen... Een van die, die 't kind afstonden aan Berb de Koemoel?.... Wullem heeft ze leeren kennen!.... Vijf uur slaat de torenklok. Nog één uur!.... Nogmaals bukt Wullem zich over de wieg - en 't kind slaapt gerust. Toch - één oogenblik van voldoening, van innig genot heeft Wullem gesmaakt. Gister avond heeft de postbode een brief gebracht.... Looimans, die niet gewoon is brieven te ontvangen, heeft hem langzaam geopend, zonder te letten op het postmerk.... Geen datum.... geen handteekening!... Een recept is 't!.. ‘Neem goeden ouden Rijnwijn, doe er een achtste deel gelei van hertshoorn bij, goed onder elkander geroerd, geef het kind alle twee uur een theelepel vol, het zal slapen en genezen.’ Eerst heeft Wullem verbaasd opgekeken - dan geglimlacht. Wat zou zoo'n onnoozel beetje herts- | |
[pagina 71]
| |
hoorn in een theelepeltje vol wijn.... Wie mag hem dát zenden?.... Om het even - 't is van een ziel, die 't goed meent... Er is toch iemand, die deernis heeft met hem en met het kind.... Eene onbekende hand, dat fijne schrift!.... Hij zal 't den dokter toonen.... de dokter is wel erg barsch en dat soort van lui wil nooit veel van huismiddeltjes hooren... Toch bewaren!.... Toen de dokter gekomen is, is hij zoo gehaast geweest en heeft zooveel hoop gegeven en zoo vast verzekerd dat alles goed zou gaan als 't kind sliep, dat Wullem 't recept geheel en al vergeten heeft... Wie denkt dan ook aan zoo'n beetje hertshoorn! Zie, daar ligt het, naast het fleschje van den dokter.... Wullem neemt het nogmaals ter hand en leest nogmaals: ‘Neem goeden ouden Rijnwijn.... onder elkander geroerd.... het kind zal slapen en genezen....’ Dat is toch hetzelfde wat de dokter zegt... slapen!.. 't moet wel een goed recept zijn.... En Wullem blijft droomend turen op dat fijne schrift... Eensklaps richt hij zich overeind in zijn grooten stoel en brengt het papier nader bij zijn oog.... bij zijn oog, dat fonkelt.. Dat schrift.... dat schrift... dat kent hij.... dat is het schrift van Treeske!.... En spoedig herinnert hij zich dat Treeske's grootvader dokter was geweest en dat haar moeder een groot geschreven boek vol recepten bezat.... Wullem staat op en gaat naar de oude commode, | |
[pagina 72]
| |
die in een hoek van zijn slaapvertrek staat.... daarin is een geheim laadje, dat sinds vijftien jaren niet meer open ging.... Wullem ontsluit het en haalt er een klein verzegeld pakje uit.... hij breekt het koordje en 't lak en.... opent het.... Twee brieven en een haarlok!.... Geen twijfel meer - hetzelfde schrift! Wullem wordt afwisselend bleek en rood.... hijgend gaat zijn adem.... Alzoo zij.... zij, Treeske, is de eenige geweest, die met hem getracht heeft, dat kind te redden van den dood!... Wullem beeft aan al zijn ledematen, krampachtig omspant zijn hand die brieven en dien haarlok.... Langzaam zakt hij in den grooten stoel neder en werktuigelijk leest hij: ‘Waarde vriend, wat er ook komen moge, ik voel dat ik u eeuwig beminnen zal... Gister avond eerst heb ik den ruiker weggedaan, dien wij den vorigen Zondag te Haffert geplukt hebben. U vergeten kan ik nooit... ik wil eeuwig de uwe zijn...’ En nu doemt weer de heele wereld van 't verleden voor zijnen geest.... Duizend herinneringen stijgen weer op in zijn ziel, en in gedachten doorleeft hij den zaligsten tijd van zijn leven.... Hij ziet Treeske, de achttienjarige, weer, met haar helder oog en haar glimlach, hij hoort hare stem en haar vroolijken lach.... weer houdt hij haar bruin- | |
[pagina 73]
| |
gelokt hoofdje tusschen zijne handen, terwijl zij hem met stralen van genoegen aanschouwt.. en nu gaan ze weer samen arm in arm door weelderig groen en zonneschijn, en ginder ligt Haffert, waar 't kermis is.... en thans ziet hij haar weer blozen, nu hij heel zachtjes zegt zooals toen, doch luid genoeg dat hij er zelf van schrikt: ‘omdat ich dich leef höb, Treeske!’ Zes uur slaat de torenklok.... gered! gered! Het kind slaapt. Met een glimlach van innig zelfgenot op de lippen en een traan van diepen weemoed in 't oog, blikt Wullem derwaarts. Dan bukt hij zich zachtjes over het wiegje en kust den vondeling Een half uur later houdt er een karretje voor Wullem's woning in de Putstraat stil - de dokter, die al zoo vroeg naar buiten rijdt. Haastig vliegt hij de trap op, ziet het slapend kind, reikt Looimans met een glimlach de hand, terwijl hij zegt: - ‘Good opgepast; het is gered - Proficiat!’
Nog dienzelfden morgen bevindt Wullem Looimans zich in een ander huis, aan 't andere einde der Putstraat - bij Treeske. Hij heeft gezegd dat hij haar spreken moest, heeft verteld van de ziekte van Vincent en van 't naamloos toegezonden recept En toen Treeske vreeslijk gebloosd heeft en den blik ter aarde geslagen, heeft Wullem zachtjes hare hand genomen en gezegd: - ‘Treeske, allein kan ich het neet.... as veer dat kind samen grootbrachten?’ | |
[pagina 74]
| |
Daarop barst Treeske in tranen los en antwoordt: - ‘As du meinst dat ich 't kan, Wullem, dan wil ich aan zîn lève good make, wât ich aan 't dîn bedorven höb’ En terwijl Wullem nog altijd de hand van Treeske in de zijne houdt, vallen de vroolijke stralen der alverkwikkende Meizon in 't vertrek en zegt hij: - ‘Wât ene morge, Treeske! wât ene morge!’ |
|