Het gezin van baas Van Ommeren. Deel 2
(1870)–H.J. Schimmel–
[pagina 233]
| |
bedacht had, niet onder den minst vermoeienden arbeid geteld moest worden. Eigenlijk was zijn taak afgedaan, zoodra Stevens, de bij het overlijden afwezige erfgenaam, op kwam dagen, en deze had daarmeê juist niet lang gewacht. Maar Dominee gevoelde zóo levendig, dat hij Lize en den anderen erfgenaam nuttig kon zijn, zelfs alle opkomende wolken, die aan den hemel der erfenissen niet zeldzaam zijn, door zijn raad en vermaning zou kunnen verdrijven, dat hij bijkans geen dag verzuimde aan het kantoor van den Notaris of aan het sterfhuis eens aan te wippen, hier iets vragend, daar iets in overweging gevende, ginds op mogelijke bezwaren wijzend. De Notaris was daaronder het meest gelaten; want na zulk een kortstondig bezoek nam hij telkens, met zijn eigenaardigen glimlach, zijn Agenda op en teekende daarin een vakatie ten laste des boedels aan, hetgeen het gevolg had, dat Dominee, die alle geschillen zocht te voorkomen, de middellijke oorzaak was van een hooggaanden twist tusschen den Notaris en Stevens, die de ontvangen rekening onderzocht had en een twintigtal dier vakaties à een gulden twintig cents per stuk wilde schrappen. Maar eindelijk was dan toch alles afgeloopen en was Lize, die herhaaldelijk tusschen het dorp en van Ommerens warmoezerij heen en weêr gereisd had, voor goed naar laatstgemelde terug gekeerd. Al de dienstboden waren met een dankbaar hart | |
[pagina 234]
| |
afgetrokken en de bleekerij was voorloopig gesloten. De helft der overige vaste goederen was aan Lize toebedeeld en tevens eenige goede hypotheken, zoodat Dominee volle recht had lachend tot den voerman te zeggen, toen hij haar in het rijtuig had geholpen: ‘Voorzichtig rijden, Kees! want je neemt heel wat zakken guldens meê.’ Hij zelf mocht de voldoening smaken van Stevens een ongefrankeerden brief van dankbetuiging en van Lize, als blijk harer erkentelijkheid, een kostbaar gebonden exemplaar van van der Palms Bijbelvertaling te ontvangen, alsmede van haar te verstaan, dat zij tot de haren was terug gekeerd, maar zich voor een verre reis gereed maakte. Vóor zij die echter ondernam, zou ze Dominee komen verzoeken, als administrateur van haar vermogen op te treden. Weêr een allergewichtigste arbeid die hem wachtte! ‘Hoe kunt ge dat alles bijhouden?’ vroeg dan ook Cornelie, zijn altoos zwakke echtgenote. ‘Wij krijgen kracht naar kruis en verstand naar arbeid,’ gaf hij wel wat pedant ten andwoord, waarna hij zich ijlings naar de kerk begaf, ten einde de daar reeds verzamelde jeugd, die tot zelfs in Dominees huiskamer tuigenis van haar aanwezen gaf, te katechizeeren. ‘De bengels!’ riep hij gebelgd uit. ‘Ik zal ze dat verfoeielijk misbaar, dat heidensch geweld wel verleeren. 't Is waaratje of ze kettersche kinderen | |
[pagina 235]
| |
zijn. De belhamel is zeker weêr Jakob van den Berg.’ Diens grootouders waren Afgescheidenen! ‘Wacht, wild gespuis!’ schreeuwde Dominee al van ver met zulk een stentorstem, dat de lieve jeugd, behoorlijk gewaarschuwd, wel een gemeente van jonge heiligen geleek, toen hij binnen kwam. Er was een eerbiedig zwijgen, wat Dominee al wat ontwapende. Toch lag er nog onweêr in zijn oogen, maar het was een aftrekkend onweêr. Hij sloeg het vraagboekjen na het gewone gebed open, en zag dat hij gebleven was aan den doortocht der kinderen Israëls door de Roode zee. De zwerftocht in de woestijn moest nu behandeld worden. 't Was een zijner meest geliefkoosde onderwerpen, en als hij wilde, vertelde hij uitmuntend, vooral voor jeugdige ooren en onbevangen harten. Hij was ook in de hoogste mate plastiesch in zijn voorstellingen. Zijn driekante hoed stelde den berg Sinaï voor; alles wat daar om heen lag was woestijn. Daar ginder - hij wees naar de zij waar de kinderen zaten - lag het land van Amalek en Midian - de lieve jeugd had het ditmaal dubbel en dwars verdiend om voor onbesnedenen door te gaan - en heel in de verte het land van Kanaân, overvloeiende van melk en honig, waarvoor hij als zichtbaar teeken den preêkstoel nam. Nu begon de tocht der honderdduizenden met de lichtwolk voorop als wegwijzer. De honderd kinderen zaten allen ademloos, | |
[pagina 236]
| |
eenigen zelfs met een hoogrooden blos van opgewektheid te luisteren. Dominee glimlachte even en knikte dezen en genen toe. Hij had niet gehoord, dat de zijdeur achter hem geopend en er iemant was binnen getreden, zoodat hij werkelijk schrok toen hij een stem achter zich hoorde en hem meteen iets in de hand werd geduwd. ‘Mevrouw zeî, dat ik het Dominee dadelijk zou brengen,’ zeî Aagt, de werkmeid. ‘Ik wil hier niet gestoord worden!’ riep Dominee gramstorig. ‘Mevrouw is er erg van geschrokken.’ ‘Toch niet heel erg? Geef hier! Een brief?’ ‘Ja, en Mevrouw laat vragen, of we daar vier en twintig stuivers voor moeten betalen? Daar staat op, dat Dominee minister is, zeit Mevrouw.’ Hij las: Monsieur Stins, ministre protestant. Hij brak den brief open en bedacht niet, dat hij daardoor al dadelijk vier en twintig stuivers schuldig werd. Hij begreep den inhoud niet recht, maar maakte er toch zooveel uit op, dat hem een belangrijke, maar zeer treurige tijding gewerd. ‘Moet ik..?’ vroeg Aagt, die nog altijd achter Dominee stond, maar verlegen werd tegenover al die jongens, waarvan de meesten haar een langen neus maakten en de bespottelijkste gezichten trokken. ‘Moet ik...?’ begon zij nogmaals. ‘Wel ja, wel ja, ik kom. Ik dacht, dat je al | |
[pagina 237]
| |
vertrokken waart. Kinderen, we zullen het van daag hier bij laten!’ Hij kon daartoe te eer besluiten, daar hij juist genaderd was aan een zeer scabreus punt: de dans der kinderen Israëls om het gouden kalf, een feit, dat hij altijd moeite had te vergoêlijken en toch zoo graag vergoêlijken wilde, want hij hield veel van de kinderen Israëls: dat wil zeggen, van die uit het Oude Testament. Hij spoedde zich naar de pastorie, in de linkerhand een pand van zijn jas, in de rechter den geopenden brief. Deze kwam uit Algiers en was geschreven uit een plaats, wier naam hij moeite had uit te spreken. De brief was geteekend door zekeren heer Lionet, lieutenant-colonel du 87e. Zijn jeugdige vriend le capitaine Omère - die franschen zijn toch naambedervers, want Dominee kwam niet dan na herhaalde lezing en na de zaak in haar onderling verband beschouwd te hebben, tot de zekerheid, dat hier Kornelis van Ommeren bedoeld werd - lag te sterven. De fransche hoofd-officier schreef toch, zoo als Dominee, voor wien de letters dansten, en in zijn driftige haast hier en daar een regel overslaande, las, onder meer het volgende: ‘Ik vervul een treurigen plicht. De achting, die le gros garçon mij inboezemde, doet mij de pen opvatten. In zijn vele batailles gespaard, ligt hij nu neer, reddeloos getroffen door den geduchten schutter, dien men cholera heet. Sterven moeten wij allen, wie kunnen | |
[pagina 238]
| |
dat beter weten dan wij? en als le gros garçon een blauwe boon in hart of hersens gekregen had, dan had ik hem adieu gezegd en daarmeê uit. Maar op een brits te liggen krimpen en als een oud wijf te kermen, dat's meer dan ik le bon Dieu vergeven kan...’ Hier poosde Dominee een oogenblik en haalde diep adem. ‘Dat's een heiden!’ zuchtte hij. ‘Welk een lichtvaardigheid! En dát was de vriend van Kornelis!’ Hij vervolgde: ‘Ik weet niet of deze brief ooit aan zijn adres zal komen, want ik geloof niet dat er een post is, die tot aan de Noordpool gaat, maar toen ik le pauvre Omère van morgen in de ziekentent bezocht en van den chirurgijn-majoor vernam, dat alles vóor den middag met hem gedaan zou wezen, toen ik den goeden jongen eenige klanken hoorde uitbrengen en zijn reeds gebroken oog zag staren op een ring aan zijn vinger, toen begreep ik qu'il y avait une histoire intime. Ik opende zijn portefeuille... ik vond brieven in een onbekende taal en op een lijstjen eenige namen, waaronder de uwe, bij wien hij zijn eerste kommunie schijnt gedaan te hebben. Aan zijn ouders begreep ik niet rechtstreeks te moeten schrijven; want al heeft men jaren achtereen in 't open veld doorgebracht en menig vuilen bedouïn en kabyl in het zand doen bijten, toch weet men nog wel wat een vader of een moeder is. Eh bien... brisons là dessus!’ | |
[pagina 239]
| |
‘De vent valt me toch nog meê,’ mompelde Dominee, die middelerwijl op zijn studeerkamer was aangekomen. ‘Dat Eh bien is weer fransche slag, maar die man des bloeds heeft toch sentiment.’ ‘Den ring, dien ik van zijn blauw verstijfden vinger trok, voeg ik hierbij. “Lucie!” geloof ik dat de jongen prevelde terwijl ik het deed; zeker de naam de la belle inconnue.’ ‘Lucie! Lucie! Daar heb ik weer tekstkritiek bij noodig,’ bromde Dominee. ‘Maar de conjektuur is makkelijk: Lucie dat is: Lize. Wat zijn die franschen toch oppervlakkig!’ ‘Mes respects aan haar, indien ge haar mocht kunnen uitvinden... Daar knettert weêr het geweervuur en hoor ik in de verte het Allah-geschreeuw. Wij moeten weêr aan den dans! Ik slaap misschien nog eer dan mijn vriend Omère. En avant, toujours en avant!’ ‘Een Hottentot heeft nog meer geloof!’ zuchtte Dominee. ‘Een heet vuurtjen zal 't geven; tien tegen een. Maar, mon brave, ik schat uw tocht naar de ouders en het liefjen van Omère nog zwaarder dan de mijne.’ ‘Daar heeft hij gelijk in. 't Is tóch een christen,’ riep Dominee verzoend uit. ‘Arme Kornelis, maar hij heeft den strijd gestreden! Neen, arme Lize, arme ouders!’ Het was doodstil in de pastorie. 't Was ook de | |
[pagina 240]
| |
dag, dat Dominee na de katechisatie gewoon was zijn preek voor Zondag morgen te beginnen. Van de kindermeid af tot aan Mevrouw toe gehoorzaamde ieder het consigne voor dien dag: stilte, door niets gestoorde stilte. De keukenmeid deed haar krakende schoenen, de werkmeid haar klompen uit en liepen op haar kousen. De kinderen gingen met de Goevernante uit wandelen of, bij regen, in het tuinhuis spelen en leeren. Mevrouw nam de gelegenheid waar om de breuken te boeten, door het wilde volkjen in bijna ieder kleedingstuk aangebracht. Zelfs de enkele huismuis, die de groote kater nog gespaard scheen te hebben, waagde het dien dag niet dat gedeelte van den zolder te bezoeken, dat over de studeerkamer heen liep. Mevrouw, die Dominee in de verte met den geopenden brief had zien aankomen, maar wetende wat dag het was, had het niet gewaagd hem tegen te treden, om hare nieuwsgierigheid, - en de goede vrouw wás nieuwsgierig van aard - bevredigd te zien. Misschien kon die geheimzinnige brief, welks inhoud zij echter vóor den avond wel zou weten, Dominee de aanleiding geven tot een tekst, en een tekst was voor een preek, zoo als haar echtgenoot haar steeds verzekerde, wat de wortel was voor een boom. Die teksten, die teksten! Dominee kon er dan dikwijls dánig om verlegen zijn! | |
[pagina 241]
| |
't Was dus doodstil geworden, toen Dominee, door het achterhuis binnen gekomen, langzaam den trap opgeklommen en de studeerkamer was ingegaan, waarvan hij de deur, niet zoo als gewoonlijk, geweldig achter zich toegeslagen, maar, zeker in gedachten, aan had laten staan. Daar klonk eensklaps op het portaal zijn luide stem, die een der dienstboden riep, om dadelijk bij van Nes een rijtuig te bestellen. ‘Hij moet dadelijk voorkomen, dadelijk, hoor, Aagjen!’ klonk en weergalmde het door het huis. Dominee had een besluit genomen en was gewoon er dadelijk uitvoering aan te geven. Zijn echtgenote trilde beneden, toen zij die stoornis in het stille huis vernam en nog meer toen zij hoorde, welk een last er gegeven werd. Een en ander moest met dien brief in verband staan. Schoorvoetend klom zij naar boven, waar zij tot haar verbazing de deur der kamer waag en wijd open vond staan en Stins met groote stappen op en neer zag wandelen. ‘Een heet vuurtjen zal 't geven. Vechten, tien tegen een!’ mompelde hij. ‘Lieve hemel, wat hoor ik! Stins, op uw leeftijd! Denk eens, uw ambt! Vechten, lieve man? Een man en vader!’ riep Cornelie uit. ‘Wat ik te doen heb is nog zwaarder dan dat,’ hernam hij. ‘'t Is zoo als de snorbaard zegt, zeker zoo'n vechtersbaas als we in onze jeugd in het leger | |
[pagina 242]
| |
van Napoleon gezien hebben! Hou me niet op, Vrouw! Is Aagjen nog niet heen?’ en meteen zag hij het raam uit, dat het uitzicht gaf op den weg. Daar liep de lange werkmeid op haar gemak te kuieren. ‘Maar wat is er dan toch? vroeg Cornelie. ‘Wat er is? Kornelis van Ommeren is heel ver hier van daan aan de cholera gestorven.’ Cornelie haalde ruimer adem: zij had zich iets ergers voorgesteld, iets wat haar van meer nabij betrof. ‘Heb ik van mijn leven!’ riep Dominee eensklaps uit, terwijl hij voor het raam stond te stampvoeten. ‘Daar staat me die Aagt op haar gemak een praatjen te houden en ik heb zoo'n haast om vóor den nacht weêr thuis te zijn. Stuur haar de andere meid achterna!’ ‘Maar die is bezig...’ Hij had reeds het raam opengeschoven en stak het hoofd er door heen. De kracht van Dominees stem was bekend, en eenige rechtzinnige kerkeraadsleden wilden beweren, dat hij voornamelijk dáaraan het beroep te danken had gehad: maar wat hij nú aan kracht ontwikkelde ging al het vroegere ver te boven. Het was maar éen lange uitroep van den naam Aagt, maar bij dien roep stoven uit den kastanjeboom, die ter zijde stond van het venster, de duiven, vinken en musschen weg, kortom | |
[pagina 243]
| |
al het gevogelte dat er in huisde, staakte de timmerman, die in de buurt aan het werk was, zijn arbeid, keek de Notaris over het chasinet van het kantoorraam en draaide de schuldige, tot over de ooren kleurende, zich om. ‘Stins, Stins!’ klonk het achter hem. ‘Dat geeft weêr gepraat. Laat dán maar liever de keukenmeid...’ ‘Niet meer noodig. Ze maakt beenen, de babbelaarster! Ze holt waaratje! Nu, dat heb ik haar niet gezegd... maar 't is haar konscientie.’ ‘Moet ge niet eerst wat eten?’ ‘Neen, als ik terug kom. 't Is een zware tocht, vrouw! Die goede luidtjens! Ik moet een jobsbode wezen... Een zware tocht! Toch had ik niet gewild, dat die aan een ander ware opgedragen. Ik hoop te kunnen troosten, maar nóg zie ik niet in, hoe ik het 't best zal aanvangen. Maar de Heer zal het mij wel op de lippen leggen...’ en zoo ging het voort, soms gebukt onder het gewicht zijner tijding, soms bemoedigd door de kracht, welke hem zijn geloof schonk, weinig andwoordend op de bezwaren zijner gade, die hem wilde bewegen de reis tot morgen uit te stellen en middelerwijl de zaak goed te overleggen. Daar stond de foergon voor en de hijgende werkmeid er achter. ‘Denk er ten minste aan wat klein geld voor de | |
[pagina 244]
| |
tollen meê te nemen,’ zeide Cornelie, die allen verderen tegenstand opgaf. Een kwartier later draafde het rijtuig reeds het dorp uit, met twee personen, waarvan de een een open brief in de hand hield, dien hij nogmaals doorliep. |
|